Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.705 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0162

De vrouw, destijds in opleiding tot chirurg, is door medisch onzorgvuldig handelen ongewenst zwanger geraakt van haar derde kind. Zij heeft een spiraal laten zetten in het ziekenhuis en bij een nacontrole is de ligging van de spiraal gemanipuleerd. De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid erkend en aangegeven bereid te zijn de schade die voortvloeit uit het onzorgvuldig handelen te vergoeden. Het lukt partijen niet de schade vast te stellen, onder andere omdat zij het er niet over eens zijn welke gevolgen de derde zwangerschap heeft gehad op het carrièreverloop van de vrouw. De rechtbank komt tot het oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om tot het oordeel te kunnen komen dat de vrouw zonder het onzorgvuldig medisch handelen, dus zonder de ongewenste derde zwangerschap, de opleiding tot chirurg (zonder meer) met succes zou hebben doorlopen. Het is niet uitgesloten dat de opleiding alsnog met succes zou zijn afgerond, maar er zijn meerdere factoren die aan het succesvol afronden in de weg hadden kunnen staan, ook in het geval er van een derde zwangerschap geen sprake zou zijn geweest. De twee eerdere beoordelingstrajecten in twee ziekenhuizen waren verre van vlekkeloos verlopen. Er waren op cruciale momenten meerdere punten van kritiek, zowel bij tussentijdse beoordelingen als bij eindbeoordelingen. Er wordt gewezen op gebrekkige communicatie, het niet uit elkaar houden van hoofd- en bijzaken, het niet openstaan voor kritiek, gebrek aan leerbaarheid, onvoldoende tempo en gebrek aan zelfvertrouwen, en ook in techniek liep zij geregeld achter. De rechtbank constateert dat de vrouw een zwaar traject stond te wachten waarbij haar functioneren onder een vergrootglas zou liggen. Het is niet uitgesloten dat zij erin geslaagd zou zijn de punten van kritiek te overwinnen, maar niet kan gezegd worden dat enkel de ongewenste zwangerschap aan het welslagen in de weg heeft gestaan. Ook zonder die zwangerschap had de vrouw nog heel wat te overwinnen alvorens zij na het intensieve beoordelingstraject in de gelegenheid zou zijn gesteld de opleiding voort te zetten. Al met al concludeert de rechtbank dat niet vastgesteld kan worden dat de vrouw zonder het onzorgvuldig medisch handelen, dus zonder de ongewenste derde zwangerschap de opleiding tot chirurg met succes zou hebben doorlopen. De rechtbank komt wel tot het oordeel dat door het medisch onzorgvuldig handelen voor de vrouw een kans verloren is gegaan om de opleiding tot chirurg met succes af te ronden. De rechtbank schat de kans dat de vrouw zonder het medisch onzorgvuldig handelen de opleiding tot chirurg met succes zou hebben afgerond, alle omstandigheden in ogenschouw nemend, ex aequo et bono op 30%.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 26-03-2026

Rechtspraak

PS 2026-0161

De belangenbehartiger staat particulieren bij die letselschade hebben geleden. In een aantal letselschadezaken die de belangenbehartiger behandelt, is de verzekeraar betrokken als verzekeraar van de aansprakelijke partij. De verzekeraar weigert met de belangenbehartiger samen te werken en heeft de belangenbehartiger geregistreerd in verschillende (fraude)registers. De rechtbank oordeelt dat de belangenbehartiger op een dermate misleidende wijze te werk is gegaan, dat de verzekeraar terecht heeft vastgesteld dat de belangenbehartiger niet (voldoende) betrouwbaar is als belangenbehartiger. Belangenbehartiger was niet transparant zijn over de financiële afspraken (of erger: de werkelijke afspraken bewust buiten het zicht houden). Hierbij weegt de rechtbank ook mee dat de verzekeraar onderbouwd naar voren heeft gebracht, onder meer door naar rechtspraak te verwijzen, dat de belangenbehartiger niet alleen bij één zaak op deze wijze te werk gaat, maar dat dit vaker is gebeurd. Alle genoemde redenen samengenomen vormen voldoende grond voor de verzekeraar om de samenwerking met de belangenbehartiger te beëindigen. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat voldaan wordt aan de regelgeving (PIFI) omtrent de registratie in de registers. De rechtbank concludeert dat voldoende vaststaat dat de belangenbehartiger door haar handelwijze dermate misleidend te werk is gegaan, dat dit onoorbare gedragingen opleveren als bedoeld in artikel 5.2.1 sub a van het PIFI. Het zijn gedragingen die een bedreiging vormen voor de (financiële) belangen van cliënten en verzekeraar zelf of de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector. De slotsom is dat de registraties gerechtvaardigd zijn en de daarmee samenhangende vorderingen moeten worden afgewezen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 18-03-2026

