Deelgeschil. In 2011 is een bijrijder gewond geraakt bij een verkeersongeval. De WAM-verzekeraar van de auto waar de bijrijder in zat heeft de aansprakelijkheid richting de bijrijder aanvaard. Hierna is langdurig onderhandeld in het kader van de afwikkeling van de letselschade en zijn er in de tussentijd voorschotten aan de man beschikbaar gesteld. In 2017 is door de verzekeraar een namens haar ondertekende vaststellingsovereenkomst (VSO) aan de bijrijder voorgelegd waarbij de schade werd vastgesteld op € 393.000. Na een second opinion heeft de opvolgend belangenbehartiger aan de verzekeraar laten weten dat de bijrijder niet akkoord gaat. Tot 2021 is opnieuw onderhandeld en zijn onafhankelijke onderzoeken verricht. Na een mediationtraject is door beide partijen een VSO gesloten (door beide partijen getekend) waarbij de schade is vastgesteld op € 322.500, vermeerderd met € 86.058,17 buitengerechtelijke kosten. In deze procedure, bijgestaan door een nieuwe belangenbehartiger, stelt de bijrijder dat er in 2017 rechtsgeldig een VSO tot stand is gekomen. De rechtbank begrijpt uit het verzoekschrift dat de bijrijder van mening is dat de VSO uit 2021 vernietigbaar is wegens (al dan niet wederzijdse) dwaling dan wel misbruik van omstandigheden: hij zou de VSO 2021 nooit zijn aangegaan als de verzekeraar hem niet in de onjuiste veronderstelling zou hebben gebracht dat de VSO 2017 niet tot stand was gekomen en hem niet onder druk zou hebben gezet een nieuwe vaststellingsovereenkomst te sluiten. De rechtbank wijst het verzoek tot een mondelinge behandeling af. Deze zaak leent zich niet voor behandeling in deelgeschil: een beslissing op het verzochte kan niet bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Tussen partijen staat immers vast dat er al een vaststellingsovereenkomst is gesloten, namelijk de VSO 2021. In het geval toewijzend zou worden beslist op het primaire verzoek, wordt teruggevallen op de VSO 2017. Een beslissing op het primaire verzoek kan dus (evident) niet bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, maar zou slechts uitsluitsel geven over welke vaststellingsovereenkomst partijen bindt. Indien toewijzend zou worden beslist op het subsidiaire verzoek, betekent dit dat daaraan voorafgaand is geoordeeld dat de VSO 2017 niet tot stand is gekomen, en dat er – door vernietiging van de VSO 2021 – ook geen vaststellingsovereenkomst meer is. Daarmee zou de hele schadeafwikkeling weer openliggen. Het standpunt van de man dat die beslissing (wel) zou kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, deelt de rechtbank niet. Omdat de beslissing tot afwijzing zo voor de hand lag, is het verzoek volstrekt onnodig en onterecht ingesteld en worden de kosten van de procedure niet begroot.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 26-02-2026