Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.705 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0556

Strafrecht. Verdachte wordt tot een gevangenisstraf van vijf jaar veroordeeld voor mishandeling terwijl het feit de dood ten gevolge heeft. De vader, moeder en partner van het overleden slachtoffer hebben vergoeding van affectieschade gevorderd. Deze vorderingen zijn in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en zijn niet inhoudelijk betwist. De vorderingen worden dan ook toegewezen. De vader, moeder en partner hebben ook vergoeding van shockschade gevorderd. De rechtbank overweegt dat de drie in het mortuarium zijn geconfronteerd met het levenloze lichaam van het slachtoffer. De ouders hebben de opgelopen verwondingen gezien, de partner niet. De rechtbank overweegt dat geen sprake is geweest van waarneming van het lichaam en in het geval van de ouders van het slachtoffer ook de verwondingen van het slachtoffer direct na het misdrijf op de plaats delict. Ook is niet gebleken dat zij met de latere gevolgen van dit geweld onverhoeds en onvermijdbaar zijn geconfronteerd. De rechtbank geeft een andere uitleg aan het begrip ‘onverhoeds’ dan tijdens de behandeling ter zitting namens de benadeelde partijen is toegelicht. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de benadeelde partijen immers – hoe voorstelbaar ook – uit eigen beweging de confrontatie met het lichaam van hun zoon respectievelijk partner opgezocht. De benadeelde partijen zijn geconfronteerd met de omstandigheden waaronder de onrechtmatige daad is begaan en de gevolgen van het overlijden van het slachtoffer. De rechtbank realiseert zich dat de benadeelde partijen door de gewelddadige dood van het slachtoffer diep zijn getroffen, maar deze enorme impact op hun leven is het gevolg van de dood het slachtoffer en dus niet aan te merken als schokschade. Het voorgaande brengt mee dat de vorderingen van de benadeelde partijen voor wat betreft de schokschade onvoldoende zijn onderbouwd. De benadeelde partijen zullen voor dit deel van de vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard. Zij hebben de mogelijkheid dit bij de burgerlijke rechter te vorderen.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 22-10-2025

Rechtspraak

PS 2025-0549

Een vrouw is in 2021 door haar partner om het leven gebracht. De partner heeft tijdens zijn detentie (voorlopige hechtenis) een einde aan zijn leven gemaakt. De ouders van de vrouw houden de Staat hiervoor verantwoordelijk. Omdat het openbaar ministerie de man niet meer strafrechtelijk heeft kunnen vervolgen, hebben de ouders zich niet als benadeelde partij kunnen voegen in de strafzaak tegen hem en hebben zij hun schade (shockschade, affectieschade en overlijdensschade) niet binnen het strafproces kunnen verhalen. Zij spreken daarom nu de Staat aan. De Staat voert verweer. Volgens de Staat strekt de norm die volgens de ouders zou zijn geschonden (de zorgplicht jegens een gedetineerde) niet tot bescherming tegen de schade die de ouders hebben geleden. Ten tweede is er volgens de Staat geen sprake van een causaal verband tussen de aan de Staat verweten gedraging en de door de ouders gestelde schade. Tot slot stelt de Staat zich op het standpunt dat hij niet tekortgeschoten is in de zorg voor de verdachte. De rechtbank overweegt dat de zorgplicht van de Staat jegens gedetineerden zich niet uitstrekt tot bescherming van de belangen van derden tegen het verlies van de mogelijkheid om in de strafzaak van een gedetineerde schadevergoeding te vorderen. Zij overweegt hiertoe dat de zorgplicht van de Staat jegens gedetineerden en de plicht van de Staat om een opgelegde detentie daadwerkelijk uit te voeren twee verschillende van elkaar te onderscheiden normen zijn met ieder een eigen doel en strekking. Dat de tenuitvoerlegging van een voorlopige hechtenis (onder meer) tot doel heeft te waarborgen dat er een strafproces plaatsvindt waarin ook slachtoffers en nabestaanden van die slachtoffers zich kunnen voegen, maakt niet dat de zorg voor gedetineerden binnen die voorlopige hechtenis ook dat doel heeft. Laatstgenoemde zorgplicht ziet op bescherming van het leven en de gezondheid van de gedetineerde. Daarmee staat het bepaalde in artikel 6:163 BW in de weg aan toewijzing van de vorderingen van de ouders van het slachtoffer.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 08-10-2025

Rechtspraak

PS 2025-0548

Een onverzekerde scooter heeft in 2024 een aanrijding veroorzaakt, waarbij het slachtoffer schade leed. Stichting Waarborgfonds Motorverkeer heeft daarom de schade vergoed. Het Waarborgfonds heeft vervolgens de bestuurder van de scooter aansprakelijk gesteld voor de schade, maar hij heeft het schadebedrag niet aan haar betaald. Het Waarborgfonds eist daarom nu dat de bestuurder de schade alsnog aan haar betaalt, vermeerderd met wettelijke rente. De bestuurder erkent dat de scooter van hem was en niet verzekerd was. Hij voert aan dat de scooter in de schuur stond en dat hij niet van plan was deze op de openbare weg te gebruiken. Volgens hem heeft zijn neef zonder toestemming de scooter gebruikt en het ongeval veroorzaakt. Ondanks meerdere pogingen is het de bestuurder niet gelukt om contact te krijgen met het Waarborgfonds. Na het incident heeft hij een verzekering voor een ander voertuig afgesloten, maar hij moet nu een hogere premie betalen vanwege het voorval. De bestuurder stelt schade te hebben geleden door de handelwijze van het Waarborgfonds. De kantonrechter komt tot het oordeel dat de vordering wordt toegewezen. Dat de neef de bestuurder zou zijn geweest en de scooter zonder zijn medeweten heeft gebruikt, maakt niet uit. Het verhaalsrecht van het Waarborgfonds op de kentekenhouder (art. 27 lid 1 sub b WAM) is namelijk een zelfstandig en direct recht. Wie de bestuurder was en of deze toestemming had, is voor de vordering op de bestuurder als onverzekerde kentekenhouder niet van belang. De enige uitzondering zou diefstal zijn (art. 3 WAM), maar de bestuurder stelt niet dat er sprake was van diefstal en levert hier ook geen enkel bewijs voor (zoals een aangifte). Verder overweegt de kantonrechter dat de stelling dat de bestuurder schade leidt door de melding van het Waarborgfonds geen tegenvordering is. De bestuurder heeft in zijn conclusie van antwoord enkel gesteld dat hij schade lijdt doordat zijn verzekeringspremie is verhoogd, maar hij heeft geen concrete vordering ingesteld en bijvoorbeeld ook geen concreet schadebedrag genoemd. Daarmee voldoet zijn uitlating niet aan de vereisten voor een eis in reconventie als bedoeld in artikel 136 Rv.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 17-10-2025