Rechtspraak

PS 2026-0157

Deelgeschil. In 2013 is een toen 17-jarige jongen op zijn e-bike betrokken geraakt bij een verkeersongeval op een oversteekplaats voor fietsers en voetgangers. Hij heeft hierbij een hersenkneuzing opgelopen, waarvoor hij een behandeltraject heeft gevolgd bij een revalidatiecentrum voor niet-aangeboren hersenletsel. De WAM-verzekeraar heeft in 2015 50% van de aansprakelijkheid erkend. Hoewel partijen dit lange tijd hebben geprobeerd, zij zijn niet tot overeenstemming gekomen. Volgens de verzoeker is het erkende percentage te laag. Volgens hem is de WAM-verzekeraar volledig aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval. De WAM-verzekeraar voert aan dat de jongen destijds een verkeersfout heeft gemaakt door met zijn e-bike het kruispunt over te steken, terwijl het voor hem bestemde verkeerslicht op rood stond. De rechtbank is op basis van de stukken, waaronder het proces-verbaal van de politie, het faselog en de beschikbare getuigenverklaringen, van oordeel dat in dit geval inderdaad sprake is geweest van een verkeersfout van de verzoeker. De rechtbank gaat ervan uit dat hij ofwel de bestelauto over het hoofd heeft gezien (en deze door zijn koptelefoon mogelijk ook niet heeft horen aankomen), ofwel een inschattingsfout heeft gemaakt door te denken dat hij nog voldoende tijd en ruimte had om nog vóór de bestelauto over te steken. Hoe dan ook heeft zijn verkeersgedrag substantieel bijgedragen aan het gevaar voor het ontstaan van het ongeval. Als hij goed had uitgekeken en/of was gestopt voor het rode licht, zou hij niet op dat moment zijn overgestoken en zou het ongeval niet plaats hebben gehad. Het ongeval is in overwegende mate veroorzaakt door de verzoeker zelf. Dit betekent dat de toepassing van de causaliteitsmaatstaf geen aanleiding geeft voor toekenning van een hogere schadevergoeding dan de 50% die volgt uit de 50%-regel. Het verzoek op een billijkheidscorrectie slaagt niet. Hierbij weegt de rechtbank mee dat, nu in de uitkomst van de causale verdeling de causale bijdrage van de autobestuurder aan het ontstaan van het ongeval substantieel lager lag dan 50%, de schadevergoedingsverplichting van de WAM-verzekeraar al is verhoogd op grond van de 50%-regel. De rechtbank overweegt dat de gevolgen van het ongeval voor de verzoeker zeer ernstig zijn en dat hij daarmee dagelijks wordt geconfronteerd. Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat hij met grote inzet probeert om zich een weg te vinden binnen de nieuw ontstane kaders. Dat siert hem en roept respect op. De toedracht van het ongeval en de daarop toe te passen rechtsregels maken echter dat er geen aanleiding bestaat om te bepalen dat de WAM-verzekeraar meer dan de helft van de schade moet dragen. De verzochte verklaringen voor recht worden afgewezen.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 11-03-2026

