Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.783 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0269

In een eerder tussenvonnis heeft de rechtbank aangegeven dat zij voornemens is om de rekenkundige te vragen om inzake de rekenrente aan te sluiten bij de Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken van LOVCK/LOVCH van 1 augustus 2024 (de Aanbevelingen). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten. Door het slachtoffer worden bezwaren geuit tegen het hanteren van de Aanbevelingen. Volgens het slachtoffer is de in de Aanbeveling gehanteerde spaarrente van 1,5% in de eerste vijf jaar niet haalbaar en het slachtoffer stelt dat het bepalen van de rente en inflatie voor de jaren 6-30 een gok is. De rente moet volgens het slachtoffer worden gesteld op 0,5%. Ook stelt het slachtoffer dat de gehanteerde inflatie van 2% voor de eerste vijf jaar te laag is gezien de CAO-ontwikkeling voor supermarktmedewerkers die gebaseerd is op de (hogere) inflatie. De rechtbank overweegt dat het zowel ten aanzien van de te hanteren rente als de inflatie niet gaat om het verleden, maar om de rente en inflatie die verwacht wordt in de toekomst. De stelling dat moet worden uitgegaan van een lagere rente is door het slachtoffer onvoldoende onderbouwd, terwijl de Aanbevelingen volgens de rechtbank goed zijn onderbouwd. Ten aanzien van de inflatie wijst de rechtbank erop dat het niet gaat om de inflatie in het verleden, maar om de inflatie die verwacht wordt in de toekomst. Bovendien nemen de Aanbevelingen de prijsinflatie (CPI) tot uitgangspunt, niet de (hogere) looninflatie, omdat met de looninflatie al rekening wordt gehouden in de begroting van de jaarschade. Bij de berekening van het inkomen in de fictieve situatie wordt al uitgegaan van een stijging van het loon. Indien uitgegaan zou worden van looninflatie (zoals [eiser] lijkt te betogen) dan zou dat dubbelop zijn. De rechtbank verwijst verder naar de (notitie bij de) Aanbevelingen rekenrente waarin is gemotiveerd dat voor de inflatie is uitgegaan van voorspellingen van het CPB, DNB en het ECB voor de periode 2025 t/m 2029 en dat die uitkomen op 2%. Voor de tweede periode wordt uitgegaan van het percentage waar de ECB naar streeft, namelijk 2%, en wat ook ongeveer overeenkomt met het langjarig gemiddeld inflatiepercentage. Het percentage is ook in lijn met de middellange termijnverkenningen van het CPB. De Ultimate Forward Rate (UFR) gaat ook uit van een inflatie van 2%. Voor de derde periode wordt ook van 2% uitgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het slachtoffer onvoldoende gemotiveerd waarom deze voorspellingen niet zouden kunnen worden gevolgd. De rechtbank verwerpt de bezwaren van het slachtoffer, wijst een deskundige toe en stelt de vraagstelling aan de deskundige vast.
Rechtbank Limburg, 25-06-2025

