Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.705 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0516

Een meisje is tijdens het paardrijden gevallen. Haar zorgverzekeraar heeft de schade in verband met medische behandelingen naar aanleiding van de val van het paard vergoed en vordert nu van de manege betaling van deze schadevergoeding op grond van artikel 6:179 BW. In een eerder tussenvonnis heeft de kantonrechter de zorgverzekeraar opgedragen te bewijzen dat het meisje is gevallen door toedoen van (de eigen energie van) het paard. Uit de overgelegde verklaring volgt dat het paard is gesprongen en dat het meisje na de landing is gevallen. De verklaringen verschillen over de aanleiding van de val van het paard: het meisje heeft verklaard dat het paard op hol is geslagen en toen over een hindernis is gesprongen, de instructrice heeft verklaard dat het meisje zelf opdracht heeft gegeven over een hindernis te springen en dat het paard vervolgens de door het meisje opgedragen sprong heeft uitgevoerd. Na de sprong is het meisje haar evenwicht verloren, zo verklaarde de instructrice. Volgens haar heeft het paard geen ongewenst gedrag vertoond. De kantonrechter overweegt dat artikel 6:179 BW toepassing mist zolang het dier optreedt overeenkomstig wat de begeleider (of de berijder) van hem verlangt. De kantonrechter is van oordeel dat niet bewezen is dat het paard op hol is geslagen en dat het daardoor (zonder instructie van het meisje) over de hindernis is gesprongen. Weliswaar heeft het meisje verklaard dat het paard ‘op hol is geslagen’, maar dit is niet eerder in de procedure aangevoerd en uit de verklaring van het meisje blijkt niet waarom zij het handelen van het paard als ‘op hol geslagen’ heeft beoordeeld. De verklaring van het meisje laat daarnaast in het midden of zij opdracht had gegeven voor de sprong, zodat het niet uitgesloten is dat zij opdracht had gegeven voor de sprong. Verder heeft de instructrice betwist dat het paard op hol is geslagen en heeft zij verklaard dat het paard versnelde richting de hindernis (‘het aantrekken van de sprong’) en dat dit beleefd kan zijn als het ‘op hol slaan’, maar dat dat nog niet betekent dat het paard daadwerkelijk op hol is geslagen. Bovendien heeft de instructrice verklaard dat een op hol geslagen paard in de regel juist niet over een hindernis springt. Het staat dus niet vast dat het meisje door de eigen energie van het paard is gevallen. De vordering wordt afgewezen.
Rechtbank Oost-Brabant, 03-04-2025

Rechtspraak

PS 2025-0515

Deelgeschil. Een vrouw stelt dat het ziekenhuis in 2019 tekortgeschoten is in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst vanwege het verwijtbaar missen van de diagnose pericarditis. De vrouw stelt dat zij door dit diagnostisch delay een kans van 92,5% op algeheel herstel van haar pericarditis heeft gemist. Volgens de vrouw had de diagnose pericarditis op de dag dat zij bij de SEH was gesteld moeten worden, omdat zij voldeed aan (minimaal) twee van de vier kenmerken daarvoor. De diagnose werd niet gesteld omdat de radioloog heeft gerapporteerd dat er geen pericardeffusie was. Dit acht de vrouw verwijtbaar. Anders dan de radioloog, heeft een medisch adviseur na beoordeling van de CT-scan geoordeeld dat er wel pericardeffusie te zien was. De rechtbank stelt vast dat het ziekenhuis is tekortgeschoten. De cardioloog heeft genoteerd dat er geen sprake was van een pericard of pleuravocht terwijl er meer dan een normale hoeveelheid pericardvocht te zien was. Op basis van het deskundigenbericht acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat een tijdiger behandeling met de geïndiceerde medicatie leidt tot een optimaler ziektebeloop. Daarmee staat vast dat de vrouw een kans heeft verloren op een beter behandelingsresultaat als gevolg van het tekortschieten van het ziekenhuis. Door deze tekortkoming is een kans op een beter behandelresultaat verloren gegaan. De rechtbank beschikt echter over onvoldoende informatie om te oordelen over de hoegrootheid van die kans.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 12-09-2025