Rechtspraak

PS 2026-0156

Een vrouw stond in de periode van 2000 tot en met 2019 onder behandeling bij de afdeling Endocrinologie van een ziekenhuis in verband met adrenogenitaal syndroom (AGS). De vrouw stelt dat zij schade heeft opgelopen die voorkomen had kunnen worden wanneer haar bloeddruk en de schommelingen daarin regelmatig en zorgvuldig waren gecontroleerd en tijdig en adequaat waren behandeld tijdens haar behandeling. De vrouw heeft zowel het ziekenhuis als de betrokken internist-endocrinologen ieder afzonderlijk aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden en nog lijdt. De vrouw verzoekt nu dat de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht beveelt. Zij wil hiermee laten vaststellen dat de in 2015 gestelde diagnose FNS een misdiagnose is geweest. Volgens haar heeft het ziekenhuis de op de MRI geconstateerde witte stof-afwijkingen destijds ten onrechte afgedaan als een toevallige bevinding, zonder deze in verband te brengen met haar neurologische klachten. Verder wil zij laten vaststellen dat de witte stof-afwijkingen het gevolg zijn van haar langdurige en sterk schommelende bloeddruk. Het ziekenhuis verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en stelt dat de vrouw onvoldoende belang heeft bij het gelasten van een neurologisch onderzoek. Het ziekenhuis verzet zich niet tegen het benoemen van een internist-endocrinoloog die zich kan uitlaten over de medische praktijk en het medisch handelen van de behandeld internist-endocrinoloog. Pas als vast zou komen te staan dat er sprake is geweest van onzorgvuldig medisch handelen door de internist-endocrinoloog (met name door het onvoldoende controleren en behandelen van de bloeddruk) zou een neurologisch onderzoek naar de gevolgen daarvan (eventueel) aan de orde kunnen zijn. De rechtbank is het hiermee eens: de vrouw heeft onvoldoende belang bij haar verzoek. Hoewel de vrouw in haar verzoekschrift en ter zitting nadrukkelijk heeft verzocht om een voorlopig deskundigenbericht over het medisch handelen van de neuroloog, blijkt uit de onderliggende verwijten dat haar klachten in hoofdzaak betrekking hebben op het handelen van de internist-endocrinoloog. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar standpunt dat eerst (de omvang van) de schade en de oorzaak daarvan dienen te worden vastgesteld met de informatie van de neuroloog en vervolgens pas aan de orde komt of zorgvuldig is gehandeld. Bij het aansprakelijk stellen van een behandeld arts staat centraal of deze heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in die omstandigheden zou hebben gedaan. Het is niet zo dat er omdát er schade is, wel onzorgvuldig moet zijn gehandeld. De vrouw heeft onvoldoende duidelijk gemaakt in hoeverre de expertise van de neuroloog zou kunnen bijdragen aan de beoordeling van een potentiële vordering. Ook is van belang dat tussen partijen geen inhoudelijk geschil bestaat over het bestaan van en de mogelijke oorzaak van de witte stof-afwijkingen. Het ziekenhuis erkent immers zelf in haar verweerschrift dat hypertensie een mogelijke oorzaak kan zijn van witte stof-afwijkingen. Uit het verhandelde ter zitting begrijpt de rechtbank dat de vrouw wellicht op zoek is naar een vorm van erkenning, maar zij heeft dit onvoldoende concreet vertaald naar een rechtens te respecteren belang bij haar verzoek.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 11-09-2025