Rechtspraak

PS 2026-0268

De werkneemster was in dienst van een organisatie van dealers voor dealers in de kunstwereld. De werkneemster is naar aanleiding van klachten over haar op non-actief gesteld. De werkneemster heeft in februari 2022 aan de werkgever laten weten dat zij gediagnostiseerd is met borstkanker. In maart 2022 heeft de werkneemster zich ziek gemeld. Met de brief van 1 juli 2024 heeft de werkgever het dienstverband met de werkneemster opgezegd per 1 september 2024, nadat zij hiervoor toestemming had verkregen van het UWV. De werkneemster is in 2024 overleden. De partner van de werkneemster vordert onder andere de werkgever te veroordelen tot betaling van € 2.000.000 netto ten titel van schadevergoeding als gevolg van de schending van de zorgplicht/onrechtmatig handelen. De partner stelt dat de werkneemster door toedoen van de werkgever letsel-, vermogens- en immateriële schade heeft opgelopen. Deze schade is opgelopen in de uitoefening van haar werk en begon met de onterechte non-actiefstelling. Er is ook een causaal verband tussen de schade en het werk. Niet valt uit te sluiten dat het gedrag van de werkneemster werd beïnvloed door de kanker die zich ontwikkelde in haar lichaam. De reactie van de werkgever daarop is verkeerd geweest. De werkgever heeft niet genoeg gedaan aan de bescherming van de werkneemster. Vast staat dat de handelwijze van de werkgever chronische stress heeft opgeleverd bij de werkneemster. De stress die de werkgever heeft veroorzaakt heeft mogelijk geleid tot het niet aanslaan van de immuuntherapie, aldus de partner. De partner stelt dat deze handelswijze van de werkgever in strijd is geweest met artikel 7:658 BW. De stelling dat de handelwijze van de werkgever ervoor heeft gezorgd dat de immuuntherapie mogelijk niet aansloeg, is onvoldoende onderbouwd. Voor zover de vordering tot schadevergoeding gegrond is op een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW, volgt uit het voorgaande tevens dat onvoldoende is gesteld voor het bestaan van een causaal verband tussen de gestelde schade en de gestelde onrechtmatige handelingen. Daarnaast is onvoldoende gesteld dat de werkgever door haar handelwijze heeft gezorgd voor stress. Evenmin blijkt dat de werkgever zich niet heeft gedragen als goed werkgever als bedoeld in artikel 7:611 BW. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de werkgever, heeft de partner onvoldoende onderbouwd gesteld dat de werkgever te weinig deed aan de bescherming van de werkneemster. Zoals hiervoor is overwogen, blijkt uit de overgelegde stukken dat de werkgever heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. Uit het voorgaande volgt dat de gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 20-02-2025

