Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.964 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0261

Er heeft een verkeersongeval plaatsgevonden tussen de voertuigen van de eiser en de gedaagde. Het voertuig van de gedaagde is ingevolge de LAM verzekerd. De WA-verzekeraar heeft de aansprakelijk voor het ongeval erkend. Zij heeft aan de eiser in 2020 een bedrag van Cg 3.247 voor de schade aan zijn voertuig en een bedrag van Cg 6.000 aan gederfde inkomsten, bestaande uit vier maanden minimumloon van Cg 1.500 per maand, uitbetaald. De eiser heeft de LAM-verzekeraar bij brief van 20 maart 2024 aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden materiële en immateriële schade en gesommeerd om tot betaling daarvan over te gaan. De WA-verzekeraar heeft daar niet aan voldaan. Het meest verstrekkende verweer van de WA-verzekeraar is dat de vordering van de eiser is verjaard. In het onderhavige geschil heeft de WA-verzekeraar zich niet op het standpunt gesteld dat zij niet tot (verdere) schadevergoeding is gehouden én dat zij dit op de in artikel 9 lid 3 LAM voorgeschreven wijze aan de eiser kenbaar heeft gemaakt. Er is slechts sprake geweest van een langdurig stilzitten aan de zijde van de eiser. Het enkele feit dat het wellicht langer dan drie jaren heeft geduurd voordat de eiser (opnieuw) in actie is gekomen is echter onvoldoende om te kunnen concluderen tot verjaring. Indien een verzekeraar de verjaringstermijn een aanvang wil doen nemen, dient zij dit te doen door de onderhandelingen af te breken en zulks expliciet op de voorgeschreven wijze mee te delen. Nu zij dit niet heeft gedaan, is de vordering van de eiser niet verjaard. Nu de aansprakelijkheid door de WA-verzekeraar is erkend, spitst het geschil zich toe op de afwikkeling van de schade die de eiser stelt te hebben als gevolg van het ongeval. Het gerecht ziet in dit geval aanleiding om de gederfde inkomsten van de eiser op grond van artikel 6:97 BW te schatten. Het gerecht schat de gederfde inkomsten als gevolg van het verkeersongeval op een bedrag van Cg 25.000. Daarnaast acht het gerecht, anders dan de WA-verzekeraar stelt, voldoende aannemelijk dat de eiser immateriële heeft geleden. Het gerecht begroot, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval en de bedragen die in vergelijkbare zaken zijn toegekend, de naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade dan ook op een bedrag van Cg 3.000. Het gerecht zal de buitengerechtelijke advocatenkosten afwijzen omdat deze geacht worden te zijn inbegrepen bij de proceskostenveroordeling. Voor toewijzing van buitengerechtelijke kosten daarnaast (conform art. 6:69 lid 2 BW) heeft de eiser onvoldoende aangevoerd.
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 28-04-2025

Rechtspraak

PS 2026-0259

Er heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen de automobilist en de scooterrijder. De scooterrijder heeft als gevolg van het ongeval letsel opgelopen. De WAM-verzekeraar erkent geen aansprakelijkheid. Tussen partijen is in geschil wat de toedracht van het ongeval is geweest. De scooterrijder heeft over de toedracht – kort samengevat – naar voren gebracht dat hij nadat hij op de rijbaan optrok na te zijn gestopt voor een stoplicht van achteren werd aangereden door de automobilist en daardoor op de grond is beland. De automobilist betwist deze toedracht en voert aan dat de aanrijding plaatsvond doordat de scooterrijder vanaf het fietspad plotseling de rijbaan opreed en tegen de zijkant van de auto van de automobilist aanreed. Naar het oordeel van de rechtbank vindt de door de scooterrijder gestelde toedracht steun in de afgelegde verklaringen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de foto’s de door de scooterrijder gestelde toedracht niet weerleggen. Uit het vorenstaande volgt dat de door de scooterrijder bij het verzoekschrift overgelegde producties voldoende bewijs bieden voor de door hem gestelde toedracht van het ongeval. Uit de door de scooterrijder bewezen toedracht van het ongeval volgt dat de automobilist tegen de scooterrijder is aangereden. De automobilist heeft daarmee onrechtmatig jegens de scooterrijder gehandeld. De rechtbank zal beslissen dat de betrokken WAM-verzekeraar van de auto en de automobilist aansprakelijk zijn voor de schade van de scooterrijder als gevolg van het ongeval. Het beroep op eigen schuld slaagt niet.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 21-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0258

