Strafrecht. Verdachte heeft zich in een korte periode schuldig gemaakt aan verschillende zeer ernstige strafbare feiten. Zo heeft hij in opdracht van medeverdachte in de periode van februari 2022 tot en met april 2022 brandgesticht aan auto’s, bedrijfsbussen en panden met als doel om de medeverdachte verzekeringsgeld uitgekeerd te laten krijgen. De dag na het plegen van de laatste vier brandstichtingen, heeft verdachte zich aan een poging tot moord schuldig gemaakt. In opdracht van medeverdachte is hij op 11 april 2022 naar het vakantiepark gegaan waar het slachtoffer, de partner van de medeverdachte, verbleef. Voor het om het leven brengen van het slachtoffer werd verdachte een geldbedrag van € 50.000 in het vooruitzicht gesteld. Het slachtoffer heeft ernstig letsel overgehouden aan de poging tot moord. Zo is er sprake van blijvende schade op neurologisch gebied, waardoor het slachtoffer beperkt is in het gebruik van haar armen. Dagelijkse bezigheden zijn daardoor geen vanzelfsprekendheid meer. Ook beperkt het letsel haar in sterke mate in het kunnen zorgen voor haar twee kinderen. Daarnaast is er op psychiatrisch gebied sprake van een posttraumatische stressstoornis. Een deskundige heeft vastgesteld dat er sprake is van deels blijvende invaliditeit. Het slachtoffer heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Zij heeft een bedrag van € 100.000 aan smartengeld gevorderd. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en de aard en de ernst van het letsel is het hof van oordeel dat het letsel van het slachtoffer valt onder categorie 5.1a ‘(Zeer) ernstig nekletsel’, onder II van de Rotterdamse schaal. Het hof beschouwt dit letsel als het primaire letsel en acht een bedrag van € 75.000 voor dit letsel billijk. De door de benadeelde partij opgelopen posttraumatische stressstoornis beschouwt het hof als het secundair letsel. De posttraumatische stressstoornis zoals bij de benadeelde partij is gediagnosticeerd, valt naar het oordeel van het hof onder categorie 14.2 ‘Posttraumatische stressstoornis (PTSS)’, onder b ‘ernstig’ van de Rotterdamse schaal. Op basis daarvan is in beginsel een bedrag van € 37.500 billijk. Na toepassing van de aanbeveling om dit secundaire letsel voor 50% mee te wegen, resteert een bedrag van € 17.500. Het hof past de aanbeveling toe om de bedragen van het primaire en secundaire letsel te verhogen met 25% vanwege het ernstige verwijt dat de verdachte te maken valt met betrekking tot het toebrengen van het letsel. Tot slot past het hof de aanbeveling toe om de bedragen te verhogen met 15%, omdat het slachtoffer op 11 april 2022 een jongvolwassen vrouw was van 28 jaar oud. Gezien het voorgaande komt het hof tot een vaststelling van een bedrag aan immateriële schade die het gevorderde bedrag van € 100.000 overschrijdt. De vordering kan in hoger beroep niet worden verhoogd en het hof wijst de vordering daarom toe tot het maximale bedrag dat is gevorderd, te weten € 100.000.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 10-03-2026