Rechtspraak

PS 2026-0266

Conclusie advocaat-generaal M.E. van Wees. De verdachte heeft met de vrachtwagen die hij bestuurde, met een te hoge snelheid gereden op de afrit van de snelweg en is met die snelheid door een rood licht de kruising opgereden die zich aan het einde van die afrit bevond. Op de kruising heeft hij een auto aangereden die werd bestuurd door het slachtoffer. Als gevolg daarvan is het slachtoffer overleden. Het tweede middel van de cassatie richt zich tegen de toewijzing van schokschade aan de broer en de ouders van het slachtoffer. De moeder, vader en broer van het slachtoffer hebben ieder een vergoeding van immateriële schade van € 15.000 gevorderd op de grondslag van schokschade. Het middel valt uiteen in twee deelklachten. Als eerst wordt geklaagd dat het hof, ondanks een daartoe gevoerd verweer, de gezichtspunten onvoldoende in zijn oordeel heeft betrokken. De tweede deelklacht richt zich tegen de vaststelling van de hoogte van schokschade. Daarbij zou het hof geen acht hebben geslagen op beslissingen van rechters in vergelijkbare zaken en geen rekening hebben gehouden met de aanspraak die de ouders al hebben gemaakt op de vergoeding van affectieschade. De eerste deelklacht is een motiveringsklacht. Het hof zou de hiervoor beschreven drie gezichtspunten niet of onvoldoende hebben betrokken bij zijn oordeel, terwijl de verdediging wel had betoogd dat rekening moest worden gehouden met het feit dat het ging om een ongewild ongeval en de verdachte geen opzet had. Verder was aangevoerd dat geen van de benadeelde partijen getuige is geweest van het ongeval en dat niet blijkt op welke wijze de ouders zijn geconfronteerd met de gevolgen van het ongeval, maar dat die confrontatie in ieder geval niet onverhoeds is geweest. Op grond van het juridisch kader is het zeer wel mogelijk om op basis van voldoende zwaarwegende omstandigheden op twee gezichtspunten tot het oordeel te komen dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens degene die een hevige emotionele schok heeft ondergaan. Anders dan de steller van het middel tot uitgangspunt lijkt te nemen, is de verminderde aanwezigheid van een gezichtspunt niet in alle gevallen ook een contra-indicatie voor de aanwezigheid van een onrechtmatige daad. Wat betreft de broer heeft het hof over de confrontatie met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan vastgesteld, dat de broer geen getuige is geweest van het ongeval. Het hof heeft over de confrontatie verder vastgesteld dat hij kort na het ongeval op de plaats delict is geweest, dat hij het slachtoffer heeft moeten identificeren en dat hij videobeelden heeft bekeken waarop duidelijk te zien is hoe het ongeval heeft plaatsgevonden en hoe de omstandigheden ter plaatse waren. Over het moment van deze identificatie en de wijze waarop deze plaatsvond, vermeldt het hof niets. Met enige aarzeling meent de advocaat-generaal dat deze feiten en omstandigheden voldoende zijn om tot het oordeel te komen dat de verdachte jegens de broer van het slachtoffer onrechtmatig heeft gehandeld. Dat betekent dat het oordeel van het hof, dat uit deze confrontatie met de ernstige gevolgen van het ongeval waarbij de broer van de benadeelde partij om het leven is gekomen volgt dat de verdachte jegens de broer onrechtmatig heeft gehandeld, niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd. Dat ligt naar zijn mening anders ten aanzien van het oordeel van het hof dat de verdachte ook jegens de ouders van het primaire slachtoffer onrechtmatig heeft gehandeld. Anders dan bij de broer van het primaire slachtoffer, houden de vaststellingen van het hof niet in dat zij op de plaats delict zijn geweest of dat zij de videobeelden hebben bekeken die zijn gemaakt van het ongeval. Het hof heeft vastgesteld dat de confrontatie met de gevolgen van het verkeersongeval, waaronder de identificatie van hun zoon, een hevige emotionele shock teweeg heeft gebracht. Over het moment van deze identificatie en de wijze waarop deze plaatsvond vermeldt het hof niets. Met name wordt niets vastgesteld over eventuele verwondingen die de ouders hebben moeten waarnemen op het lichaam van hun zoon. Dat klemt in dit geval temeer, omdat door de verdediging in hoger beroep is aangevoerd dat niet blijkt op welke wijze de ouders van het slachtoffer zijn geconfronteerd met de gevolgen van het ongeval. Het hof verwijst in zijn motivering wel nog naar de schriftelijke onderbouwing van de vordering benadeelde partij. Waar het hof dan precies op doelt, wordt echter niet duidelijk. De vaststelling van het hof dat zij hun zoon hebben geïdentificeerd kan het oordeel dat de verdachte onrechtmatig jegens de ouders van het primaire slachtoffer heeft gehandeld niet zelfstandig dragen. Om die reden acht de A-G het oordeel van het hof dan ook niet toereikend gemotiveerd. De tweede deelklacht behoeft dan geen bespreking voor zover die ziet op de ouders. Als daarover anders zou worden geoordeeld, meent de advocaat-generaal dat de tweede deelklacht ook hier slaagt wat de ouders betreft, voor zover deze klacht inhoudt dat bij het bepalen van de hoogte van de vordering niet is ingegaan op de aanspraak die de ouders al hebben gemaakt op de vergoeding van affectieschade. Voor zover de deelklacht zich richt tegen de motivering van de hoogte van de aan de broer toegekende vergoeding voor schokschade, faalt deze. De advocaat-generaal wijst erop dat aan de broer geen affectieschade is toegekend en dat de verdachte bij het hof geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de vordering. Het middel slaagt deels.
Parket bij de Hoge Raad, 09-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0265