De werknemer voerde montagewerkzaamheden uit aan de staalconstructie van een kantoorpand. De hoofdaannemer van dit project verstrekte voor het leveren en aanbrengen van de staalconstructie van het pand opdracht aan de onderaannemer. De onderaannemer schakelde vervolgens het bouwbedrijf in om montagewerkzaamheden aan de staalconstructie uit te voeren. Het bouwbedrijf schakelde op haar beurt weer de werknemer in. Op 11 oktober 2017 gleed de werknemer tijdens zijn werkzaamheden uit op een gladde betonvloer waar een sliblaag was ontstaan. Hij liep daarbij een dubbele enkelbreuk op. De werknemer stelt dat het bouwbedrijf en de onderaannemer op grond van artikel 7:658 lid 2 jo. lid 4 BW aansprakelijk zijn voor de schade die hij hierdoor heeft geleden. Uit de omstandigheden volgt dat de werknemer voor de zorg voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk was van het bouwbedrijf. Zoals de werknemer onbetwist heeft gesteld, was het bouwbedrijf de opdrachtgever van de werknemer en vervulde zij deze rol ook actief (ter plaatse). Namens het bouwbedrijf was hun voorman aanwezig op de werkvloer. De voorman stuurde de montageteams aan en was verantwoordelijk voor de concrete werkverdeling. Hij bepaalde waar en wanneer, welke werkzaamheden dienden te worden uitgevoerd. Hieruit leidt de kantonrechter af dat het bouwbedrijf invloed had op de werkomstandigheden en de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s. Het standpunt van het bouwbedrijf dat de hoofdaannemer ging over het schoonmaken en vrijgeven van de verdiepingsvloer doet hier niet aan af, omdat voldoende is dat de werknemer voor de zorg voor zijn veiligheid mede afhankelijk was van het bouwbedrijf. Verder staat niet ter discussie dat de werkzaamheden plaatsvonden in de uitoefening van het beroep en bedrijf van het bouwbedrijf. Niet is komen vast te staan dat de onderaannemer invloed had op de werkomstandigheden en de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s. De onderaannemer valt naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet onder het bereik van artikel 7:658 lid 4 BW. Het bouwbedrijf stelt dat het uitglijden over een natte of glad geworden vloer een alledaags gevaar is waar iedereen in het normale leven – en zeker op een bouwplaats – rekening mee moet houden. Er is hier – anders dan in het Perez/Grande-arrest– niet alleen regen gevallen, maar ook boorresidu achtergebleven waardoor een gladde sliblaag is ontstaan. Dit is naar het oordeel van de kantonrechter geen alledaags risico. Bovendien heeft de voorman – naar eigen zeggen – voor dit risico gewaarschuwd. Deze waarschuwing bevestigt dat de sliblaag geen alledaags risico is. De kantonrechter is van oordeel dat ook als zou komen vast te staan dat de voorman de werknemer heeft gewaarschuwd voor het valrisico en de instructie heeft gegeven de vloer niet te betreden, dat onvoldoende is om aan de zorgplicht te voldoen. Het bouwbedrijf heeft geen preventieve maatregelen genomen, hoewel deze prevaleren boven het geven van instructies en waarschuwingen. Het bouwbedrijf had de toegang naar de verdieping met de gladde vloer bijvoorbeeld kunnen afzetten met een lint. Een dergelijke veiligheidsmaatregel is eenvoudig en betaalbaar en dus niet bezwaarlijk om te nemen. Deze maatregel had dan ook van het bouwbedrijf mogen worden verwacht. De kantonrechter is daarom van oordeel dat het bouwbedrijf haar zorgplicht niet is nagekomen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 27-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0257

In deze procedure is sprake van twee ongevallen, waarvan het ongeval in 2015 onderwerp van deze procedure is. De vrouw stelt door de ongevallen whiplashklachten te hebben. De kern van het geschil betreft de vraag of de vrouw rechtens vast te stellen gezondheidsklachten heeft en, indien dat het geval is, of er een causaal verband bestaat tussen deze klachten en ongeval. Tussen de verzekeraar en de vrouw staat niet ter discussie dat er bij de vrouw sprake is van aanhoudende pijnklachten, maar de partijen twisten over de oorzaak van de lichamelijke klachten. Het gerecht stelt vast dat partijen, onder verwijzing naar de bevindingen van hun medisch adviseur, een tegenovergesteld standpunt innemen ten aanzien van het causaal verband tussen de klachten en ongeval 2. Daar komt bij dat de medisch adviseurs (de eventuele gevolgen van) ongeval 1 kennelijk niet in hun bevindingen hebben betrokken. Het gerecht acht het bij deze stand van zaken noodzakelijk om, teneinde duidelijkheid te krijgen over het bestaan, de aard en de omvang van de klachten van de vrouw en het causaal verband tussen de klachten en ongevallen 1 en 2, een medisch deskundige te benoemen. Verder dient de vrouw alle medische stukken ten aanzien van de ongevallen 1 en 2 en voor zover nog niet ingebracht in de procedure, en op basis waarvan de rapporten van de medisch adviseurs tot stand zijn gekomen, bij akte in het geding te brengen. Ook dient de vrouw een medische machtiging af te geven zodat de deskundige indien nodig nadere gegevens kan opvragen.
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 24-04-2023

