Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.964 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0421

De vrouw heeft een medische ingreep (een buikwand- en bovenarmcorrectie) ondergaan in de kliniek. Volgens de vrouw zijn rond die medische ingreep fouten gemaakt door de kliniek. In het deelgeschil ligt – kort gezegd –de vraag voor of de verzekeraar en de kliniek kunnen worden aangesproken voor de schade die de vrouw stelt te hebben geleden als gevolg van de door haar gestelde fouten. De verzekeraar meent dat de rechtbank daarover geen beslissing kan nemen omdat er onderzoek door een onafhankelijk medisch deskundige nodig is. In dat kader heeft de verzekeraar een tegenverzoek ingediend, inhoudende dat de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht gelast. Voor de beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag is naar het oordeel van de rechtbank een onderzoek door een medisch deskundige noodzakelijk. Zonder een nader onafhankelijk deskundigenadvies kan de rechtbank de aansprakelijkheid van de kliniek niet beoordelen. Met de verzekeraar is de rechtbank daarom van oordeel dat de vrouw niet een deelgeschil had moeten starten, maar een verzoek om een voorlopig deskundigenbericht had moeten indienen. Er is daarom geen grond voor de toewijzing van het gevorderde voorschot op de schadevergoeding of de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. Het verzoek is op deze punten prematuur. Mede daarom worden de kosten in deelgeschil aan de zijde van de verzoekster ook niet begroot. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeraar in haar tegenverzoek kan worden ontvangen, dit tegenverzoek wordt verder behandeld.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 03-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0420

De man heeft het slachtoffer mishandeld en is daarvoor onherroepelijk veroordeeld door de politierechter. Het slachtoffer stelt als gevolg van de mishandeling schade te hebben geleden, onder meer bestaande uit gederfde inkomsten wegens (tijdelijke) arbeidsongeschiktheid. De kantonrechter heeft de schadevorderingen van het slachtoffer toegewezen. In hoger beroep is enkel de vraag aan de orde wat de omvang is van de op de man rustende schadevergoedingsplicht, nu de man het hoger beroep heeft beperkt tot het door hem gevoerde eigenschuldverweer (grief I) en de onderbouwing van de schade wegens gederfde inkomsten door het slachtoffer (grief II). De man heeft niet aan de op hem rustende stelplicht voldaan door onvoldoende toe te lichten welke concrete omstandigheden, die aan het slachtoffer kunnen worden toegerekend, tot gevolg hebben gehad dat er sprake is van eigen schuld. Daarnaast is het hof van oordeel dat het slachtoffer het schadebedrag van € 10.752 wegens gederfde inkomsten summier heeft toegelicht en onderbouwd. Daartegenover staat dat de man in hoger beroep de omvang van de schade slechts in algemene bewoordingen heeft betwist. Het had op de weg van de man gelegen om concreet in te gaan op de door het slachtoffer naar voren gebrachte stellingen en in het geding gebrachte stukken, hetgeen hij heeft nagelaten. Het door de man ingestelde hoger beroep heeft geen succes. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter, met veroordeling van het slachtoffer in de proceskosten in het hoger beroep.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 21-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0419

In deze zaak staat de vraag centraal of het dienstvervoerbedrijf aansprakelijk is voor de schade die de fietser heeft geleden, nadat hij tijdens het fietsen – tegen de rijrichting in – de controle over zijn fiets verloor en ten val kwam tegen de zijkant van een passerende tram. De fietser heeft hierbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De fietser stelt dat de trambestuurder hem had moeten waarschuwen en dat het uitblijven van de waarschuwing meebrengt dat het dienstvervoerbedrijf aansprakelijk is voor zijn schade. Nu de trambestuurder ter zake het ongeval op dit punt een verwijt kan worden gemaakt, is er volgens de fietser geen sprake van overmacht. Van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid aan de zijde van de fietser is evenmin sprake. Volgens de fietser brengt dit met zich dat het dienstvervoerbedrijf op grond van de zogenoemde 50%-regel ten minste 50% van zijn schade dient te vergoeden. Daarop dient vervolgens de billijkheidscorrectie te worden toegepast, gelet op de ernst van zijn letsel en de ingrijpende gevolgen daarvan. De rechtbank oordeelt dat de trambestuurder in de gegeven omstandigheden rechtens geen verwijt kan worden gemaakt en dat daarmee sprake is van overmacht. Van een beroepsmatige trambestuurder mag worden verwacht dat hij rekening houdt met mogelijke verkeersfouten van andere (zwakkere) weggebruikers, maar niet met een zodanig onverwachte ontwikkeling dat een fietser die parallel naast een passerende tram rijdt plotseling de controle over zijn fiets verliest en tegen de zijkant van die tram valt. Met een dergelijk verloop van de gebeurtenissen hoefde de trambestuurder dan ook redelijkerwijs geen rekening te houden. De vorderingen van de fietser worden daarom afgewezen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 15-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0418