Rechtspraak

PS 2026-0155

In 2017 is een baby geboren in het ziekenhuis met tekenen van asfyxie, een toestand waarbij een baby vóór, tijdens of kort na de geboorte onvoldoende zuurstof krijgt, hetgeen kan leiden tot ernstige schade aan de hersenen en andere organen. Na de bevalling is gebleken dat er bij de baby sprake is van hersenschade. De jongen is verbaal niet communicatief en volgt speciaal onderwijs vanwege zijn cognitieve beperkingen. De ouders en wettelijke vertegenwoordigers van de jongen hebben het ziekenhuis in 2019 aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het feit dat hun zoon rondom de bevalling hersenschade heeft opgelopen. Daarnaast heeft de moeder ook haar verloskundige aansprakelijk gesteld voor diezelfde schade omdat zij volgens de moeder medisch verwijtbaar heeft gehandeld voorafgaand en tijdens de bevalling. Beide partijen hebben aansprakelijkheid ontkend. Om haar rechtspositie in deze kwestie te kunnen bepalen, hebben de verloskundige en haar aansprakelijkheidsverzekeraar de rechtbank verzocht een verloskundige expertise te gelasten. Het ziekenhuis heeft daarop een zelfstandig verzoek ingediend op de voet van artikel 282 lid 4 Rv tot benoeming van een gynaecoloog als deskundige. Het kind en de ouders verzetten zich niet tegen toewijzing van de verzoeken, maar voeren wel verweer tegen de voorgestelde vraagstellingen. Er is overeenstemming tussen hen en het ziekenhuis omtrent de benoeming van een bepaalde gynaecoloog. Zij hebben geen overeenstemming kunnen vinden met de verloskundige over de benoeming van de persoon die de verloskundige expertise zal verrichten. De rechtbank wijst het voorlopig deskundigenbericht toe en benoemt de deskundigen. Met inachtneming van de stellingen van de partijen komt de rechter tot de vraagstellingen. De verloskundige en het ziekenhuis zijn beiden bereid om het voorschot voor het door hen aangevraagde verzoek te voldoen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 26-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0154

Strafrecht. De verdachte heeft gepoogd zijn ex-partner te vermoorden omdat hij het niet kon accepteren dat zij de relatie had beëindigd. De verdachte heeft haar die dag gevolgd en opgewacht op de parkeerplaats bij het winkelcentrum waar zij nietsvermoedend met haar moeder boodschappen deed. De verdachte heeft haar eenmaal buiten vastgepakt en het vuurwapen tegen haar rug gehouden waarna hij tot twee keer toe van korte afstand in haar rug heeft geschoten. Op het moment dat de moeder haar dochter wilde bijstaan door de verdachte vast te pakken, heeft hij haar in de borst geschoten ten gevolge waarvan zij ter plaatse is overleden. De verdachte is hierna rustig naar zijn auto gelopen, weggereden en als gevolg van een geraffineerd vluchtplan vijf weken lang uit de handen van politie en justitie gebleven. De vrouw heeft als gevolg van het handelen ernstig en blijvend fysiek letsel opgelopen aan haar zenuwstelsel. Hierdoor is zij verlamd geraakt en heeft zij last van sterke zenuwpijn. Zij zal voor de rest van haar leven blijvend invalide en hulpbehoevend zijn. Hiernaast heeft zij ook ernstig psychisch letsel opgelopen, dat zich uit in langdurige slaapproblematiek, gevoelens van (straat)angst en daarmee gepaard gaand psychisch trauma. De vrouw heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. Ten aanzien van de door haar gevorderde shockschade overweegt het hof dat vaststaat dat zij direct is geconfronteerd met de dood van haar moeder. Nadat de verdachte de benadeelde had neergeschoten, heeft hij in haar bijzijn haar moeder doodgeschoten. De benadeelde was op dat moment bij bewustzijn en heeft dit meegemaakt. Zij heeft haar moeder bij die aanval door de verdachte horen schreeuwen en heeft hier blijvende herinneringen aan. Daarnaast is de benadeelde partij op het moment dat zij op de afdeling intensive care ontwaakte, direct meegedeeld dat haar moeder was overleden en al was begraven. Dit alles is voor de benadeelde zeer ingrijpend geweest en heeft geleid tot geestelijk letsel, te weten PTSS, zoals blijkt uit de overgelegde verklaring van een GZ-psycholoog. De benadeelde ondergaat hiervoor traumabehandelingen. Het hof wijst een vergoeding wegens shockschade van € 30.000 toe. Zij krijgt daarnaast ook affectieschade conform het Besluit vergoeding affectieschade toegewezen. Ten slotte krijgt zij een schadevergoeding van € 250.000 toegewezen voor de geleden immateriële schade. De kleindochter van de moeder heeft zich ook gevoegd als benadeelde partij en haar beroep op de hardheidsclausule van artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder g BW slaagt. Zij stond in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot haar grootmoeder dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij als naaste moet worden aangemerkt.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 23-03-2026