Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.705 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0002

Deze zaak gaat over de vraag welke schade de man heeft geleden als gevolg van een medische fout van het ziekenhuis. In 2006 heeft de man zich met een mes gesneden in de tweede en derde vinger van zijn linkerhand. Bij de behandeling op de spoedeisende hulp van het ziekenhuis is diep buigpeesletsel aan deze vingers over het hoofd gezien. Het ziekenhuis heeft aansprakelijkheid voor deze medische fout erkend en de verzekeraar van het ziekenhuis heeft een bedrag van in totaal € 20.000 aan de man uitgekeerd. Volgens de man is daarmee niet zijn volledige schade vergoed. Hij stelt zich op het standpunt dat hij door het medisch onzorgvuldig handelen van het ziekenhuis zodanige fysieke beperkingen heeft dat hij geen betaalde baan heeft kunnen krijgen. Daarnaast stelt de man zich op het standpunt dat hij psychische klachten heeft opgelopen als gevolg van de moeizame schadeafwikkeling. Volgens de man belemmeren ook deze klachten hem in zijn herstel en het bekleden van een betaalde functie. Hij vordert kort gezegd dat de rechtbank voor recht verklaart dat een causaal verband bestaat tussen de medische fout van het ziekenhuis en de schade. De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat door de medische fout de man geen werkzaamheden kan verrichten. De reden waarom de man niet kan werken is volgens de rechtbank gebaseerd op andere omstandigheden die losstaan van de medische fout. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat de psychische klachten ontstaan zijn door de medische fout. Tot slot oordeelt de rechtbank ook dat er geen sprake is van secundaire victimisatie. De vorderingen van de man worden afgewezen.
Rechtbank Gelderland (Locatie Zutphen), 10-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0001

Deelgeschil. Er heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen een fietser en een scooter. De verzekeraar van de scooterrijder heeft laten weten 50% aansprakelijk te zijn voor de schade die is geleden als gevolg van de aanrijding. De fietser verzoekt de rechtbank om te verklaren dat de verzekeraar 100% van de schade dient te vergoeden. De fietser stelt dat hij geen voorrang behoefde te verlenen aan de scooter, ondanks de haaientanden en het voorrangsbord. Dit omdat er geen verkeer aan kwam. De scooterrijder zou volgens de fietser (dus) veel te hard hebben gereden. De verzekeraar van de scooterrijder is in beginsel op grond van artikel 165 WVW aansprakelijk, maar gekeken moet worden of deze aansprakelijkheid kan worden verminderd wegens eigen schuld aan de kant van de fietser. De rechtbank is van oordeel dat de fietser voorrang had moeten verlenen en dat dit moet worden aangemerkt als een ernstige verkeersfout. De rechtbank oordeelt tevens dat er geen objectieve aanknopingspunten zijn gesteld om aan te nemen dat de scooterbestuurder te hard zou hebben gereden, dat de scooterbestuurder uit een zijstraat zou zijn gekomen waardoor hij niet zichtbaar was voor fietser of dat de remmen van de scooter van de scooterbestuurder niet goed zouden hebben gewerkt. De scooterbestuurder kan hoogstens worden verweten dat hij onvoldoende rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat de fietser een verkeersfout zou maken. De verplichting van de fietser om voorrang te verlenen, weegt in de causale verdeling echter zwaarder dan hetgeen de scooterbestuurder verweten kan worden. De bijdrage van de fietser aan het ongeval is daarom aanzienlijk groter, zodat de schadevergoedingsplicht van de verzekeraar niet hoger is dan 50%.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 30-10-2025