De werkneemster is in dienst geweest bij een kaashandel. Vast staat dat de werkneemster verschillende klachten heeft, zoals artrose in handen, elleboog, schouder, rug, heupen, knieën en voeten, lichte artrose in CMC1-gewrichten, tendinitis (peesontsteking) in schouder en veranderingen in de lumbale wervelkolom. Daarnaast kampt de werkneemster met mentale problemen. Het gaat in deze zaak om de vraag of de werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die de werkneemster stelt te hebben geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden. De aandoeningen van de werkneemster hebben een multi-causaal ziektebeeld. De werkneemster stelt dat de aandoeningen waaraan zij lijdt een rechtstreeks gevolg zijn van de zware werkomstandigheden bij werkgever. Zij onderbouwt haar stelling met verschillende verklaringen van (oud-)werknemers en licht de zware werkomstandigheden toe. De werkgever betwist niet dat het werk dat de werkneemster verrichtte zwaar was, maar heeft de geschetste werkomstandigheden op bepaalde punten gemotiveerd weersproken. De kantonrechter is echter van oordeel dat de werkneemster de blootstelling aan schadelijke werkomstandigheden onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De overgelegde getuigenverklaringen zijn gemotiveerd betwist en de werkneemster heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de werkomstandigheden ook schadelijk konden zijn voor de gezondheid. Daarmee is niet aan het eerste vereiste voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel voldaan. Ook aan het tweede vereiste is niet voldaan, omdat naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende is komen vast te staan dat de klachten van de werkneemster kunnen zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden. De werkneemster draagt nu de volledige bewijslast. Pas als zij hierin is geslaagd, komt de vraag aan de orde of de werkgever de op hem rustende zorgplicht is nagekomen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Gouda), 13-08-2026

Rechtspraak

PS 2026-0417

Het verzoekschrift strekt er in de kern toe dat de rechtbank voorlopige deskundigenberichten zal bevelen ter beantwoording van de in het verzoekschrift opgenomen vraagstellingen, met benoeming van een door de rechtbank aan te wijzen neuroloog tezamen met een psychiater, verzekeringsarts en bedrijfseconoom. Daarnaast wordt verzocht om te bepalen dat de kosten van het onderzoek en dus ook van het voorschot op deze kosten ten laste van de verzekeraar zullen worden gebracht. De rechtbank heeft ter zitting vastgesteld dat partijen in grote lijnen overeenstemming hebben bereikt over het plan van aanpak in onderhavige zaak. Het plan van aanpak komt erop neer dat partijen het eens zijn dat er eerst een neuroloog en een psychiater worden benoemd. De beslissing op het verzoek tot benoeming van een verzekeringsarts en bedrijfseconoom zal, mede gelet op de daarmee gepaard gaande kosten, in afwachting van de uitkomst van het deskundigenonderzoek van de neuroloog en psychiater, worden aangehouden. De rechtbank benoemt de neuroloog en de psychiater en oordeelt dat de verzekeraar de kosten van het deskundigenonderzoek moet voorschieten. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om aan te sluiten bij de nieuwe IWMD-vraagstelling uit 2025. Anders dan verzoeker lijkt te betogen, is het de rechtbank niet gebleken dat de nieuwe vraagstelling onzorgvuldig tot stand is gekomen. De IWMD-vraagstelling is tot stand gekomen onder leiding van De Letselschade Raad, een onafhankelijke en overkoepelende organisatie in de letselschadebranche. Volgens De Letselschade Raad is de nieuwe vraagstelling vastgesteld na een intensief proces van zes jaar, waarbij de vorige versie branchebreed is geëvalueerd. De nieuwe versie sluit volgens De Letselschade Raad aan bij de NVMSR Richtlijn voor medisch specialistische rapportage in bestuurs- en civielrechtelijk verband 2024 en is naar verwachting beter afgestemd op de wensen en behoeften van zowel medici als juristen werkend binnen het medisch traject bij letselschadezaken. Dat daarbij in de vraagstelling meer aandacht is voor de predispositie en pre-existentie mag zo zijn, maar dat zijn volgens de rechtbank ook onderwerpen die niet onderbelicht moeten blijven, zeker niet bij zaken waar het gaat om moeilijk objectiveerbaar letsel.
Rechtbank Overijssel (Locatie Almelo), 07-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0416

