Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.964 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0411

Er is schade ontstaan toen de man met zijn auto in botsing kwam met een tegenligger en die tegenligger daardoor tegen een geparkeerd staande auto reed. Bij een voorlopig ademonderzoek (blaastest) bleek de hoeveelheid alcohol in de adem van de man meer dan de toegestane hoeveelheid. Bij onherroepelijk vonnis is de man door de politierechter veroordeeld voor rijden onder invloed. De verzekeraar heeft de door beide derden geleden schade vergoed. Het gaat in deze zaak om de beantwoording van de vraag of de verzekeraar op de man een verhaalsrecht heeft voor schade die hij als WAM-verzekeraar aan derden heeft vergoed. De man stelt zich op het standpunt dat hij ‘telkens [heeft] gesteld dat mogelijk een onjuist resultaat uit de ademalcoholanalyse zou volgen, omdat hij voor het reinigen van zijn kunstgebit gebruik maakt van ontsmettingsalcohol en mondwater’. Welk ontsmettingsmiddel en wat voor mondwater de man precies heeft gebruikt en hoeveel tijd voorafgaand aan de aanrijding die middelen zijn gebruikt, heeft hij niet gesteld. Ook over de vraag of hij nu wel of niet daarnaast alcohol had genuttigd heeft hij zich niet uitgelaten. Het hof heeft een en ander niet aan de man kunnen vragen, omdat hij zonder (goede reden) niet op de mondelinge behandeling is verschenen. Dat daarmee onduidelijkheid bestaat komt voor rekening van de man. Op grond van het voorgaande moet wegens onvoldoende gemotiveerde betwisting door de man als vaststaand worden aangenomen dat hij tijdens de aanrijding onder invloed was van alcohol. Het hof bevestigt, net zoals de kantonrechter, de vraag of de WAM-verzekeraar een verhaalsrecht heeft en wijst de vordering van de WAM-verzekeraar toe.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 25-08-2026

Rechtspraak

PS 2026-0406

Strafrecht. De verdachte heeft zijn ex-partner in haar woning vermoord door haar met een dolk tientallen malen te steken. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van 6.255 kinderpornografische afbeeldingen en video’s. De vader, de moeder en de zus van het slachtoffer hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De vader en moeder vorderen beide € 17.500 aan immateriële schade (affectieschade). De zus vordert € 20.000 aan immateriële schade (shockschade). De rechtbank is van oordeel dat de vader en de moeder als ouders van het slachtoffer recht hebben op affectieschade als bedoeld in artikel 6:108 lid 3 BW. De rechtbank zal dan ook een bedrag van € 17.500 aan affectieschade toewijzen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat voor de shockschade aan alle criteria is voldaan. De zus heeft het slachtoffer moeten identificeren en zij is daardoor direct geconfronteerd met de schokkende wijze waarop het slachtoffer om het leven is gebracht. Dit is te meer invoelbaar nu het gaat om haar zus en zij blijkens het dossier een nauwe affectieve band met elkaar hadden. Verder is door de zus voldoende onderbouwd dat zij door de directe confrontatie met het verminkte lichaam van haar zus PTSS en een recidiverende depressieve stoornis heeft opgelopen. Ook heeft zij de woning van haar zus moeten opruimen en schoonmaken. De rechtbank wijst het gevorderde bedrag van € 20.000 volledig toe.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 07-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0404

De man heeft een boottocht gemaakt. Tijdens de tocht zit de man op een zitplaats met een verhoogde ondergrond waar zijn voeten op rusten. Verder is zijn zitplaats, anders dan de andere zitplaatsen in de boot, niet voorzien van een stalen beugel om zich aan vast te houden. Als de boot op hoge snelheid vaart, raakt de man los van zijn zitplaats, komt ten val en breekt een ruggenwervel. Sindsdien kampt hij met zenuwpijn aan beide benen. Deze pijn heeft impact op zowel zijn werkende als privéleven. Ten tijde van het ongeval was het boottochtbedrijf verzekerd. Deze zaak gaat over de vraag of de verzekeraar zich namens zijn verzekerde, het boottochtbedrijf, kan beroepen op de wettelijke limiet die geldt voor de aansprakelijkheid van de vervoerder van personen over binnenwateren. De rechtbank oordeelt dat dit inderdaad het geval is. De reden hiervoor is dat het boottochtbedrijf als vervoerder in de zin van de wet moet worden beschouwd. Verder kan niet worden vastgesteld dat het boottochtbedrijf bewust roekeloos heeft gehandeld, is er geen sprake van rechtsverwerking aan de zijde van de verzekeraar en is het beroep op deze limiet ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Daarnaast gaat deze zaak over de vraag of de man aanspraak heeft op vergoeding van buitengerechtelijke kosten en van wettelijke rente over het bedrag van de limiet. De rechtbank oordeelt dat de man geen recht heeft op vergoeding van buitengerechtelijke kosten maar wel op vergoeding van wettelijke rente.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 26-08-2026

