Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.705 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0506

De man vordert een verklaring voor recht dat het dierenhotel aansprakelijk is voor het ongeval wat hem is overkomen tijdens een hondentrainingscursus die plaatsvond in de trainingshal van het dierenhotel. De man is uitgegleden op een natte plek in de trainingshal die veroorzaakt was door een plassende hond. De rechtbank heeft de vordering van de man bij beschikking in deelgeschil afgewezen. Voor het hof staat op basis van de verklaringen dat vast dat sprake is geweest van een natte plek op de betonnen vloer naast de tunnel doordat iemand daar een hondenplas had opgedweild. De man is op die plek op zijn rug en arm gevallen toen hij een stap terug wilde doen om zijn hond aan te sporen de tunnel in te gaan. Het hof oordeelt aan de hand van het Kelderluik-criteria of het dierenhotel aansprakelijk is voor deze schade. Naar oordeel van het hof bestaat er een reële kans op het gevaar wat zich heeft verwezenlijkt. De voorzorgmaatregelen die zijn genomen, het klaarzetten van een emmer met dweil met de instructie ‘goed dweilen’, zijn volgens het hof onvoldoende. De meest eenvoudige instructie zou zijn geweest om de deelnemers erop te wijzen dat na een ongelukje de vloer niet alleen (goed) schoon gedweild moest worden maar ook droog gemaakt moest worden. Een gele gevarendriehoek is inderdaad ook een obstakel, zoals het dierhotel heeft aangevoerd, maar dit obstakel is in ieder geval meer zichtbaar dan een natte plek op de betonnen vloer. Daarnaast is ook van belang dat bij een hondentrainingscursus de deelnemers voornamelijk letten op hun hond en niet per se hun aandacht richten op de vloer. Het dierenhotel heeft daarom onrechtmatig gehandeld. Het beroep op eigen schuld slaagt niet. Tot slot slaagt het beroep op de exoneratieclausule ook niet.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 16-09-2025

Rechtspraak

PS 2025-0505

Deelgeschil. Een schilder is eigenaar van een eenmanszaak en werkt zelfstandig voor een aantal professionele opdrachtgevers. De schilder had de opdracht gekregen om te gaan schilderen bij een nieuwbouwproject, waaronder bij de woning de man en de vrouw. Zij waren niet tevreden over het schilderwerk. Na een telefoontje van de opdrachtgever is de schilder naar de woning van de man en de vrouw toegegaan. Er is een conflict ontstaan waarna de schilder fysiek is aangevallen door de vrouw. De schilder heeft als gevolg van de aanval rode krassen op en pijn aan zijn rug gekregen en heeft psychische klachten ontwikkeld (PTSS). De schilder heeft de vrouw, de hoofdaannemer van het nieuwbouwproject en zijn opdrachtgever aansprakelijk gesteld. De schilder stelt de hoofdaannemer en opdrachtgever aansprakelijk op grond van artikel 7:658 lid 4 BW en de vrouw aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad. De kantonrechter oordeelt dat de hoofdaannemer en opdrachtgever beiden als werkgever kunnen worden aangemerkt. De kantonrechter komt tot de conclusie dat er niet is voldaan aan de zorgplicht. Naar zijn oordeel hebben zowel de opdrachtgever als de hoofdaannemer onvoldoende passende maatregelen genomen om een geweldsincident te voorkomen of de kans daarop te verkleinen. Zij hadden bedacht kunnen zijn en ook moeten zijn op de mogelijkheid dat de al bestaande spanningen zouden uitmonden in fysiek geweld richting de schilder. De vraag of het geweldsincident was voorkomen in het geval er wel was voldaan aan de zorgplicht is onvoldoende duidelijk. Dat is afhankelijk van te veel verschillende onzekere factoren. De hoofdaannemer en de opdrachtgever dragen op dit punt het bewijsrisico, welk bewijs door alles wat is aangevoerd en is overgelegd niet is geleverd. Het beroep op het ontbreken van het causaal verband tussen de schade en de schending van de zorgplicht slaagt daarom niet. Zij zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor de geleden schade. De kantonrechter oordeelt ook dat de vrouw op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is. Het verweer dat zij de schilder enkel zou hebben geduwd wordt niet ondersteund door in het geding gebrachte verklaringen. Daarbij heeft de schilder voldoende onderbouwd dat hij als gevolg van het geweldsincident schade heeft geleden.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 17-09-2025

