Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.705 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0525

Een man heeft tijdens zijn detentie in het Juridisch Centrum Zaanstad (JCZ) zelfmoord gepleegd. De vader van de man vordert in deze procedure inzage in het medisch dossier van zijn zoon. JCZ heeft die inzage geweigerd met een beroep op het medisch beroepsgeheim. Deze zaak draait om de vraag of er op grond van artikel 7:458a lid 1 BW redenen zijn om een uitzondering op dat beroepsgeheim te maken. De kortgedingrechter van de rechtbank heeft de vordering van de vader afgewezen, maar het hof geeft de vader gelijk. Het hof is van oordeel dat de vader met zijn argumenten het zwaarwegende belang bij inzage voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij neemt het hof onder andere in aanmerking dat het voor JCZ duidelijk was dat de zoon zeer kwetsbaar was, het niet duidelijk is hoe uitgebreid de psychiater met de zoon heeft gesproken en of hij/zij het suïciderisico zelfstandig (opnieuw) heeft ingeschat, dan wel grotendeels is gevaren op de methodische inschatting van vrijdagavond en het feit dat het de eerste detentie was voor de zoon en het voorzienbaar was dat dit een zeer grote impact zou hebben. Het hof stelt dat het zo direct en abrupt en zo volledig afschalen bij een zo kwetsbare jongeman – mede gelet op de rechtspraak rond artikel 2 EVRM – meerdere reële vragen oproept, zozeer dat het hof tot de conclusie komt dat de vader het vermoeden dat het risico verkeerd is ingeschat en/of dat ten onrechte geen voorzorgsmaatregelen zijn genomen, voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het is in dit geval niet nodig om de inzage te beperken tot een bepaald deel van het dossier: de vader heeft recht op inzage van het volledige medische dossier van het JCZ met betrekking tot het verblijf van zijn zoon aldaar. Het hof benadrukt dat het voorgaande níét betekent dat er een medische fout is gemaakt, respectievelijk dat er is gehandeld in strijd met artikel 2 EVRM. Het is mogelijk dat uit het medisch dossier zal blijken dat dit niet het geval is.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 16-09-2025

Rechtspraak

PS 2025-0523

Gedupeerden van de toeslagenaffaire hebben al een compensatiebedrag van € 30.000 ontvangen maar stellen dat zij meer schade hebben geleden dan dit bedrag. In 2024 hebben zij de Staat aansprakelijk gesteld voor deze (resterende) schade. De Staat heeft zijn aansprakelijkheid erkend voor de besluiten van de Belastingdienst met betrekking tot de jaren waarvoor een compensatie aan hen is toegekend. De gedupeerden willen hun (resterende) schade verhalen langs de civielrechtelijke weg in plaats van via het bestuursrechtelijke traject. De gedupeerden verzoeken de rechtbank nu om twee deskundigen te benoemen (een psychiatrisch deskundige en een arbeidsdeskundige). Het doel van het psychiatrisch onderzoek is om vast te stellen of sprake is van psychische klachten en of het aannemelijk is dat deze klachten in causaal verband staan met de onrechtmatige besluiten en de daarmee samenhangende handelingen van de Staat. Het doel van de arbeidskundige expertise is om per persoon een beoordeling te maken van het functioneren in privé-, werk- en/of studiesituaties, rekening houdend met de eventueel door de psychiater vastgestelde functionele beperkingen. De Staat voert geen verweer tegen de gevraagde onderzoeken, maar wel tegen het belasten van de Staat met de kosten ervan. De rechtbank wijst het verzoek toe. Uitgangspunt van de wet is dat de verzoekers het voorschot voldoen. De rechtbank ziet in de omstandigheden van dit geval geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat alleen aan partijen aan wie een toevoeging is verleend of die bij het heffen van het griffierecht als onvermogend (zouden) gelden, geen voorschot wordt opgelegd. Dat van die situatie sprake is, is niet gebleken. Er is niet gebleken dat de gedupeerden op basis van een toevoeging procederen. De gedupeerden hebben ook geen inkomensverklaring overlegd.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 13-08-2025