Rechtspraak

PS 2026-0403

De werknemer was in dienst bij de werkgever als Operator in de dieselcentrale. Tijdens het bijvullen van smeerolie was er een explosie. De werknemer heeft hier erge pijn aan zijn oor en angsten aan overgehouden. Deze zaak gaat in de kern om de vraag of de voormalige werkgever aansprakelijk is voor schade die de werknemer stelt te hebben geleden (I) als gevolg van het bedrijfsongeval en (II) tijdens zijn werkzaamheden na het bedrijfsongeval. De werkgever stelt dat de vordering is verjaard, in ieder geval voor zover deze ziet op de schade die de werknemer stelt te hebben geleden als gevolg van het bedrijfsongeval. Vast staat dat de werknemer op 25 januari 2008 betrokken is geweest bij een bedrijfsongeval. De werknemer heeft de werkgever echter pas in 2022 aansprakelijk gesteld. Volgens de werknemer geldt echter een verjaringstermijn van twintig jaar, omdat hij in 2008 nog niet bekend was met de omvang en de permanente aard van de schade. Uit alle stukken volgt dat direct na het bedrijfsongeval al sprake was van gehoorklachten en dat de werknemer daarmee bekend was. Daarnaast stelt de werknemer dat het beroep op de verjaringstermijn van vijf jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het gerecht volgt de werknemer hierin niet, er zijn geen omstandigheden naar voren gebracht die een beroep op verjaring onaanvaardbaar maken. Dit brengt mee dat de vordering tot schadevergoeding is verjaard. Met betrekking tot de aansprakelijkheid voor schade ontstaan na het bedrijfsongeval is het gerecht van oordeel dat de werknemer onvoldoende heeft onderbouwd dat hij, als gevolg van het handelen en nalaten van de werkgever dan wel de werkomstandigheden na het bedrijfsongeval, schade heeft geleden. De vorderingen van de werknemer worden afgewezen.
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 01-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0402

Deelgeschil. Als voorbereiding op uitzending heeft de werkneemster in opdracht van haar werkgever een meerdaagse HEAT-course gevolgd bij het trainingsinstituut. Onderdeel van de training was een simulatie waarbij cursisten dekking moesten zoeken onder geweervuur. Tijdens die simulatie is de werkneemster ten val gekomen waarbij zij letsel heeft opgelopen aan haar rechterenkelgewricht. Volgens de werkneemster zijn voorafgaand aan de simulatieoefening onvoldoende instructies gegeven. Daarnaast stelt de werkneemster dat de oefening plaatsvond in een omgeving die onvoldoende veilig was ingericht. Hoewel vastgesteld kan worden dat de instructie ‘dive to the ground’ is gegeven en ook vastgesteld kan worden dat de werkneemster zich daar niet aan heeft gehouden, is het van belang om vast te stellen of er vóór de simulatie andere, tegenstrijdige instructies zijn gegeven waar de werkneemster zich vervolgens wél aan heeft gehouden. Daarbij acht de kantonrechter mede van belang dat tijdens de simulatie gebruik werd gemaakt van geweerschoten in een nagebootste gevaarsituatie. Niet uitgesloten is dat een dergelijke setting aanleiding kan geven tot schrik-, stress- of paniekreacties en daarmee tot onvoorspelbaar gedrag van deelnemers. Juist daarom kan de inhoud van de vooraf gegeven instructies van betekenis zijn voor de beoordeling of er maatregelen zijn getroffen die redelijkerwijs noodzakelijk waren om schade te voorkomen. Partijen verschillen wezenlijk van mening over de inhoud van de instructies en over de vraag welke aandacht voorafgaand is besteed aan de risico’s van het terrein en aan de wijze waarop deelnemers daarop moesten reageren. Daarnaast verschillen partijen van mening over de omstandigheden van het terrein waarop het ongeval heeft plaatsgevonden. Deze geschilpunten raken rechtstreeks de vraag of de werkgever heeft voldaan aan zijn zorgplicht. Voor de beantwoording daarvan is nadere bewijslevering nodig, dit valt buiten het bestek van de deelgeschilprocedure. Het verzoek zal daarom op grond van artikel 1019z Rv worden afgewezen.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 14-08-2026