Rechtspraak

PS 2025-0514

Eindvonnis in een al vier jaar lopende zaak van Braziliaanse inwoners van het Amazonegebied en hun vereniging tegen Norsk Hydro, een groot internationaal concern. De procedure is gestart door een Braziliaanse vereniging die is opgericht door leden van traditionele, inheemse leefgemeenschappen in en rondom Barcarena in het Braziliaanse Amazonegebied, en negen van die leden. Norsk Hydro exploiteert een aluminiumoxideraffinaderij in dit gebied. Dat doet zij via haar Braziliaanse werkmaatschappijen Alunorte en Albras. De eisende partijen stellen dat zij al tientallen jaren worden geconfronteerd met milieuverontreiniging in hun leefgebied. Hierdoor zijn, naar zij stellen, veel inwoners in en rondom Barcarena ziek geworden en kunnen zij niet langer op traditionele wijze in hun levensonderhoud voorzien. Volgens de eisende partijen wordt de milieuverontreiniging veroorzaakt door de vervuilende activiteiten van Alunorte en Albras. De gedagvaarde bedrijven ontkennen dat er schade is veroorzaakt waarvoor zij aansprakelijk zijn. De rechtbank wijst uiteindelijk, na tussenvonnissen, alle vorderingen af. Daarvoor zijn meerdere redenen. Eisers baseren zich op gebeurtenissen uit de periode 2002-2018. De rechtbank oordeelt dat een groot deel van de vorderingen te laat is ingesteld, die zijn verjaard. Voor twee kwesties, uit 2009 en 2018, heeft de rechtbank dat niet beslist. Vast staat dat in 2009 een reservoir met vervuild afvalwater bij een van de Braziliaanse werkmaatschappijen is overstroomd. Aannemelijk is dat daardoor schade kan zijn ontstaan. Partijen zijn het er niet over eens wat er precies is gebeurd in 2018. Ze hebben allebei rapporten van deskundigen aan de rechtbank gestuurd. Daaruit blijkt in elk geval dat het reservoir in 2018 niet is overstroomd. Of er schade kan zijn ontstaan is nu niet vast te stellen. De rechtbank gaat niet verder onderzoeken hoe het zit met de gebeurtenissen uit 2009 en 2018. De gedagvaarde bedrijven zijn namelijk niet de Braziliaanse werkmaatschappijen, maar het Noorse moederbedrijf en zes Nederlandse dochterbedrijven. De eisers zeggen dat die als indirecte vervuilers ook aansprakelijk zijn. De rechtbank oordeelt dat dat niet zo is. Het Braziliaanse recht voorziet wel in aansprakelijkheid van de indirecte vervuiler, maar de rechtbank oordeelt dat de gegevens nu, in deze zaak, niet voldoende zijn om te kunnen beslissen dat aan de eisen die dat recht stelt aan de betrokkenheid van de gedagvaarde bedrijven is voldaan. Daarbij is belangrijk dat deze bedrijven feitelijk (vrijwel) niets met de aluminiumwinning en verwerking in Brazilië te maken hebben.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 24-09-2025