Strafrecht. De verdachte heeft zich samen met de minderjarige medeverdachte, in opdracht, schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een explosie door een vuurwerkbrandstofcombinatie, bestaande uit zes cobra’s en zes flessen wasbenzine, aan te steken bij de voordeur van een woning. De explosie heeft een hevige brand veroorzaakt. Daarnaast is bij de brand het minderjarige slachtoffer levensgevaarlijk gewond geraakt. Zijn broer heeft hem uit de brandende woning gered. Door de explosie is zijn lichaam voor 55% verbrand. Op de directe buren, een gezin bestaande uit een moeder en twee (puber)kinderen, heeft de explosie ook grote impact gehad. Ook hun woning is verwoest geraakt en zij zijn getuige geweest van het feit dat het minderjarige slachtoffer door zijn broer brandend uit de woning werd getrokken. De moeder van het minderjarige slachtoffer heeft een vordering tot schadevergoeding van € 303.480,55 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade. Daarnaast heeft zij een vordering tot schadevergoeding van € 140.527,77 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden. De broer van het minderjarige slachtoffer heeft een vordering tot schadevergoeding van € 60.010 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade. De immateriële schade van de moeder en de broer bestaan uit geestelijk letsel, shockschade en affectieschade. De rechtbank oordeelt dat de immateriële schade van het minderjarige slachtoffer naar billijkheid vaststaat op € 100.000. Voor de overige immateriële schade wordt het slachtoffer niet-ontvankelijk verklaard. Uit de onderbouwing bij de vordering van de moeder volgt dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen. Er bestaat een sterk vermoeden van PTSS-achtige klachten, maar deze diagnose is nog niet officieel gesteld. De aard en ernst van de normschending brengen in dit geval echter mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvoor voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank legt een schadevergoeding wegens opgelopen geestelijk letsel op tot het gevorderde bedrag van € 20.000. Vaststelling van de omvang van het smartengeld na confrontatie met een schokkende gebeurtenis zal in beginsel moeten plaatsvinden aan de hand van de rapportage van een deskundige die het geestelijk letsel heeft vastgesteld. Echter, hier geldt dat algemene ervaringsregels kunnen leren dat de ‘shockgevolgen’ van de confrontatie met het primaire slachtoffer zodanig voor de hand liggen dat ze zonder onderbouwing met een deskundigenbericht kunnen worden aangenomen. Gelet op de omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat shockschade kan worden toegewezen, zij acht het gevorderde bedrag van € 20.000 passend. De rechtbank verklaart de moeder in haar vordering tot affectieschade niet-ontvankelijk. Vast staat dat de jongste zoon van de benadeelde ernstig en deels blijvend letsel heeft opgelopen als gevolg van brandwonden. Echter, dat sprake is van dermate grote, ingrijpende en blijvende beperkingen in het leven van de jongste zoon die maken dat aanspraak gemaakt kan worden op affectieschade, volgt niet zonder meer uit de onderbouwing van de vordering en wordt door de verdediging betwist. De rechtbank acht een bedrag van € 20.000 aan immateriële schade in de vorm van geestelijk letsel van de broer ook billijk. Daarnaast heeft de broer als gevolg van het incident PTSS-klachten opgelopen. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 20.000 aan shockschade daarom passend. De rechtbank acht om dezelfde redenen de broer niet-ontvankelijk in zijn vordering tot affectieschade. Naast deze familieleden hebben zich nog vier andere benadeelde gevoegd in het strafproces. Benadeelde 9 wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot materiële en immateriële schade. De vordering van benadeelde 5 wordt in zijn geheel toegewezen. Tot slot worden de immateriële schadevergoedingen van benadeelde 4 en 6 in zijn geheel toegewezen.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 04-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0264