Rechtspraak

PS 2025-0522

Een man stelt dat een ziekenhuis medisch onzorgvuldig gehandeld heeft door zijn operatie aan de bicepspees te lang uit te stellen, de onzorgvuldigheid van de chirurg tijdens de operatie en door aan hem niet eerder een antibioticum te geven. De man wenst een onderzoek door een onafhankelijk deskundige om nadere duidelijkheid te krijgen over het medisch handelen van het ziekenhuis. Tussen partijen is niet in geschil dat de man in de gegeven omstandigheden recht heeft op en belang heeft bij een voorlopig deskundigenbericht over de vraag of het ziekenhuis medisch verwijtbaar jegens hem heeft gehandeld. Het verzoek kan dan ook worden toegewezen. Partijen hebben overeenstemming bereikt over de deskundige. Ook over de aan de door de deskundige te stellen vragen zijn partijen het eens. Wel is in geschil wie het voorschot op de kosten van het deskundigenonderzoek moet voldoen. Volgens de man moeten de kosten door partijen elk voor de helft worden gedragen zoals bij een onderzoek op grond van aanbeveling 23 GOMA. Het ziekenhuis is het hier niet mee eens. Zij voert aan dat in deze procedure uitgangspunt is dat de verzoekende partij het voorschot betaalt en dat er geen grond is daarvan af te wijken. In dat verband wijst het ziekenhuis erop dat niet vaststaat dat er een fout is gemaakt en zij aansprakelijk is. Het ziekenhuis betwist ook dat dit een geval is waarin volgens de GOMA een expertise moet worden gevraagd; daarvoor waren de verwijten van de man kort gezegd te weinig uitgekristalliseerd en te weinig onderbouwd. De rechtbank volgt de man niet in zijn betoog dat bij de beslissing over de vraag wie (het voorschot op) de kosten van de deskundige moet betalen, aangesloten moet worden bij aanbeveling 23 GOMA. Ook als het zo zou zijn dat in dit geval een expertise op grond van 23 GOMA aangewezen was, betekent dat niet zonder meer dat in deze procedure de kosten ook voor de helft voor rekening van het ziekenhuis komen. Het ziekenhuis heeft terecht aangevoerd dat de GOMA juist ziet op het buitengerechtelijke traject waarbij rechtsbijstand door een advocaat niet nodig is en proceskosten worden voorkomen. De rechtbank is het overigens ook niet met de man eens dat in dit geval sprake is van een situatie waarin op grond van de gedragscode een expertise had moeten worden gevraagd. Zoals door het ziekenhuis toegelicht is een expertise op grond van aanbeveling 23 GOMA aan de orde bij een geschil met (medisch onderbouwde) standpunten van beide partijen over een of meer aspecten van de medische behandeling, waarover een expert de doorslag kan geven. Dat betekent dat in beginsel mag worden verwacht dat de discussie al is toegespitst op een of meer concrete punten waarover de medisch adviseurs over en weer tot verschillenede conclusies komen, ook nadat zij kennis hebben genomen van elkaars standpunten. Daarvan was in dit geval geen sprake. Omdat nog niet duidelijk is dat het ziekenhuis een fout heeft gemaakt ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de hiervoor genoemde hoofdregel. Omdat de man met een toevoeging procedeert, geldt echter dat het voorschot op de kosten van de deskundige door de griffier zal worden betaald aan de deskundige ten laste van ’s Rijks kas en dat dit bedrag voorlopig in debet zal worden gesteld.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 17-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0521