Rechtspraak

PS 2025-0513

Een bewindvoerder verzoekt de rechtbank om op grond van artikel 385a Fw een man de schone lei te ontnemen. De man is in 2019 betrokken geraakt bij een verkeersongeval met een motorrijtuig en heeft hierbij letsel opgelopen. Tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling heeft hij een voorschot van € 2.000 ontvangen. De schuldsaneringsregeling is in 2023 geëindigd wegens het verbindend worden van de uitdelingslijst. De letselschadeprocedure was op dat moment nog niet afgewikkeld. Op de uitdelingslijst is aangetekend dat er (waarschijnlijk) nog een schadevergoeding volgt als gevolg van een letselschadekwestie, welke (gedeeltelijk) aan de boedel moet worden afgedragen. De man is door zowel de bewindvoerder als door zijn gemachtigde meerdere keren nadrukkelijk erop gewezen dat hij de bewindvoerder moet informeren wanneer de resterende schadevergoeding werd ontvangen omdat een deel van die vergoeding in de boedel valt. Tevens heeft de bewindvoerder vermeld dat bij gebreke daarvan de schone lei kan worden ontnomen. In april 2025 (nadat de schuldsaneringsregeling ruim een jaar ervoor was geëindigd) heeft de bewindvoerder weer geïnformeerd naar de stand van zaken omtrent de letselschadevergoeding, omdat zij niks van de man had vernomen. Via de beschermingsbewindvoerder vernam de bewindvoerder dat de man in februari 2025 een VSO heeft getekend, waarin is vastgelegd dat de geleden en de eventueel nog te lijden schade is vastgesteld op € 37.000. De bewindvoerder heeft per e-mail van de beschermingsbewindvoerder een bericht ontvangen dat er een saldo van ruim € 27.000 aanwezig is op de beheerrekening. De bewindvoerder heeft de man en zijn beschermingsbewindvoerder verzocht om een bedrag van € 22.500 over te maken op de derdengeldenrekening van het kantoor van de bewindvoerder. In reactie op dit voorstel heeft de beschermingsbewindvoerder laten weten dat het bewind inmiddels is opgeheven. Na ontvangst van dit bericht heeft de bewindvoerder de man herhaaldelijk schriftelijk verzocht het openstaande bedrag over te maken. Vervolgens heeft de bewindvoerder vernomen dat het geld weg is en dat hij het volledige bedrag zou hebben vergokt. Ter zitting is alleen de bewindvoerder verschenen. De bewindvoerder is ontvankelijk als belanghebbende. De rechtbank concludeert dat de man, door de bewindvoerder niet in te lichten over de uitbetaling van de letselschadevergoeding en deze volgens volledig te vergokken, de schuldeisers ernstig heeft benadeeld. De rechtbank acht het verder onbegrijpelijk dat de beschermingsbewindvoerder, wetende van de verplichtingen van de man, toen er nog € 27.000 op de beheerrekening stond, dit bedrag zonder meer aan de man heeft uitgekeerd, zonder zelfs maar (tijdig) de bewindvoerder in te lichten. De schone lei wordt aan de man ontnomen.
Rechtbank Overijssel (Locatie Almelo), 01-09-2025

Rechtspraak

PS 2025-0512

Strafrecht. De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan de doodslag van een 15-jarige jongen, poging tot doodslag en openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. De ouders van de 15-jarige jongen hebben zich gevoegd in het strafproces en vorderen beiden schadevergoeding van € 20.000 bestaande uit affectieschade. De vorderingen van de ouders worden door de rechtbank toegewezen. Het tweede slachtoffer vordert € 25.000 aan psychisch letsel, lichamelijk letsel en shockschade. Het derde en het vierde slachtoffer vorderen voor het psychisch letsel, lichamelijk letsel en shockschade € 5.000. Voor het tweede slachtoffer geldt dat vaststaat dat er sprake is van letselschade door steekwonden en dat hij geestelijk letsel heeft in de vorm van PTSS. Zonder meer is voldaan aan de voorwaarden om voor vergoeding van shockschade in aanmerking te komen. De 15-jarige jongen is in het bijzijn van het tweede slachtoffer met messteken om het leven gebracht. De 15-jarige jongen was een goede vriend van de benadeelde partij en uit de overgelegde stukken volgt dat zij samenleefden als broers, nu hun gastmoeders moeder en dochter waren en zij elkaar dagelijks spraken. De rechtbank acht daarom het gevorderde bedrag redelijk en billijk. Met betrekking tot de immateriële schade van het derde en vierde slachtoffer oordeelt de rechtbank dat in dit geval het bestaan van geestelijk letsel niet naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld maar dat de aard en de ernst van de normschending met zich brengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden om voor toekenning van shockschade in aanmerking te komen. In het bijzijn van de benadeelde partijen is de 15-jarige jongen met messteken om het leven gebracht en is het tweede slachtoffer ernstig verwond. De 15-jarige jongen was een goede vriend van de benadeelde partijen en uit de overgelegde stukken volgt dat zij samenleefden als broers in hetzelfde gastgezin. Ter onderbouwing van het geestelijk letsel van de benadeelde partijen is een verklaring van hun voogd overgelegd, die hen na het incident op 22 december 2023 heeft zien veranderen in sombere jongens met symptomen die mogelijk wijzen op een trauma. Gelet hierop en vanwege de aard en ernst van de normschending die hier aan de orde is, komt de rechtbank tot het oordeel dat – ook zonder een diagnose van een deskundige – kan worden aangenomen dat sprake is van geestelijk letsel bij de benadeelde partijen. De rechtbank acht het gevorderde bedrag redelijk en billijk.
Rechtbank Overijssel (Locatie Almelo), 24-09-2025