Rechtspraak

PS 2025-0654

Strafrecht. Verdachte wordt schuldig bevonden van tweemaal verkrachting, ontucht met personen beneden 16 jaar (meermaals gepleegd) en een poging daartoe, kinderpornografie vervaardigen en in bezit hebben, wederrechtelijke vrijheidsberoving, poging tot afpersing/diefstal met geweld en diefstal. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat een van de slachtoffers die zich als benadeelde partij heeft gevoegd immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen. Er is sprake geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving, verkrachting en poging tot afpersing/diefstal met geweld. De destijds minderjarige benadeelde werd gedwongen tot het verrichten van onbeschermde seksuele handelingen bij een willekeurig persoon. Ook werd zij hiervoor geconfronteerd met ernstig geweld. Dit alles gebeurde middenin de nacht op een desolate plek. Vanwege posttraumatische stressklachten heeft benadeelde een traumabehandeling gevolgd, die in eerste instantie na vijf maanden werd afgerond wegens de afname van klachten. Echter door een terugval in klachten is benadeelde hierna opnieuw aangemeld bij een psycholoog en zijn de therapieën en gesprekken weer hervat. Voor de bepaling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij vergelijkbare uitspraken in soortgelijke zaken en bij de zogenoemde Rotterdamse Schaal waarin smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen zijn geordend. De rechtbank acht de toewijzing van een bedrag van € 20.000 redelijk en billijk. Het overige gevorderde immateriële bedrag wordt afgewezen.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 17-12-2025

Rechtspraak

PS 2025-0653

Een minderjarige jongen heeft een bedrag van € 56.250 ontvangen als schadevergoeding van het Erasmus MC met een BEM-clausule. De ouders van de minderjarige vragen de kantonrechter om een machtiging te verlenen om het volledige saldo van de bankrekening van betrokkene te mogen lenen en dit geld te gebruiken als lening voor de financiering van twee winkels en drie woningen. De ouders stellen dat zij succesvolle ondernemers zijn en dat de aankoop van de panden – die is inmiddels is gedaan – hun volgende project is. Zij menen dat het investeren van het vermogen van de minderjarige in deze panden een veel hoger rendement gaat opleveren dan het geld op de bank, vanwege de huurinkomsten enerzijds en de te verwachten waardestijging van de panden anderzijds. De kantonrechter is van oordeel dat het risico dat de minderjarige zijn investering kwijtraakt als het financieel niet goed gaat met de ouders, onvoldoende is afgedekt. Er is te weinig informatie verstrekt om voldoende inzicht te krijgen in de verplichtingen en inkomsten van de holding, maar uit wat vader heeft verklaard blijkt dat de holding het geld van de minderjarige nodig heeft om haar financiële verplichtingen na te komen in verband met de financiering van de panden. De ouders hebben het geld van de minderjarige nodig om een deel van de lening die zij hebben afgesloten om de panden aan te kopen te kunnen aflossen. Hieruit leidt de kantonrechter af dat de holding een liquiditeitstekort heeft, aangezien de holding de verplichtingen kennelijk niet kan nakomen met haar eigen kasstromen. Er is dus een risico op default (wanprestatie) door de holding jegens de financier van de panden. Na default dreigt opeising van de financiering en vervolgens uitwinning (gedwongen verkoop). Bij gedwongen verkoop verhalen de (eerste) hypotheekhouders zich als eerste op de opbrengst. Hiernaast is er ook een risico dat als de (ondernemingen van de) ouders zouden failleren, hun inkomsten kunnen opdrogen, in welke situatie wederom sprake zou kunnen zijn van default. Ook in deze situatie zal naar verwachting sprake zijn van uitwinning door de financiers. De minderjarige heeft geen hypotheek, maar een simpel ‘leencontract’, waardoor voornoemde risico’s voor de minderjarige naar het oordeel van de kantonrechter te groot zijn. Dit maakt dat het niet in zijn belang is om de machtiging te verlenen. Een en ander zou mogelijk anders kunnen liggen als de minderjarige een recht van eerste hypotheek op de panden zou verkrijgen, maar dat is nu niet aan de orde. Daarmee zouden overigens de andere financiers ook akkoord moeten gaan.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 04-12-2025