In 2020 heeft een verkeersongeval tussen twee personenauto’s plaatsgevonden. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de door een van de partijen gestelde gezondheidsklachten in (juridisch) causaal verband staan met het ongeval. De verzekeraar van de tegenpartij betwist dat dit het geval is, omdat de vrouw volgens haar voor het ongeval ook al kampte met vergelijkbare klachten. De vrouw heeft een bodemprocedure gestart. Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen het erover eens geworden dat er een onafhankelijke expertise door een neuroloog moet plaatsvinden. De verzekeraar vordert in deze procedure dat de vrouw medische informatie overlegd op grond van artikel 843a (oud) Rv. Volgens de verzekeraar acht haar medisch adviseur het noodzakelijk dat de gevorderde medische stukken worden verstrekt. Met het oog op de te verrichten neurologische expertise is het namelijk van belang dat het medisch dossier, inclusief de meest actuele medische informatie, gecompleteerd wordt. Omdat de vrouw weigert de gevraagde medische informatie te delen, stelt de verzekeraar recht en belang te hebben bij toewijzing van haar vordering. De kantonrechter heeft zich bij een eerder vonnis onbevoegd verklaard om van de vordering kennis te nemen en de zaak verwezen naar de sectie handel van de rechtbank. De vrouw heeft verzuimd om advocaat te stellen. Ook op de tweede rolzitting heeft de vrouw geen advocaat gesteld. De zaak zal inhoudelijk (op tegenspraak) worden beoordeeld nu de vrouw al wel haar antwoordakte in deze procedure heeft genomen voor verwijzing. Nu de vrouw na de verwijzing niet meer vertegenwoordigd door een advocaat is verschenen, heeft zij de kans laten lopen om bij de rechtbank de gemotiveerde stellingen uit de akte van de verzekeraar te weerspreken. De rechtbank zal daarom de gemotiveerde stellingen uit de akte van de verzekeraar (om die formele redenen) voor juist houden. De rechtbank neemt, bij gebreke aan betwisting, in rechte aan dat aan de vereisten van artikel 843a (oud) Rv is voldaan voor wat betreft de door de verzekeraar in haar akte genoemde bescheiden. Daarbij merkt de rechtbank volledigheidshalve nog wel op dat, voor zover Achmea beoogt medische informatie van eventueel verder betrokken geraakte specialisten en/of paramedici te ontvangen, sprake is van een ‘fishing expedition’, waarvoor artikel 843a (oud) Rv geen ruimte biedt. De vordering tot afgifte van afschriften van het huisartsenjournaal en een brief over het poliklinisch bezoek wordt toegewezen.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 03-09-2025

Rechtspraak

PS 2025-0519

Een man stelt dat hij tijdens het werk een steen op zijn hoofd heeft gekregen en heeft in eerste aanleg onder andere gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaarde dat de opdrachtgever van de man aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van het arbeidsongeval op grond van artikel 7:658 lid 4 BW. Aan deze vordering heeft de man, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat de opdrachtgever niet heeft gezorgd voor een veilige werkomgeving nu de grondboor niet voldoende schoon werd gehouden waardoor er een groot stuk klei of grond op zijn hoofd terecht is gekomen. De boor moet worden gereinigd door borstels die in een kap zitten die rond de boor is bevestigd. Deze kap functioneerde onvoldoende omdat de borstels versleten waren. Daardoor is er een brok klei of grond in de boor achtergebleven, mee omhoog getransporteerd en vervolgens van boven hard op het hoofd van de man gevallen. In het mondelinge eindvonnis van 2023 heeft de kantonrechter geoordeeld dat uit niets objectiefs blijkt dat het ongeval zich heeft voorgedaan. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. Naar het oordeel van het hof heeft de man voldoende gesteld om hem tot bewijslevering toe te laten. Het hof stelt vast dat het gestelde ongeval meer dan vier jaar geleden heeft plaatsgevonden. De man heeft niets gesteld over de omvang van zijn schade. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is dit voor toewijzing van de onderhavige vorderingen ook geen vereiste. De man dient de mogelijkheid dat er schade is of zal worden geleden, slechts aannemelijk te maken. Aan dit minimale vereiste heeft hij voldaan. Hij heeft gesteld dat hij een hersenschudding heeft opgelopen, hetgeen past bij de door hem gestelde toedracht. De mogelijkheid dat hij, zoals hij in de inleidende dagvaarding heeft gesteld, als gevolg daarvan klachten heeft behouden, waaronder hoofd- en nekpijnen en draaiduizeligheid, is aannemelijk. Het hof bepaalt een mondelinge behandeling en draagt de man op om uiterlijk vier weken voorafgaande aan de zitting een schadestaat, voorzien van bewijsstukken, over te leggen. Tijdens de zitting zal met partijen worden overlegd op welke wijze de getuigen zullen worden opgeroepen, hoe de procedure moet worden voortgezet en of zij mogelijkheden zien om een schikking te treffen.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 01-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0518