Rechtspraak

PS 2025-0511

Strafrecht. De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan de doodslag van een 15-jarige jongen, poging tot doodslag en openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. De ouders van de 15-jarige jongen hebben zich gevoegd in het strafproces en vorderen beiden schadevergoeding van € 20.000 bestaande uit affectieschade. De vorderingen van de ouders worden door de rechtbank toegewezen. Het tweede slachtoffer vordert € 25.000 aan psychisch letsel, lichamelijk letsel en shockschade. Het derde en het vierde slachtoffer vorderen voor het psychisch letsel, lichamelijk letsel en shockschade € 5.000. Voor het tweede slachtoffer geldt dat vaststaat dat er sprake is van letselschade door steekwonden en dat hij geestelijk letsel heeft in de vorm van PTSS. Zonder meer is voldaan aan de voorwaarden om voor vergoeding van shockschade in aanmerking te komen. De 15-jarige jongen is in het bijzijn van het tweede slachtoffer met messteken om het leven gebracht. De 15-jarige jongen was een goede vriend van de benadeelde partij en uit de overgelegde stukken volgt dat zij samenleefden als broers, nu hun gastmoeders moeder en dochter waren en zij elkaar dagelijks spraken. De rechtbank acht daarom het gevorderde bedrag redelijk en billijk. Met betrekking tot de immateriële schade van het derde en vierde slachtoffer oordeelt de rechtbank dat in dit geval het bestaan van geestelijk letsel niet naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld maar dat de aard en de ernst van de normschending met zich brengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden om voor toekenning van shockschade in aanmerking te komen. In het bijzijn van de benadeelde partijen is de 15-jarige jongen met messteken om het leven gebracht en is het tweede slachtoffer ernstig verwond. De 15-jarige jongen was een goede vriend van de benadeelde partijen en uit de overgelegde stukken volgt dat zij samenleefden als broers in hetzelfde gastgezin. Ter onderbouwing van het geestelijk letsel van de benadeelde partijen is een verklaring van hun voogd overgelegd, die hen na het incident op 22 december 2023 heeft zien veranderen in sombere jongens met symptomen die mogelijk wijzen op een trauma. Gelet hierop en vanwege de aard en ernst van de normschending die hier aan de orde is, komt de rechtbank tot het oordeel dat – ook zonder een diagnose van een deskundige – kan worden aangenomen dat sprake is van geestelijk letsel bij de benadeelde partijen. De rechtbank acht het gevorderde bedrag redelijk en billijk. Aan een vijfde en zesde slachtoffer wordt de niet-betwiste vordering uit hoofde van immateriële schadevergoeding toegekend, evenals (een deel van de) gevorderde materiële schade.
Rechtbank Overijssel (Locatie Almelo), 24-09-2025

Rechtspraak

PS 2025-0510

Strafrecht. De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan de doodslag van een 15-jarige jongen, poging tot doodslag en openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. De ouders van de 15-jarige jongen hebben zich gevoegd in het strafproces en vorderen beiden schadevergoeding van € 20.000 bestaande uit affectieschade. De vorderingen van de ouders worden door de rechtbank toegewezen. Het tweede slachtoffer vordert € 25.000 aan psychisch letsel, lichamelijk letsel en shockschade. Het derde en het vierde slachtoffer vorderen voor het psychisch letsel, lichamelijk letsel en shockschade € 5.000. Voor het tweede slachtoffer geldt dat vaststaat dat er sprake is van letselschade door steekwonden en dat hij geestelijk letsel heeft in de vorm van PTSS. Zonder meer is voldaan aan de voorwaarden om voor vergoeding van shockschade in aanmerking te komen. De 15-jarige jongen is in het bijzijn van het tweede slachtoffer met messteken om het leven gebracht. De 15-jarige jongen was een goede vriend van de benadeelde partij en uit de overgelegde stukken volgt dat zij samenleefden als broers, nu hun gastmoeders moeder en dochter waren en zij elkaar dagelijks spraken. De rechtbank acht daarom het gevorderde bedrag redelijk en billijk. Met betrekking tot de immateriële schade van het derde en vierde slachtoffer oordeelt de rechtbank dat in dit geval het bestaan van geestelijk letsel niet naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld maar dat de aard en de ernst van de normschending met zich brengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden om voor toekenning van shockschade in aanmerking te komen. In het bijzijn van de benadeelde partijen is de 15-jarige jongen met messteken om het leven gebracht en is het tweede slachtoffer ernstig verwond. De 15-jarige jongen was een goede vriend van de benadeelde partijen en uit de overgelegde stukken volgt dat zij samenleefden als broers in hetzelfde gastgezin. Ter onderbouwing van het geestelijk letsel van de benadeelde partijen is een verklaring van hun voogd overgelegd, die hen na het incident op 22 december 2023 heeft zien veranderen in sombere jongens met symptomen die mogelijk wijzen op een trauma. Gelet hierop en vanwege de aard en ernst van de normschending die hier aan de orde is, komt de rechtbank tot het oordeel dat – ook zonder een diagnose van een deskundige – kan worden aangenomen dat sprake is van geestelijk letsel bij de benadeelde partijen. De rechtbank acht het gevorderde bedrag redelijk en billijk.
Rechtbank Overijssel (Locatie Almelo), 24-09-2025

