Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.705 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0171

Deelgeschil. In 2011 is een bijrijder gewond geraakt bij een verkeersongeval. De WAM-verzekeraar van de auto waar de bijrijder in zat heeft de aansprakelijkheid richting de bijrijder aanvaard. Hierna is langdurig onderhandeld in het kader van de afwikkeling van de letselschade en zijn er in de tussentijd voorschotten aan de man beschikbaar gesteld. In 2017 is door de verzekeraar een namens haar ondertekende vaststellingsovereenkomst (VSO) aan de bijrijder voorgelegd waarbij de schade werd vastgesteld op € 393.000. Na een second opinion heeft de opvolgend belangenbehartiger aan de verzekeraar laten weten dat de bijrijder niet akkoord gaat. Tot 2021 is opnieuw onderhandeld en zijn onafhankelijke onderzoeken verricht. Na een mediationtraject is door beide partijen een VSO gesloten (door beide partijen getekend) waarbij de schade is vastgesteld op € 322.500, vermeerderd met € 86.058,17 buitengerechtelijke kosten. In deze procedure, bijgestaan door een nieuwe belangenbehartiger, stelt de bijrijder dat er in 2017 rechtsgeldig een VSO tot stand is gekomen. De rechtbank begrijpt uit het verzoekschrift dat de bijrijder van mening is dat de VSO uit 2021 vernietigbaar is wegens (al dan niet wederzijdse) dwaling dan wel misbruik van omstandigheden: hij zou de VSO 2021 nooit zijn aangegaan als de verzekeraar hem niet in de onjuiste veronderstelling zou hebben gebracht dat de VSO 2017 niet tot stand was gekomen en hem niet onder druk zou hebben gezet een nieuwe vaststellingsovereenkomst te sluiten. De rechtbank wijst het verzoek tot een mondelinge behandeling af. Deze zaak leent zich niet voor behandeling in deelgeschil: een beslissing op het verzochte kan niet bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Tussen partijen staat immers vast dat er al een vaststellingsovereenkomst is gesloten, namelijk de VSO 2021. In het geval toewijzend zou worden beslist op het primaire verzoek, wordt teruggevallen op de VSO 2017. Een beslissing op het primaire verzoek kan dus (evident) niet bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, maar zou slechts uitsluitsel geven over welke vaststellingsovereenkomst partijen bindt. Indien toewijzend zou worden beslist op het subsidiaire verzoek, betekent dit dat daaraan voorafgaand is geoordeeld dat de VSO 2017 niet tot stand is gekomen, en dat er – door vernietiging van de VSO 2021 – ook geen vaststellingsovereenkomst meer is. Daarmee zou de hele schadeafwikkeling weer openliggen. Het standpunt van de man dat die beslissing (wel) zou kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, deelt de rechtbank niet. Omdat de beslissing tot afwijzing zo voor de hand lag, is het verzoek volstrekt onnodig en onterecht ingesteld en worden de kosten van de procedure niet begroot.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 26-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0170

In 2023 heeft een aanrijding plaatsgevonden. Volgens de verzoekende partij heeft de wederpartij na het verkeersongeval aan haar toegegeven dat zij door het rode stoplicht is gereden. De verzoekende partij heeft bij het tankstation vlak bij de ongevalslocatie met haar telefoon een foto gemaakt van een opname van een beveiligingscamera van het tankstation waarop een auto met een bestuurder ernaast te zien is. De auto stond naast de pomp. Daarnaast heeft zij ook een filmpje gemaakt van beelden waarop het verkeersongeval te zien is. De WAM-verzekeraar van de wederpartij heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het verkeersongeval van de hand gewezen, omdat na het bekijken van het filmpje niet vaststaat dat haar verzekerde door rood is gereden. De verzoekende partij heeft vervolgens geprobeerd om een verklaring te bemachtigen van de bestuurder van de auto die volgens haar tijdens het verkeersongeval achter de wederpartij reed. Volgens haar heeft deze mannelijke bestuurder na het verkeersongeval gezegd dat de wederpartij door rood reed. Deze bestuurder kan ook verklaren dat de wedepartij dit aan de verzoekende partij heeft toegegeven. De gegevens van deze bestuurder zijn door geen van partijen of andere aanwezigen bij het verkeersongeval genoteerd. De verzoekende partij heeft het kentekenregister van de RDW geraadpleegd om de gegevens van de bestuurder van de schermafbeelding op te vragen. Hieruit bleek waar de bestuurder verzekerd was. De verzoekende partij heeft vervolgens deze verzekeraar verzocht om de NAW-gegevens van deze bestuurder aan haar te verstrekken. De verzekeraar heeft dit niet gedaan, omdat haar verzekeringnemer heeft laten weten geen getuige te zijn geweest van het verkeersongeval en daarnaast geen toestemming heeft gegeven voor het verstrekken van zijn NAW-gegevens aan de verzoekende partij. De verzoekende partij verzoekt nu om een getuigenverhoor, waarbij onder andere de verzekeringnemer gehoord moet worden. Het getuigenverhoor wordt toegewezen, maar enkel voor zover dat verzoek ertoe strekt om anderen dan de verzekeringnemer te horen. Het verzoek tot toegang tot de persoonsgegevens wordt afgewezen. Die verwerking zou op grond van artikel 6 lid 1 onder f AVG gerechtvaardigd kunnen zijn als voldoende duidelijk zou zijn dat de verzekerde daadwerkelijk getuige van het ongeval is geweest. In dit geval is echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verzekeringnemer bij het verkeersongeval aanwezig is geweest.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 13-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0169