Een verpleegkundig specialiste is in 2024 ernstig gewond geraakt als gevolg van een fysieke aanval door een bewoonster. Enkele dagen later is zij aan haar verwondingen overleden. Haar partner heeft haar werkgever aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade in verband met het aan haar toegebrachte letsel en haar overlijden ten gevolge van de schending van de jegens haar in acht te nemen zorgplicht ex artikel 7:658 BW en tevens op grond van artikel 6:162 BW. De werkgever heeft de aansprakelijkheid afgewezen. De partner vraagt nu de kantonrechter een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. De kantonrechter overweegt dat de partner genoegzaam heeft toegelicht dat het gevraagde voorlopig getuigenverhoor als doel heeft om hem in staat te stellen opheldering te verkrijgen over de feiten omtrent de toedracht en de procedure zodat hij kan beoordelen of en in hoeverre de werkgever haar zorgplicht heeft geschonden, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld. De werkgever wordt niet gevolgd in haar standpunt dat het verzoek prematuur is en dus in strijd met de goede procesorde, dan wel dat sprake zou zijn van misbruik van bevoegdheid. Van de partner kan niet worden geëist dat hij bij zijn onderzoek naar de relevante feiten voorafgaand aan een eventuele procedure volstaat met het stellen van (nadere) vragen aan de werkgever. Ook kan niet van hem worden verlangd dat hij (nadere) informatie bij de werkgever opvraagt en/of met de werkgever (daarover) in gesprek gaat alvorens hij om een voorlopig getuigenverhoor zou mogen vragen. Een dergelijk beperking op het recht op een voorlopig getuigenverhoor volgt uit de tekst noch de bedoeling van de wet. Verder kan en mag de kantonrechter in het kader van dit verzoek niet vooruitlopen op wat getuigen, mede gelet op het beroepsgeheim, wel of niet kunnen of zullen verklaren en in hoeverre een getuigenverklaring nog iets kan toevoegen aan reeds afgelegde verklaringen, bijvoorbeeld in het kader van de strafrechtelijke procedure. De kantonrechter beveelt een voorlopig getuigenverhoor.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 16-09-2025

Rechtspraak

PS 2025-0517

Een dekman is tijdens het lossen van een schip in 2012 in het ruim van een schip gevallen. Hierbij is hij zwaar gewond geraakt. De vraag is of, naast de werkgever, ook de eigenaar van het schip aansprakelijk is en zo ja voor welk percentage de werkgever en de eigenaar van het schip onderling draagplichtig zijn voor de schade van de dekman. De rechtbank heeft geoordeeld dat de werkgever en de eigenaar van het schip hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens de dekman voor het geheel van zijn (reeds geleden en nog te lijden) schade. Ook heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de eigenaar van het schip jegens de werkgever verplicht is in de schuld bij te dragen met een schadeverdeling van 25% voor de eigenaar en 75% voor de werkgever. De werkgever is hiertegen in hoger beroep gegaan en verzoekt dat voor recht wordt verklaard dat de eigenaar verplicht is in de schuld bij te dragen met een schadeverdeling van 100% voor de eigenaar en 0% voor de werkgever. Het hof concludeert dat de rechtbank terecht bewezen heeft geoordeeld dat de werknemer is gevallen als gevolg van een fout van het schip. Het hof onderschrijft de causale verdeling die de rechtbank heeft toegepast; het niet naleven van diverse veiligheidsvoorschriften door de dekman is een omstandigheid die voor rekening van de werkgever komt, het niet opruimen van het schip (hoewel daar wel om gevraagd door de dekman) komt voor rekening van de eigenaar en wel in de verhouding 75% voor de werkgever en 25% voor de eigenaar. Het hof is wel in het kader van de billijkheidscorrectie van oordeel dat de causale verdeling moet worden bijgesteld en wel in die zin dat 85% van de schade voor rekening van de werkgever dient te blijven en 15% voor rekening van de eigenaar komt. Juist het veiligheidsvoorschrift dat eerst de poortjes gesloten dienen te worden dient ter voorkoming van ernstig letsel, zoals nu door de dekman is opgelopen. Weliswaar staat daar tegenover dat de bemanning van het schip, ondanks daartoe aangesproken te zijn, de catwalk niet tijdig heeft opgeruimd, maar als het luik niet van het ruim was gehaald, had de dekman niet zo’n grote val kunnen maken.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 23-09-2025