Rechtspraak

PS 2025-0509

Strafrecht. De verdachte heeft samen met zijn metgezel het slachtoffer van zijn spullen beroofd. Hierna heeft de verdachte het slachtoffer aangevallen met een mes. Hierdoor is het slachtoffer zwaar en onherstelbaar letsel toegebracht. Hij is als gevolg hiervan onder andere blind geworden aan zijn linkeroog en hij zal de rest van zijn leven zijn zicht moeten missen. De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan eendaadse samenloop van een poging tot (gekwalificeerde) doodslag en afpersing met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Het slachtoffer vordert € 60.000 aan immateriële schade. Het slachtoffer heeft ernstig lichamelijk letsel overgehouden aan het geweldsdelict. Daarbij ervaart het slachtoffer ook de psychische schade. Het hof begroot de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op € 60.000 en wijst de vordering tot vergoeding van immateriële schade daarom geheel toe. Het slachtoffer vordert een materiële schadevergoeding van meer dan € 1,2 miljoen. Door de verdachte is geen verweer gevoerd. Desondanks beoordeelt het hof de vordering. Het hof stelt vast dat na het stellen van vragen over de vordering bij het hof twijfels bestaan over de aard en gegrondheid van de vordering, of rechtstreeks verband bestaat met de bewezen verklaarde feiten en ter zake van de gestelde omvang van de vordering. Daarbij komt dat het hier in de kern gaat om informatie die zich geheel in het domein van de benadeelde partij bevindt. Die informatie laat zich reeds daarom niet of lastig betwisten door de wederpartij en noopt bovendien tot een nadere onderbouwing met meer objectieve gegevens, bijvoorbeeld door een onpartijdige deskundige, waarna de wederpartij ook adequater in staat is om hierop te reageren in het kader van het partijdebat. Het eigen onderzoek van het hof ter zitting naar de toewijsbaarheid van de vordering heeft daarvoor onvoldoende compensatie geboden. Het hof acht zich in de gegeven stand van zaken dan ook niet voldoende inhoudelijk en objectief voorgelicht en dus ook niet in staat om binnen de kaders van dit strafproces een gedegen beslissing te nemen over deze vordering. Het hof kan hierdoor evenmin een gemotiveerde, verantwoorde schatting maken van een in elk geval (en van de vordering af te splitsen) toewijsbaar bedrag. In de civiele rechtspraktijk wordt in dergelijke gevallen doorgaans hetzij door partijen onderling overeenstemming bereikt over de uitgangspunten voor schade afdoening, hetzij worden door de rechter vaststellingen gedaan na een gedegen partijdebat. Daarvan is hier nu geen sprake. Het feit dat de verdediging geen verweer heeft gevoerd tegen de vordering, doet daar in dit geval niet aan af. Nader onderzoek aangaande deze vordering is dus nodig maar zou leiden tot aanhouding van de strafzaak en levert daarom in deze zaak een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor wat betreft deze vordering moet worden verklaard en hij deze bij de civiele rechter kan aanbrengen.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 17-09-2025