Strafrecht. De verdachte heeft zich samen met de minderjarige medeverdachte, in opdracht, schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een explosie door een vuurwerkbrandstofcombinatie, bestaande uit zes cobra’s en zes flessen wasbenzine, aan te steken bij de voordeur van een woning. De explosie heeft een hevige brand veroorzaakt. Daarnaast is bij de brand het minderjarige slachtoffer levensgevaarlijk gewond geraakt. Zijn broer heeft hem uit de brandende woning gered. Door de explosie is zijn lichaam voor 55% verbrand. Op de directe buren, een gezin bestaande uit een moeder en twee (puber)kinderen, heeft de explosie ook grote impact gehad. Ook hun woning is verwoest geraakt en zij zijn getuige geweest van het feit dat het minderjarige slachtoffer door zijn broer brandend uit de woning werd getrokken. De moeder van het minderjarige slachtoffer heeft een vordering tot schadevergoeding van € 303.480,55 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade. Daarnaast heeft zij een vordering tot schadevergoeding van € 140.527,77 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden. De broer van het minderjarige slachtoffer heeft een vordering tot schadevergoeding van € 60.010 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade. De immateriële schade van de moeder en de broer bestaan uit geestelijk letsel, shockschade en affectieschade. De rechtbank oordeelt dat de immateriële schade van het minderjarige slachtoffer naar billijkheid vaststaat op € 100.000. Voor de overige immateriële schade wordt het slachtoffer niet-ontvankelijk verklaard. Uit de onderbouwing bij de vordering van de moeder volgt dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen. Er bestaat een sterk vermoeden van PTSS-achtige klachten, maar deze diagnose is nog niet officieel gesteld. De aard en ernst van de normschending brengen in dit geval echter mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvoor voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank legt een schadevergoeding wegens opgelopen geestelijk letsel op tot het gevorderde bedrag van € 20.000. Vaststelling van de omvang van het smartengeld na confrontatie met een schokkende gebeurtenis zal in beginsel moeten plaatsvinden aan de hand van de rapportage van een deskundige die het geestelijk letsel heeft vastgesteld. Echter, hier geldt dat algemene ervaringsregels kunnen leren dat de ‘shockgevolgen’ van de confrontatie met het primaire slachtoffer zodanig voor de hand liggen dat ze zonder onderbouwing met een deskundigenbericht kunnen worden aangenomen. Gelet op de omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat shockschade kan worden toegewezen, zij acht het gevorderde bedrag van € 20.000 passend. De rechtbank verklaart de moeder in haar vordering tot affectieschade niet-ontvankelijk. Vast staat dat de jongste zoon van de benadeelde ernstig en deels blijvend letsel heeft opgelopen als gevolg van brandwonden. Echter, dat sprake is van dermate grote, ingrijpende en blijvende beperkingen in het leven van de jongste zoon die maken dat aanspraak gemaakt kan worden op affectieschade, volgt niet zonder meer uit de onderbouwing van de vordering en wordt door de verdediging betwist. De rechtbank acht een bedrag van € 20.000 aan immateriële schade in de vorm van geestelijk letsel van de broer ook billijk. Daarnaast heeft de broer als gevolg van het incident PTSS-klachten opgelopen. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 20.000 aan shockschade daarom passend. De rechtbank acht om dezelfde redenen de broer niet-ontvankelijk in zijn vordering tot affectieschade. Naast deze familieleden hebben zich nog vier andere benadeelde gevoegd in het strafproces. Benadeelde 9 wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot materiële en immateriële schade. De vordering van benadeelde 5 wordt in zijn geheel toegewezen. Tot slot worden de immateriële schadevergoedingen van benadeelde 4 en 6 in zijn geheel toegewezen.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 04-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0263

Op 31 oktober 2022 heeft een kop-staartaanrijding plaatsgevonden tussen de auto (van de echtgenote) van de bestuurder en een bestelbus, gehuurd door de vrouw. De verzekeraar is de WAM1-verzekeraar van de verhuurder van de bus. Tussen partijen is niet in geschil dat de aansprakelijkheid voor het ontstaan van de aanrijding door de WAM1- verzekeraar in november 2022 volledig en zonder voorbehoud is erkend. Ook is niet in geschil dat de WAM1-verzekeraar is teruggekomen op haar erkenning van aansprakelijkheid. Partijen verschillen van mening over de vraag of de WAM1-verzekeraar dat mocht doen. De WAM1-verzekeraar stelt (primair) dat zij door bedrog dan wel dwaling tot haar erkenning van aansprakelijkheid is gekomen, althans (subsidiair) dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man haar aan die erkenning houdt. Volgens de WAM1-verzekeraar is er sprake van een geënsceneerde aanrijding dan wel is er serieuze twijfel ontstaan over de authenticiteit van de toedracht die niet is weggenomen door de man. De rechtbank is van oordeel dat de WAM1-verzekeraar in dit geval niet kan worden gehouden aan haar aansprakelijkheidserkenning. Nu de WAM1-verzekeraar mocht terugkomen op haar aansprakelijkheidserkenning rust op de man de stelplicht en bewijslast dat er een authentieke aanrijding heeft plaatsgevonden. Bij de huidige stand van zaken heeft de man niet bewezen dat sprake is van een authentieke aanrijding. Het gevolg hiervan is dat er ook geen reden is om te bepalen dat de WAM1-verzekeraar een (aanvullend) voorschot aan de man moet verstrekken, zodat dat verzoek ook wordt afgewezen.
Rechtbank Overijssel (Locatie Almelo), 25-08-2025