Het bedrijf verkoopt en verhuurt onder andere rolstoelen. Door het bedrijf is er een nieuwe rolstoel ter beschikking gesteld aan de man. In eerste instantie is de rolstoel zonder achterwielen geleverd. Het bedrijf ging ervan uit dat de achterwielen van de oude rolstoelen zouden worden omgezet. Vervolgens is het bedrijf nog tweemaal lang geweest om de rolstoel aan te passen. Na de derde keer heeft de man de rolstoel gebruikt. Hij is die dag naar de vlonder in zijn achtertuin gereden vervolgens heeft de man een wheelie gemaakt en is voorover uit de rolstoel gevallen. Hierdoor heeft de man zijn rechteronderbeen gebroken. De rechtbank heeft vastgesteld dat het bedrijf aansprakelijk is. De daaropvolgende buitengerechtelijke onderhandelingen over de afwikkeling van de schade hebben niet tot een overeenkomst geleid. Partijen blijven verdeeld over de vraag of sprake is van enige mate van eigen schuld en of causaal verband bestaat tussen het ongeval en de verhuizing van de man. Op basis van het in kracht van gewijsde gegane vonnis staat vast dat de oorzaak van de val is gelegen in de onjuiste afstelling van de rolstoel. Het bedrijf heeft aangevoerd dat de rolstoel niet geschikt was voor het uitvoeren van een wheelie. Dat bepaalde typen rolstoelen mogelijk makkelijker of soepeler kunnen kiepen maakt op zichzelf nog niet dat het uitvoeren van een wheelie geen normale basisvaardigheid meer is of dat de man reeds daarom onvoorzichtig zou hebben gehandeld. Aan het voorgaande doet evenmin af dat in de gebruikershandleiding van de rolstoel wordt gewaarschuwd voor het risico op een val. Daarnaast heeft het bedrijf geen feiten of omstandigheden gesteld die – mits bewezen – kunnen leiden tot het oordeel dat de man dermate onvoorzichtig heeft gehandeld dat hij zich anders heeft gedragen dan een redelijk rolstoelgebruiker onder de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de man onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die het oordeel kunnen dragen dat de bewoning van de boerderij als gevolg van de val niet langer mogelijk was en dat de verhuizing naar het seniorenappartement daardoor noodzakelijk is geworden. De rechtbank concludeert dat het beroep van het bedrijf op eigen schuld aan de kant van de man wordt afgewezen en dat de gevorderde verklaring voor het recht dat er sprake is van een causaal verband tussen de verhuizing en de val wordt afgewezen.
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 09-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0415

De man onderging een medisch onderzoek bij het ziekenhuis ter evaluatie van het eerder gecoilde aneurysma. De man onderging hierna een operatie bij het UMC. Partijen vermoeden dat het coil-materiaal (‘spiraaltje’) dat is gebruikt in de loop van de tijd op de oogzenuw van de man is gaan drukken. Sinds de operatie is de man steeds minder goed gaan zien met zijn rechteroog en heeft hij last van dubbelbeelden. De man vordert in dit kort geding een voorschot op de schadevergoeding van het ziekenhuis vanwege een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst, althans onrechtmatige daad. Het ziekenhuis voert zowel een verjarings- als een causaliteitsverweer en voert verder aan dat sprake is van een restitutierisico. De kantonrechter oordeelt dat het bestaan van een vordering van de man op het ziekenhuis, gelet op het gevoerde verjarings- en causaliteitsverweer, onvoldoende aannemelijk geworden is voor toewijzing van een voorschot op schadevergoeding in kort geding. Een onmiddellijke voorziening is dan niet op zijn plaats, temeer nu er een reëel risico bestaat dat de man niet kan terugbetalen. Hoewel de situatie van de man prangend is en zijn belang bij een voorschot op schadevergoeding voldoende aannemelijk, weeg dat niet op tegen het belang van het ziekenhuis om bij de onzekere vordering tot een voorschot op schadevergoeding veroordeeld te worden. Dit betekent dat de vordering wordt afgewezen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 15-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0413

Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag en aan wapen- en munitiebezit. Op klaarlichte dag heeft hij met een vuurwapen gericht op het slachtoffer geschoten en hem daarbij in zijn arm geraakt. Daardoor is bij het slachtoffer gecompliceerd armletsel ontstaan. Het slachtoffer houdt hier in ieder geval een aanzienlijk litteken aan over en het is nog onduidelijk of de functionaliteit van zijn arm volledig zal herstellen. Het slachtoffer vordert € 75.000 aan immateriële schade. De kogel heeft aanzienlijke schade bij de benadeelde partij aangericht, waardoor hij twee keer moest worden geopereerd en aan een lang hersteltraject moest beginnen. Het psychische letsel ten gevolge hiervan is aannemelijk en ook voldoende onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat het slachtoffer recht heeft op smartengeld. De rechtbank gaat daarbij uit van een bedrag van € 27.000 wegens het ontstaan van middelzwaar armletsel (categorie 5.7.b). Omdat niet vaststaat dat het hierbij om blijvend letsel gaat, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een verhoging van 25% vanwege de jonge leeftijd van het slachtoffer, nu dit – gezien de aanbeveling – geldt bij blijvend letsel. Wel zal de rechtbank een verhoging van 10% (€ 2.700) toepassen wegens ernstig verwijtbaar handelen van de verdachte, waarbij de rechtbank is uitgegaan van voorwaardelijk opzet bij de verdachte. De rechtbank komt tot een vergoeding van € 10.000 wegens het ontstaan van middelzwaar geestelijk letsel (traumaklachten) en sluit daarbij aan bij de categorie ‘middelzwaar’ omdat ook in dit geval niet vaststaat dat er sprake is van blijvende beperkingen (categorie 14.1.c). Ten slotte komt de rechtbank tot een bedrag van € 10.000 wegens het ontstaan van middelzware littekenvorming (categorie 10.b) en daarbovenop een verhoging van 25% (€ 2.500), vanwege de jonge leeftijd van het slachtoffer, omdat dit letsel naar verwachting blijvend is. Bij beide laatstgenoemde bedragen zal de rechtbank een verhoging van 10% (€ 2.250) toepassen wegens ernstig verwijtbaar handelen van de verdachte. De rechtbank komt tot de conclusie dat het slachtoffer recht heeft op vergoeding van € 54.450 aan immateriële schade.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 03-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0412

Strafrecht. Verdachte heeft met een scherp voorwerp zwaar lichamelijk letsel toegebracht aan het rechterbovenbeen van zijn toenmalige vriendin, als gevolg waarvan zij is komen te overlijden. Ten tijde van het incident was de dochter van het slachtoffer aanwezig in de woning. Daarnaast heeft de verdachte zich op een eerder moment schuldig gemaakt aan huisvredebreuk. De moeder van het slachtoffer heeft € 27.500 aan immateriële schade gevorderd, waarvan € 17.500 aan affectieschade en € 10.000 aan shockschade. De rechtbank wijst de gevorderde affectieschade toe. Daarnaast wijst de rechtbank de gevorderde shockschade ook toe. Uit de stukken volgt dat de moeder onverwacht te horen heeft gekregen dat haar dochter in het ziekenhuis was opgenomen met levensbedreigende verwondingen en in comateuze toestand verkeerde. Tevens heeft zij in het ziekenhuis moeten aanschouwen hoe de pogingen van het medisch personeel om haar dochter in leven te houden uiteindelijk tevergeefs waren. Uit het verslag van de huisarts volgt ook dat zij is verwezen naar een psycholoog vanwege PTSS-klachten. Nu de vordering is onderbouwd, niet gemotiveerd is betwist en de rechtbank het gevorderde bedrag redelijk vindt, wijst de rechtbank de vordering in zijn geheel toe. De dochter en de zoon van het slachtoffer hebben zich ook als benadeelde partij gevoegd. De dochter vordert € 50.000 aan vergoeding van immateriële schade, deze omvat € 20.000 aan affectieschade en € 30.000 aan shockschade. De zoon heeft € 38.500 aan vergoeding van immateriële schade gevorderd, waarvan € 20.000 aan affectieschade en € 18.500 aan shockschade. De rechtbank zal de vorderingen van de affectieschade toewijzen tot een bedrag van elk € 20.000. De rechtbank is van oordeel dat ook de vordering tot schokschade voldoende is onderbouwd. In het geval van de dochter geldt dat zij aanwezig was in de woning toen het feit heeft plaatsgevonden en heeft zij haar moeder toen nog gezien. Zowel de dochter als de zoon hebben hun moeder in het ziekenhuis gezien. Daarnaast heeft een gedragswetenschapper naar voren gebracht dat wat hem betreft vaststaat dat de kinderen psychische schade hebben opgelopen als direct gevolg van het overlijden van hun moeder. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gevorderde schokschade kan worden toegewezen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 10-09-2026