Rechtspraak

PS 2026-0254

Deelgeschil. In deze procedure is een inleenkracht een arbeidsongeval overkomen tijdens het oogsten van jonge komkommers. De punt van een blad van een komkommerplant is in zijn rechteroog terechtgekomen. Als gevolg hiervan raakte zijn hoornvlies beschadigd. Later ontwikkelde zich een ernstige schimmelinfectie in dit oog. De inleenkracht is het zicht aan dit oog verloren. De werkgever betwist het causale verband en stelt dat een lichaamseigen schimmel de ooginfectie heeft veroorzaakt. De kantonrechter volgt de werkgever hierin niet. Uit de door de werkgever overgelegde informatie volgt namelijk dat deze schimmel meestal niet schadelijk is, maar dat deze door verwondingen (kantonrechter: zoals bijvoorbeeld een verwonding door een komkommerblad in het oog) ervoor kan zorgen dat deze in plaatsen groeit waar dat niet hoort. Niet uit te sluiten valt dat dat bij de inleenkracht is gebeurd. Dat is dan echter alsnog het gevolg van het krijgen van een komkommerblad in het oog. Daarmee is het causaal verband tussen het incident en het letsel gegeven. De kantonrechter komt tot de conclusie dat gelet de omstandigheden de werkgever haar werknemers had dienen te beschermen tegen mogelijk letsel als gevolg van het in aanraking komen van de ogen met een komkommerblad. Dat had de werkgever in dit geval ook eenvoudig kunnen doen door een veiligheidsbril beschikbaar te stellen aan de inleenkracht en hem te instrueren om deze de veiligheidsbril tijdens het oogsten te dragen. Ook had de werkgever de inleenkracht moeten wijzen op de aanwezigheid van spoelflessen, voor zover deze er waren, en hem na het ongeval moeten instrueren om van de spoelflessen gebruik te maken. Aangezien de werkgever deze veiligheidsmaatregelen, gelet op het reële veiligheidsrisico, niet heeft genomen heeft zij niet voldaan aan de op haar rustende zorgplicht. Om die reden zal voor recht worden verklaard dat de werkgever aansprakelijk is voor het ontstaan en de gevolgen van het ongeval dat de inleenkracht op 6 augustus 2021 is overkomen. Het beroep op eigen schuld slaagt niet.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 26-08-2025

Rechtspraak

PS 2026-0253

In deze deelgeschilprocedure moet de kantonrechter de vraag beantwoorden of de vordering van de werknemer tegen de werkgever is verjaard. De kantonrechter is van oordeel dat van verjaring geen sprake is. Dit heeft te maken met het feit dat pas in 2021 door een arts (de bedrijfsarts) het verband is gelegd tussen de klachten van verzoeker en zijn werkomstandigheden. Bij brief van 22 maart 2024 heeft de werknemer de werkgever aansprakelijk gesteld voor al zijn materiële en immateriële schade voor het letsel dat hij heeft opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Hoewel de werknemer in 2018 zelf het vermoeden had dat zijn klachten veroorzaakt werden door zijn werkomstandigheden betekent dat niet dat er daarom van uit mag worden gegaan dat er sprake is van daadwerkelijke bekendheid met zijn schade. De werknemer is immers zelf geen medisch deskundige. Uit de overgelegde stukken en dat wat de werknemer (onbetwist) heeft gesteld, blijkt dat de bedrijfsarts (pas) in mei 2021 een verband heeft gelegd tussen de klachten van de werknemer en zijn werk. Uitgaande van die datum is er tot aan de aansprakelijkstelling van de werkgever op 22 maart 2024 geen vijf jaren verstreken. Op basis van deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat de werkgever niet is geslaagd in haar bewijslast dat de vordering van de werknemer was verjaard op het moment dat hij de werkgever aansprakelijk stelde voor zijn schade.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 22-04-2026