Rechtspraak

PS 2025-0503

Een uitzendkracht is een ongeval overkomen toen hij schilderwerkzaamheden verrichtte op een brug. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het uitzendbureau en de inlener van de uitzendkracht hiervoor aansprakelijk zijn. De inlener is het hier niet mee eens en gaat in hoger beroep. De grieven van de inlener richten zich in feite tegen de waardering door de kantonrechter van de verklaringen die de getuigen hebben afgelegd. Zij heeft aangevoerd dat er sprake is van een ander ongevalsscenario, het hof is van oordeel dat deze andere toedracht onvoldoende aannemelijk is geworden in het kader van het geleverde bewijs door de inlener. Het hof acht de verklaring en stukken voldoende overtuigend voor het bewijs van het feit dat de uitzendkracht tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden (door een scooter) is aangereden. De inlener dient daarbij aan te tonen dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht. Het hof is van oordeel dat de inlener niet heeft gesteld dat en welke specifieke instructies zij heeft gegeven ter uitvoering van de werkzaamheden op de brug en ter voorkoming van het ongeval. Evenmin blijkt dat er tijdens de opleiding van de uitzendkracht voor de door hem behaalde certificaten of diploma’s aandacht aan de gevaren van werk langs de weg is besteed. Zij heeft niet aangetoond dat de getroffen maatregelen voldoende en effectief waren om het ongeluk te voorkomen. Tot slot oordeelt het hof dat er geen aanknopingspunten zijn voor de stelling dat de uitzendkracht zich bewust roekeloos heeft gedragen. De conclusie van het hof is daarom dat het hoger beroep van de inlener niet slaagt. Het hof bekrachtigt het vonnis.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 09-09-2025

Rechtspraak

PS 2025-0502

Op 13 juli 2019 is een motorrijder betrokken geweest bij een ernstig verkeersongeval. Als gevolg van het ongeval heeft hij ernstig letsel opgelopen. Voor materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ongeval lijdt heeft hij drie partijen aansprakelijk gesteld. Als gevolg van het door de motorrijder opgelopen letsel heeft de verzekeraar medische kosten betaald en zullen er ook in de toekomst nog kosten worden gemaakt. Deze kosten wil de verzekeraar verhalen. De verzekeraar vordert dat zij op grond van artikel 217 Rv mag tussenkomen, dan wel mag voegen, in de hoofdzaak. De verwerende partijen in het incident stellen dat de verzekeraar geen belang heeft bij haar vordering. Zij heeft namelijk onvoldoende toegelicht welke nadelige gevolgen zij van de uitspraak in de hoofdzaak zou kunnen ondervinden, zodat zij niet aan haar stelplicht heeft voldaan. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeraar wel een gerechtvaardigd belang heeft bij haar vordering tot tussenkomst. Zij heeft voldoende toegelicht dat een negatieve uitspraak over de aansprakelijkheid in de hoofdzaak negatieve gevolgen kan hebben voor haar verhaalsmogelijkheden. De verwerende partijen hebben tevens tevergeefs aangevoerd dat er sprake zou zijn van strijd met de goede procesorde. De vordering van Zilveren Kruis is gelijktijdig met de conclusie van antwoord van een van de partijen in de hoofdzaak ingediend. Gezien het bepaalde in artikel 218 Rv is de vordering van Zilveren Kruis op tijd ingediend. Het klopt dat het toestaan van de tussenkomst door Zilveren Kruis voor enige vertraging in de procedure zal zorgen. Dat deze vertraging voor de verwerende partijen in het incident onwenselijk kan zijn, maakt nog niet dat deze onredelijk is en lijdt tot een strijd met de goede procesorde. De rechtbank is van oordeel dat van strijd met de goede procesorde geen sprake is. De vordering tot tussenkomst wordt toegewezen.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 06-08-2025

