Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.705 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0646

Vervolg op massaschadezaak tegen een Amerikaanse farmaceut die als producent bepaalde getextureerde borstimplantaten heeft geproduceerd. Deze implantaten zijn in 2018 van de markt gehaald. De zaak is aangespannen door de stichting, die een groep van 60.000 personen vertegenwoordigt. Een aantal van hen ondervindt (ernstige) klachten, die bekend staan onder de naam ASIA, een auto-immuunsyndroom, en een aantal van hen heeft BIA-ALCL, een zeldzame vorm van lymfeklierkanker gekregen. De vragen die in deze procedure voorliggen, zijn of de implantaten van de farmaceut deze ASIA-klachten en/of BIA-ALCL kunnen veroorzaken en, als dat zo is, of de farmaceut daarvoor als producent van de implantaten aansprakelijk is. De rechtbank komt tot de volgende conclusies. Ten aanzien van ASIA bestaat onvoldoende grond om aan te nemen dat de klachten die de vrouwen hebben ervaren (en soms nog ervaren) worden veroorzaakt door de implantaten. Ten aanzien van BIA-ALCL luidt de conclusie dat de implantaten, na afweging van alle relevante omstandigheden, niet als gebrekkig kunnen worden beoordeeld en dat de farmaceut voldoende heeft gewaarschuwd voor de mogelijke risico’s van de implantaten, vanaf het moment dat die risico’s kenbaar waren. Bovendien heeft zij de implantaten in 2018 van de markt gehaald, op het moment dat het statistisch relevante risico tussen de implantaten en BIA-ALCL voldoende wetenschappelijk onderbouwd kon worden. De farmaceut is dus niet aansprakelijk op grond van productaansprakelijkheid, maar ook op andere juridische gronden is zij dat niet. Dit betekent dat de vorderingen in de hoofdzaak van de stichting worden afgewezen. Ook het verzoek van de stichting tot inzage in bepaalde stukken van de farmaceut, wijst de rechtbank af, met name omdat die stukken niet van invloed kunnen zijn op de beoordeling in de hoofdzaak.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 17-12-2025

Rechtspraak

PS 2025-0644

Een bestuurder van een Dodge Ram (bedrijfsauto) is in januari 2021 achterop een andere auto gereden. De WAM-verzekeraar heeft met de andere bestuurder een minnelijke regeling getroffen in die zin dat de verzekeraar 75% van diens schade heeft vergoed. De verzekeraar vordert dit bedrag thans van de bestuurder met een beroep op de polisvoorwaarden omdat de bestuurder volgens de verzekeraar dit ongeval heeft veroorzaakt door met veel te hoge snelheid te rijden en daarmee roekeloos heeft gehandeld. De bestuurder heeft volgens de verzekeraar bovendien zijn mededelingsplicht geschonden. De eerste grief ziet op het oordeel van de rechtbank dat de bestuurder roekeloos rijgedrag heeft vertoond. De tweede grief heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de mate van eigen schuld aan het ongeval van de bestuurder van de personenauto. Met de derde grief brengt de bestuurder nog eens onder de aandacht dat haar verweer in eerste aanleg tevens inhield dat zij haar informatie- en medewerkingsplicht niet heeft geschonden, zodat (ook) om die reden de verzekeraar niet mocht overgaan tot uitsluiting van de dekking van de verzekering. Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank, die geleid hebben tot het oordeel dat het verkeersgedrag van de bestuurder als roekeloos in de zin van de verzekeringsvoorwaarden is aan te merken. Omtrent de eigen schuld oordeelt het hof dat de in hoger beroep aangevoerde feiten niet anders zijn verwoord dan in eerste aanleg. Het oordeel van de rechtbank wordt feitelijk niet bestreden, hoogstens gaat het om de waardering van die feiten. Het hof sluit zich bij dat oordeel van de rechtbank aan, omdat het recht doet aan die feiten. Aan de behandeling van de voorwaardelijke derde grief komt het hof niet toe. Het hof bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 09-12-2025

Rechtspraak

PS 2025-0641

In 2017 heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen een vrouw, die toen reed in een auto, en een man, die toen reed op een motorfiets. De man is overleden aan de gevolgen van de aanrijding. De kantonrechter heeft in 2019 in een strafzaak tegen de vrouw bewezen verklaard dat de vrouw bij het verlaten van het parkeervak naast de straat geen voorrang verleend heeft aan de motorrijder. In deze civiele procedure is onderwerp van debat of de verzekeraar van de motorrijder gehouden is schade te vergoeden aan de vrouw voor de schade die zij stelt geleden te hebben als gevolg van de aanrijding. Volgens de vrouw reed de motorrijder te hard en is de aanrijding mede aan de verkeersfout van de motorrijder te wijten. De rechtbank oordeelt dat de feiten en omstandigheden die de vrouw naar voren brengt niet voldoende aannemelijk zijn geworden. Het inschatten van een snelheid door derden, die zich op het moment van voorbijrijden van de motoren niet voortbewogen in een auto of op een motor, is al lastig, waarbij het (harde) geluid van de uitlaatpijpen de inschatting van de snelheid ook onbewust beïnvloed kan hebben. Dat maakt dat de getuigenverklaringen met een zekere behoedzaamheid beoordeeld moeten worden. De juistheid van de stelling van de vrouw dat de motorrijder te hard gereden heeft binnen de bebouwde kom kan op basis van de bewijsstukken niet aangenomen worden. Dat betekent dat evenmin vastgesteld kan worden dat de aanrijding mede door toedoen van een verkeersfout van de motorrijder is ontstaan. Het gevolg is dat de vorderingen van de vrouw zullen worden afgewezen.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 23-04-2025