Regresvordering. In 2017 heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen een bromfietser en een voetgangster, waardoor de voetgangster lichamelijk letsel heeft opgelopen. De bromfietser heeft wegens overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 een strafbeschikking opgelegd gekregen. De zorgverzekeraar van de voetgangster heeft de kosten voor de medische behandelingen vergoed en heeft in 2022 de bromfietser aansprakelijk gesteld voor de medische kosten met daarbij het verzoek om de aansprakelijkstelling door te sturen naar zijn verzekeraar. De bromfietser voert aan dat hij de aansprakelijkheidsstelling heeft gemeld bij zijn WA-verzekeraar. De WA-verzekeraar heeft de materiële schade van de voetgangster vergoed. De man was in de veronderstelling dat de kwestie daarmee geregeld was. Pas door de dagvaarding is hij op de hoogte geraakt van de vordering van de zorgverzekeraar. Hij heeft toen op allerlei manieren geprobeerd contact te krijgen, maar dit is niet gelukt. Ook haar gemachtigde staat hem niet te woord. De kantonrechter overweegt dat de man niet heeft weersproken dat hij aansprakelijk is voor het ongeval. Op grond van artikel 7:962 lid 1 BW kan de zorgverzekeraar zich rechtstreeks tot de man wenden met deze rechtsvordering, ook als hij een eigen WA-verzekeraar heeft. Het is vervolgens aan hem om zijn vordering uit hoofde van zijn WA-verzekering zelf met zijn verzekeraar af te wikkelen. De kantonrechter begrijpt uit het verweer van de man dat hij een beroep doet op verjaring. Dat beroep slaagt niet. De verjaringstermijn is door de zorgverzekeraar tijdig gestuit. De kantonrechter gaat de gevorderde kosten langs. De medische kosten ter hoogte van € 1.983,60 komen voor vergoeding in aanmerking. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en administratiekosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Omdat de man voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding niet is aangemaand ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 05-03-2026

Rechtspraak

PS 2026-0166

Een bestuurder van een personenauto is in 2016 aan de rechterkant aangereden door een vrachtwagen. De WAM-verzekeraar van de vrachtwagen heeft aansprakelijkheid erkend. Bij het ongeval liep de bestuurder letsel aan de borstkas (mogelijke ribfracturen) op. Ook heeft hij sinds het ongeval rugpijn en nekklachten en last van duizeligheid, hoofdpijn, vermoeidheid en geheugen- en concentratieproblemen. In 2022 heeft het UWV de man volledig en duurzaam arbeidsongeschikt verklaard. Partijen verschillen van mening over de vraag of op dit moment op basis van de stukken in het dossier kan worden vastgesteld dat de klachten en beperkingen die de man sinds het ongeval ervaart het gevolg van het ongeval zijn, of dat nog een medische expertise nodig is om daarover duidelijkheid te scheppen. De rechtbank kan op basis van de stukken die zich op dit moment in het dossier bevinden niet vaststellen dat de klachten en beperkingen van de man inderdaad door het ongeval zijn veroorzaakt. Zij acht een onafhankelijke medische expertise nodig om meer duidelijkheid over dat oorzakelijk verband te krijgen. Hoewel vaststaat dat de man de klachten die hij sinds het ongeval ervaart voor het ongeval niet had, dat het ongeval hoog energetisch was en dat er duidelijk een knik is in het functioneren voor en na het ongeval, is niet duidelijk of er sprake is van een (volledig) consistent en samenhangend klachtenpatroon. De rechtbank beveelt een deskundigenonderzoek en benoemt een neurochirurg als deskundige. De rechtbank laat het aan het oordeel van de deskundige over of er nog aanvullende medische informatie aangeleverd en opgevraagd moet worden.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 18-03-2026

Rechtspraak

PS 2026-0165

Een werkneemster verzoekt onder meer dat voor recht wordt verklaard dat haar werkgever aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden tijdens haar dienstverband. De vrouw lijdt aan het syndroom van De Quervain, CMC-1 artrose en reumatoïde artritis. De partijen twisten over de vraag of de arbeidsrechtelijke omkeringsregel van toepassing is. De vrouw stelt dat zij als gevolg van de zware werkomstandigheden klachten aan handen, polsen, ellebogen en schouders is gaan ontwikkelen die tot de aandoeningen hebben geleid. De werkgever heeft de door de vrouw geschetste werkomstandigheden gemotiveerd weersproken, in het bijzonder de frequentie en de intensiteit van de werkzaamheden. De kantonrechter overweegt dat niet ter discussie staat dat het werk dat de vrouw verrichtte fysiek zwaar is, maar dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw bloot is gesteld aan schadelijke werkomstandigheden. Verder heeft de vrouw ook geen medische stukken overgelegd waaruit volgt dat de aandoeningen door de werkomstandigheden kunnen zijn veroorzaakt. De vrouw stelt slechts dat haar bedrijfsarts mondeling tegen haar zou hebben gezegd dat het werk te zwaar was en dat zij daardoor ziek is geworden. De arbeidsrechtelijke omkeringsregel is in dit geval niet van toepassing. De volledige bewijslast rust op de vrouw. Op basis van het huidige dossier kan geen causaal verband worden vastgesteld tussen de klachten van de vrouw en de werkomstandigheden.
Rechtbank Den Haag (Locatie Gouda), 19-03-2026