Naar boven ↑
7.584 resultaten

Rechtspraak

PS 2024-0326

Kort geding. Schaderegeling in een letselschadezaak komt ook niet van de grond na een mediationtraject. In kort geding vordert de benadeelde betaling van de verzekeraar ten titel van een voorschot op de schadevergoeding en de BGK. Aan zijn vorderingen legt de benadeelde ten grondslag dat hij als gevolg van het verkeersongeval ernstige knieklachten, cognitieve klachten en psychische klachten ervaart. Partijen hebben tijdens de mediation een werkafspraak gemaakt met betrekking tot de BGK: de discussie over de BGK die zouden zijn gemaakt voor de mediation werd geparkeerd, zodat met betrekking tot de BGK vanaf de mediation met een schone lei kon worden begonnen. De verzekeraar is deze afspraak niet nagekomen en heeft geen betalingen verricht. Wat betreft het voorschot op de BGK oordeelt de voorzieningenrechter dat de benadeelde een spoedeisend belang heeft bij de toewijzing, nu het van groot belang is dat hij de doorlopende kosten van de noodzakelijke juridische bijstand in de voortdurende schaderegelingsprocedure kan blijven betalen. Verder acht de voorzieningenrechter het op dit moment onvoldoende aannemelijk dat de benadeelde een vordering heeft op de verzekeraar die hoger is dan het bedrag dat reeds als voorschot op de persoonlijke schade is betaald (€ 140.000). Tussen partijen bestaat nog discussie over het bestaan van een causaal verband tussen het ongeval en de gestelde ervaren klachten. Voordat er aanvullend bevoorschot kan worden dient er eerst duidelijkheid te komen over het oorzakelijk verband tussen de cognitieve en psychologische klachten en het ongeval. Daartoe worden naar aanleiding van een verzoek tot het gelasten van een deskundigenonderzoek, welk verzoek op dezelfde dag is behandeld, deskundigen benoemd.
Rechtbank Noord-Holland, 13-06-2024