Rechtspraak

PS 2025-0640

Deelgeschil. Na een messteek in zijn linkerarm bleef een man klachten houden aan zijn linkerschouder. Zijn huisarts heeft hem uiteindelijk verwezen naar een orthopedisch chirurg, die hem een lidocaïne-kenacort injectie in zijn schouder heeft gegeven. Kort daarna werd de man ziek. Zijn huisarts heeft hem thuis bezocht en uitgesloten dat het een (bacteriële) artritis kon zijn. Er was echter wel sprake van septische artritis en daarna een fasciitis necroticans. De man is toen geopereerd. Een van de schouderspieren in zijn linkerschouder is verwijderd. Na de operatie ontstond orgaanfalen in de nieren en ontwikkelde zich een compartimentssyndroom in de onderbenen. Ook aan zijn benen is hij geopereerd. De voetheffersspieren zijn verwijderd. De man heeft aan de operaties ernstig en blijvend letsel overgehouden. Dat het oordeel van de huisarts een fout was heeft de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van de huisarts erkend. Over wat de gevolgen van die fout zijn verschillen partijen van mening. De man is ervan overtuigd dat hij er beter aan toe zou zijn als de huisarts de fout niet had gemaakt. Volgens de huisarts zou de situatie van de man niet anders zijn geweest dan die nu is. De rechtbank gaat er onder verwijzing naar uitlatingen van de onafhankelijke deskundige van uit dat man 25-40% kans had gehad op restklachten en/of beperkingen aan de schouder en dat de andere aandoeningen en beperkingen niet zouden zijn opgetreden. Hij zou er dus beduidend beter aan toe zijn geweest dan nu het geval is. In dit deelgeschil kan de rechtbank de aard en omvang van de beperkingen die zouden resteren niet vaststellen. De man vraagt een voorschot van € 100.000 op de schadevergoeding. De informatie die nodig is om iets te kunnen zeggen over de hoogte van de schade is nu nog niet beschikbaar, maar toch vindt de rechtbank het aannemelijk dat de man meer schade lijdt dan het bedrag dat hij tot nu toe heeft ontvangen. Voor de pijnklachten die de man aan zijn schouder bleef houden werd de lidocaïne-kenacort injectie toegediend. Het idee van die injectie was dat de pijn zou (kunnen) verminderen. Anders gezegd, zonder fout was er dus niet alleen een kans dat de man geen restklachten zou hebben gehad maar ook dat de aanhoudende pijn na de lidocaïne-kenacort injectie zou zijn verminderd. De huidige situatie van de man brengt in ieder geval meer (zorg- en on)kosten met zich mee en rechtvaardigt daarnaast een hoger bedrag aan smartengeld (dan in scenario’s zonder de fout). De rechtbank bepaalt het bedrag van een aanvullend voorschot op € 25.000.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 20-11-2025

Rechtspraak

PS 2025-0638

In 2016 heeft een oogarts van een dagbehandelcentrum een ooglaserbehandeling aan beide ogen van een man uitgevoerd. Hierna ondervond de man klachten. In een tussenarrest heeft het hof geconcludeerd dat de oogarts niet heeft voldaan aan de wettelijke informatieplicht en dat er is tekortgeschoten in de uitvoering van de behandelingsovereenkomst. In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat bij de man niet ter discussie staat dat er bij hem sprake is van het drogeogensyndroom en dat zijn klachten daaruit voortvloeien. In de akte na tussenarrest van de zijde van de oogarts wordt betoogd dat dit wel ter discussie staat. De betwisting van de oogarts is van onvoldoende gewicht tegenover de weergegeven bevindingen van de deskundige. Het hof volgt de conclusie van deskundige dat sprake is van een matige tot ernstige keratoconjunctivitis sicca (drogeogensyndroom). Daarnaast had het hof de oogarts in het tussenarrest opgedragen te onderbouwen dat een Schirmertest bij de gelaedeerde geen toegevoegde waarde had en dat er voorafgaand aan de laserbehandeling in 2016 geen sprake was van (chronisch) droge ogen bij de man. Het hof oordeelt dat de oogarts geen adequaat antwoord heeft gegeven op de vraag waarom de test geen toegevoegde waarde zou hebben. Daarnaast volgt uit het deskundigenbericht niet dat er geen sprake was van droge ogen bij de gelaedeerde voor 2016. Gezien het voorgaande kan dan ook niet worden vastgesteld dat bij de man, ondanks het ontbreken van adequaat onderzoek daarnaar, sprake was van een normale traanfilm en traanproductie en dat geen sprake was van een (relatieve) contra-indicatie voor het uitvoeren van de laserbehandelingen. Hiermee liep de man een verhoogd risico op de ontwikkeling van het drogeogensyndroom. Het hof constateert wederom dat de oogarts tekortgeschoten is in de informatieverstrekking voorafgaand aan de behandeling en ook tekort is geschoten door het niet uitvoeren van het vereiste onderzoek naar traanfilm en traanvocht. Met betrekking tot de herbehandeling heeft het hof geoordeeld dat deze het directe gevolg is van de tekortkoming van de oogarts bij de behandeling in 2016. De toestemming die de man heeft gegeven voor deze herbehandeling in 2017 was ingegeven door de door hem gevoelde noodzaak om van de klachten na de behandeling in 2016 af te komen. Dat is niet gelukt. Dat betekent dat de oogarts gehouden is de schade die hieruit is voortgevloeid te vergoeden. Het principaal hoger beroep slaagt niet.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 25-11-2025