Rechtspraak

PS 2026-0262

Op 7 februari 2021 lag er sneeuw en de destijds 20-jarige man sprak met vier vrienden af om te gaan sleeën. Een van de vrienden kwam aanrijden in een buggy, dit voertuig was voor aansprakelijkheid verzekerd bij de verzekeraar. De slee is aan de buggy gebonden. De 20-jarige man nam hij liggend op zijn buik plaats op de slee met zijn neus in de richting van de buggy. Nadat de man over het grasveld was voortgetrokken, maakte de buggy aan het eind van het veld een bocht terug naar de verharde weg. De slee zwiepte toen naar links en de man is hard tegen een boom geklapt. De man heeft daarbij ernstig en gedeeltelijk blijvend letsel opgelopen, bestaande uit drie gebroken rugwervels en zenuwletsel aan de linkerarm/schouder. De man heeft de WAM-verzekeraar aansprakelijk gesteld voor de schade. In grief 1 verwijt de man de rechtbank dat er in het vonnis acht is geslagen op de door een van de vrienden afgelegde getuigenverklaring. Hij stelt dat, nu de inhoud van de getuigenverklaring van de vriend zo afwijkt van hetgeen de andere aanwezigen hebben verklaard, deze buiten beschouwing moet worden gelaten dan wel dat daar slechts geringe betekenis aan moet worden toegekend. Het hof verwerpt deze grief nu gesteld noch gebleken is dat de rechtbank bij het vaststellen van de feiten de schriftelijke verklaring van de vriend heeft gevolgd. In grief 2 verwijt de man de rechtbank dat is geoordeeld dat artikel 185 WVW toepassing mist. Het hof acht het een feit dat de slee aan de buggy was vastgemaakt en dat deze constructie ervoor zorgde dat de passagier van de slee met gebruikmaking van de motor/snelheid van de buggy kon worden vervoerd. Aldus moet degene die op de slee zat wel degelijk worden aangemerkt als een door een motorrijtuig vervoerd persoon. Dit betekent dat artikel 185 WVW in dit geval toepassing mist. In grief 3 stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake is geweest van een sport- en spelsituatie. Het hof is van oordeel dat het ongeval heeft plaatsgevonden binnen een sport- en spelsituatie. Uit de verklaringen van de betrokken deelnemers blijkt wat de afspraken waren voor het spel met de slee. Daarnaast is het hof van oordeel dat het spel niet eindigde op het moment dat men op de openbare weg reed. Het hof is van oordeel dat de hele ronde en het grasveld deel uitmaakte van het spel. Dat de vriend van de man heeft geprobeerd om de man van de slee af te krijgen bij het nemen van de bocht, is in rechte niet komen vast te staan. De man stelt in grief 4 dat de slipbeweging van de buggy een gevolg is van een té hoge snelheid in combinatie met de ijzige laag op het wegdek. De vriend had zijn snelheid aan de omstandigheden moeten aanpassen, door dat niet te doen heeft hij onrechtmatig gehandeld. Ook deze grief slaagt, naar het oordeel van het hof, niet. Hoewel mogelijk over het algemeen kan worden aangenomen dat hoe hoger de snelheid is, hoe meer kans er bestaat om op een ijzige ondergrond in een slip te raken, betekent dit niet dat men bij lage snelheid niet kan slippen. Het moge zo zijn dat de slipbeweging is veroorzaakt door een té hoge snelheid in combinatie met de ijzige laag op het wegdek, maar dit leidt niet tot aansprakelijkheid van de vriend jegens de man. Zoals hiervoor aangegeven, waren partijen bezig met een risicovol spel en behoorde het maken van de rondjes, en dus ook het rijden op de ijzige laag van het wegdek, tot het spel. Inherent daaraan is dat de buggy op enig moment grip kan verliezen en de kans daarop is groter bij het rijden op de weg dan bij het rijden op het grasveld. Daarbij geldt dat het ene stukje weg waarschijnlijk gladder is dan het andere, zeker wanneer op dit stukje vaker is gereden. Of een slip gaat plaatsvinden, is dus niet alleen afhankelijk van de snelheid maar ook de mate van gladheid van de weg en de exacte plaats op de weg waar de buggy rijdt. De conclusie is dan ook dat sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Tot slot stelt de man dat de gedragingen van de vriend kunnen worden aangemerkt als grovelijk onvoorzichtig/onzorgvuldig dan wel abnormaal gevaarlijk rijgedrag. Het hof verwijst naar zijn oordeel onder grief 4. Het rijgedrag van de vriend paste, ook al was het gevaarlijk, binnen de grenzen van het spel. Grief 5 slaagt ook niet. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 24-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0261