Rechtspraak

PS 2025-0501

Een vrouw is in 2005 onder behandeling gekomen van een neuroloog verbonden aan het ziekenhuis. Nadien is zij in 2010 doorverwezen naar een andere neuroloog van hetzelfde ziekenhuis en deze stelt in 2016 de diagnose multiple sclerose (MS) vast. De vrouw verwijt het ziekenhuis dat de eerste neuroloog in 2005 en de opvolgend behandelende neuroloog in 2010 verzuimd hebben de diagnose MS bij de vrouw te stellen, dan wel dat zij ten onrechte deze diagnose hebben uitgesloten. De rechtbank heeft voor recht verklaard dat het ziekenhuis toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiende uit de geneeskundige behandelovereenkomst en heeft het ziekenhuis veroordeeld tot schadevergoeding nader op te maken bij staat. Aan de verklaring voor recht heeft de rechtbank een beperkt aantal (medische) fouten ten grondslag gelegd. De bedoeling van het hoger beroep van de vrouw is dat de verklaring voor recht mede wordt gebaseerd op de andere gestelde medische fouten. Dit met het oog op de omvang van de nog vast te stellen schadevergoeding. De vrouw legt aan haar vordering artikel 7:453 BW ten grondslag. Het hof concludeert dat de in 2005 aan de neuroloog bekende symptomen – zelfs, in combinatie met de uitslagen van het aanvullend onderzoek – volgens de toen geldende McDonalds-richtlijn, nog niet noodzakelijkerwijs dwongen tot de diagnose MS. Het voorgaande neemt niet weg dat de neuroloog wel tekort is geschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelovereenkomst door in zijn brief aan de huisarts van 25 mei 2005 te schrijven dat liquor- en bloedonderzoek geen aanwijzingen tonen voor ontstekingen, neuroborreliose, multiple sclerose of andere pathologie en aldus MS min of meer uit te sluiten, deze informatie was feitelijk onjuist. Door deze informatie aan de huisarts te onthouden, is door de neuroloog niet de zorg betracht die een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht en is hij toerekenbaar tekortgeschoten in de behandelovereenkomst. De vraag is daarbij ook of de neuroloog in 2010 ten onrechte de diagnose MS niet heeft gesteld of ten onrechte heeft uitgesloten. Het hof concludeert dat de neuroloog ten onrechte de MRI-scan uit 2010 niet heeft vergeleken met die uit 2005. Er zou dan een duidelijke toename zijn gezien van afwijkingen waardoor twijfel over spreiding in tijd was weggenomen. Door te handelen zoals de neuroloog heeft gedaan, is hij toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelovereenkomst. Daarbij oordeelt het hof ook dat de neuroloog uit 2010 ten onrechte de gezondheidstoestand van de vrouw niet heeft gemonitord. De neuroloog is ook tekortgeschoten in de nakoming van de behandelovereenkomst door niet alle gegevens toe te zenden, deze gegevens waren van belang voor de second opinion. Tot slot oordeelt het hof dat er tekortgeschoten is door de geneeskundige behandelovereenkomst plotseling te beëindigen. De reden hierachter was dat de neuroloog zich onveilig voelde door de echtgenoot van de vrouw. Wat er precies is gebeurd kan volgens het hof achterwege blijven omdat het plotselinge beëindigen niet gerechtvaardigd was. De beëindiging van de behandelovereenkomst heeft nadelige gevolgen gehad voor de behandeling van de vrouw en de neuroloog heeft er niet voor gezorgd dat de vrouw terecht is gekomen bij een andere specialist. Dit alles brengt mee dat de neuroloog uit 2005 en de neuroloog uit 2010 tekort zijn geschoten in de nakoming. Voor deze tekortkomingen is het ziekenhuis aansprakelijk.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 16-09-2025

Rechtspraak

PS 2025-0497

Strafrecht. Doodslag op jonge man in scootmobiel op de vroege ochtend van 8 augustus 2020 en woningoverval bij een bejaarde man, beide in Nibbixwoud in de zomer van 2020. Nadat de rechtbank de verdachte heeft vrijgesproken van doodslag en heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf ter zake van de woningoverval, veroordeelt het hof de verdachte ook voor de doodslag tot een totale gevangenisstraf van 14 jaar en 3 maanden. In de zaak waarin de verdachte veroordeeld is tot doodslag hebben meerdere benadeelden zich gevoegd in het strafproces. De moeder van het overleden slachtoffer heeft volgens het hof recht op affectieschade conform artikel 6:108 lid 3 BW. De andere benadeelde partij is de biologische halfzus van het slachtoffer. Zij is ook pleegmoeder van het slachtoffer geweest. De halfzus heeft aangevoerd dat zij de pleegouder van het slachtoffer was van zijn 13e tot zijn 18e levensjaar. Er was sprake van een zorgrelatie. Ook daarna is de halfzus betrokken geweest in het leven van het slachtoffer. Zo was zij vanaf 2018 zijn bewindvoerder. Het hof acht dit onvoldoende om vast te kunnen stellen dat de halfzus ten tijde van het overlijden van het slachtoffer duurzaam in gezinsverband de zorg voor het slachtoffer had en daarmee aanspraak maakt op affectieschade op grond van artikel 6:108 lid 4 onder e BW. Wel is het hof van oordeel dat de halfzus, gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden en de onderbouwing van haar vordering, recht op affectieschade toekomt op grond van artikel 6:108 lid 4 onder g BW. Immers is het hof voldoende gebleken dat de zij ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot het overleden slachtoffer stond, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 BW als naaste kan worden aangemerkt. Tot slot voegt de biologische neef van het slachtoffer en is tevens pleegbroer van het slachtoffer zich in het strafproces. Het hof heeft geoordeeld dat ondanks de hechte band niet is gesteld dat de verhouding tussen beiden sterk afweek van wat in het algemeen geldt voor relaties tussen volwassen neven dan wel pleegbroers, bijvoorbeeld omdat sprake is van een specifieke zorgrelatie en/of sprake is van samenwonen ten tijde van het overlijden. Dit maakt dat de benadeelde partij geen aanspraak kan maken op affectieschade op grond van art. 6:108 lid 4 onder g BW.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 16-09-2025