In 2024 heeft de moeder van de eisende partij de auto van de eisende partij geleend, waarna een aanrijding met een bestelbus heeft plaatsgevonden. Volgens de eisende partij heeft de WAM-verzekeraar ten onrechte de aansprakelijkheid erkend en de schade aan de wederpartij vergoed. Volgens de eisende partij is niet zij, maar de wederpartij aansprakelijk voor de aanrijding. Daarnaast stelt zij dat de door de wederpartij geclaimde schade geen verband houdt met de aanrijding. Zij verwijst daarbij naar een verklaring van haar garagemonteur en de uitlating van de wederpartij zelf dat hij kort voor deze aanrijding ook al een aanrijding heeft gehad. De eisende partij is niet in de gelegenheid gesteld een contra-expertise uit te voeren zodat haar de kans op het leveren van tegenbewijs is ontnomen en haar rechtspositie is geschaad. Om die reden kan de omvang van de schade zoals gesteld door de WAM-verzekeraar volgens haar niet als vaststaand worden aangenomen en daarom niet via premieverhoging op haar worden verhaald. De rechtbank overweegt dat een WAM-verzekeraar op grond van artikel 6 WAM de schade zelfstandig en actief met de wederpartij moet regelen. De verzekeraar heeft daarbij een behoorlijke mate van vrijheid om de schade te regelen. De WAM-verzekeraar heeft op basis van het schadeaangifteformulier (SAF) de aansprakelijkheid erkend. Een door beide partijen ondertekend SAF levert grond van artikel 157 lid 2 Rv dwingend bewijs op, wat betekent dat moet worden uitgegaan van de juistheid van de gegevens op het formulier. Tegen dit dwingend bewijs staat tegenbewijs open. De moeder van de eisende partij heeft op het door haar ondertekende SAF zelf een verklaring geschreven bij de vraag ‘wie is naar uw mening aansprakelijk’. Met die verklaring geeft zij aan dat zij meent zelf aansprakelijk te zijn voor de aanrijding. Met de daarna door de eisende partij ingenomen, gewijzigde stelling dat haar moeder nog voor de haaientanden stilstond en dat de wederpartij de bocht met flinke snelheid te kort nam, heeft de eisende partij haar eerdere verklaring getracht te nuanceren, maar niet het tegenbewijs geleverd tegen het dwingend bewijs van de waarheid van de eerdere, ondertekende verklaring op het SAF. Onderbouwing voor de gewijzigde toedracht ontbreekt. De WAM-verzekeraar heeft dan ook terecht en op juiste gronden aansprakelijkheid van de eisende partij jegens de wederpartij erkend. De WAM-verzekeraar heeft de schadevergoeding gebaseerd op een expertiserapport. Over het expertiserapport moet vooropgesteld worden dat een verzekeraar in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de bevindingen van een expert, tenzij blijkt dat de inhoud van het rapport evident onjuist is. De verklaring van de automonteur en de verder niet onderbouwde stelling dat de bestelbus van de wederpartij al oude schade had, zijn onvoldoende om aan te nemen dat het aangeleverde expertiserapport evident onjuist is. Het ging in casu om de schadevaststelling aan de bestelbus en niet de auto van de eisende partij zelf. Uit de verzekeringsvoorwaarden volgt in dat geval geen verplichting voor de WAM-verzekeraar tot het aanbieden van een contra-expertise. Evenmin volgt een verplichting daartoe uit artikel 7:959 lid 1 BW, waarin staat dat de redelijke kosten tot het vaststellen van de schade gemaakt, ten laste van de verzekeraar komen. De vorderingen van de eisende partij worden afgewezen.
Rechtbank Gelderland (Locatie Apeldoorn), 15-10-2025