Er heeft een verkeersongeval plaatsgevonden tussen de voertuigen van de eiser en de gedaagde. Het voertuig van de gedaagde is ingevolge de LAM verzekerd. De WA-verzekeraar heeft de aansprakelijk voor het ongeval erkend. Zij heeft aan de eiser in 2020 een bedrag van Cg 3.247 voor de schade aan zijn voertuig en een bedrag van Cg 6.000 aan gederfde inkomsten, bestaande uit vier maanden minimumloon van Cg 1.500 per maand, uitbetaald. De eiser heeft de LAM-verzekeraar bij brief van 20 maart 2024 aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden materiële en immateriële schade en gesommeerd om tot betaling daarvan over te gaan. De WA-verzekeraar heeft daar niet aan voldaan. Het meest verstrekkende verweer van de WA-verzekeraar is dat de vordering van de eiser is verjaard. In het onderhavige geschil heeft de WA-verzekeraar zich niet op het standpunt gesteld dat zij niet tot (verdere) schadevergoeding is gehouden én dat zij dit op de in artikel 9 lid 3 LAM voorgeschreven wijze aan de eiser kenbaar heeft gemaakt. Er is slechts sprake geweest van een langdurig stilzitten aan de zijde van de eiser. Het enkele feit dat het wellicht langer dan drie jaren heeft geduurd voordat de eiser (opnieuw) in actie is gekomen is echter onvoldoende om te kunnen concluderen tot verjaring. Indien een verzekeraar de verjaringstermijn een aanvang wil doen nemen, dient zij dit te doen door de onderhandelingen af te breken en zulks expliciet op de voorgeschreven wijze mee te delen. Nu zij dit niet heeft gedaan, is de vordering van de eiser niet verjaard. Nu de aansprakelijkheid door de WA-verzekeraar is erkend, spitst het geschil zich toe op de afwikkeling van de schade die de eiser stelt te hebben als gevolg van het ongeval. Het gerecht ziet in dit geval aanleiding om de gederfde inkomsten van de eiser op grond van artikel 6:97 BW te schatten. Het gerecht schat de gederfde inkomsten als gevolg van het verkeersongeval op een bedrag van Cg 25.000. Daarnaast acht het gerecht, anders dan de WA-verzekeraar stelt, voldoende aannemelijk dat de eiser immateriële heeft geleden. Het gerecht begroot, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval en de bedragen die in vergelijkbare zaken zijn toegekend, de naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade dan ook op een bedrag van Cg 3.000. Het gerecht zal de buitengerechtelijke advocatenkosten afwijzen omdat deze geacht worden te zijn inbegrepen bij de proceskostenveroordeling. Voor toewijzing van buitengerechtelijke kosten daarnaast (conform art. 6:69 lid 2 BW) heeft de eiser onvoldoende aangevoerd.
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 28-04-2025