Rechtspraak

PS 2025-0652

In 2024 heeft de moeder van de eisende partij de auto van de eisende partij geleend, waarna een aanrijding met een bestelbus heeft plaatsgevonden. Volgens de eisende partij heeft de WAM-verzekeraar ten onrechte de aansprakelijkheid erkend en de schade aan de wederpartij vergoed. Volgens de eisende partij is niet zij, maar de wederpartij aansprakelijk voor de aanrijding. Daarnaast stelt zij dat de door de wederpartij geclaimde schade geen verband houdt met de aanrijding. Zij verwijst daarbij naar een verklaring van haar garagemonteur en de uitlating van de wederpartij zelf dat hij kort voor deze aanrijding ook al een aanrijding heeft gehad. De eisende partij is niet in de gelegenheid gesteld een contra-expertise uit te voeren zodat haar de kans op het leveren van tegenbewijs is ontnomen en haar rechtspositie is geschaad. Om die reden kan de omvang van de schade zoals gesteld door de WAM-verzekeraar volgens haar niet als vaststaand worden aangenomen en daarom niet via premieverhoging op haar worden verhaald. De rechtbank overweegt dat een WAM-verzekeraar op grond van artikel 6 WAM de schade zelfstandig en actief met de wederpartij moet regelen. De verzekeraar heeft daarbij een behoorlijke mate van vrijheid om de schade te regelen. De WAM-verzekeraar heeft op basis van het schadeaangifteformulier (SAF) de aansprakelijkheid erkend. Een door beide partijen ondertekend SAF levert grond van artikel 157 lid 2 Rv dwingend bewijs op, wat betekent dat moet worden uitgegaan van de juistheid van de gegevens op het formulier. Tegen dit dwingend bewijs staat tegenbewijs open. De moeder van de eisende partij heeft op het door haar ondertekende SAF zelf een verklaring geschreven bij de vraag ‘wie is naar uw mening aansprakelijk’. Met die verklaring geeft zij aan dat zij meent zelf aansprakelijk te zijn voor de aanrijding. Met de daarna door de eisende partij ingenomen, gewijzigde stelling dat haar moeder nog voor de haaientanden stilstond en dat de wederpartij de bocht met flinke snelheid te kort nam, heeft de eisende partij haar eerdere verklaring getracht te nuanceren, maar niet het tegenbewijs geleverd tegen het dwingend bewijs van de waarheid van de eerdere, ondertekende verklaring op het SAF. Onderbouwing voor de gewijzigde toedracht ontbreekt. De WAM-verzekeraar heeft dan ook terecht en op juiste gronden aansprakelijkheid van de eisende partij jegens de wederpartij erkend. De WAM-verzekeraar heeft de schadevergoeding gebaseerd op een expertiserapport. Over het expertiserapport moet vooropgesteld worden dat een verzekeraar in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de bevindingen van een expert, tenzij blijkt dat de inhoud van het rapport evident onjuist is. De verklaring van de automonteur en de verder niet onderbouwde stelling dat de bestelbus van de wederpartij al oude schade had, zijn onvoldoende om aan te nemen dat het aangeleverde expertiserapport evident onjuist is. Het ging in casu om de schadevaststelling aan de bestelbus en niet de auto van de eisende partij zelf. Uit de verzekeringsvoorwaarden volgt in dat geval geen verplichting voor de WAM-verzekeraar tot het aanbieden van een contra-expertise. Evenmin volgt een verplichting daartoe uit artikel 7:959 lid 1 BW, waarin staat dat de redelijke kosten tot het vaststellen van de schade gemaakt, ten laste van de verzekeraar komen. De vorderingen van de eisende partij worden afgewezen.
Rechtbank Gelderland (Locatie Apeldoorn), 15-10-2025

Rechtspraak

PS 2025-0651

Strafrecht. Doodslag echtgenote door haar met messteken om het leven te brengen. De zes kinderen van de verdachte en het overleden slachtoffer hebben zich als benadeelde partijen in het strafproces gevoegd. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de minderjarige dochter niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering voor zover die ziet op vergoeding van immateriële schade op grond van schade door de aantasting in de persoon op andere wijze. Het hof is van oordeel dat de verdachte met zijn handelen een inbreuk heeft gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van zijn minderjarige dochter. Het handelen van de verdachte – bestaande in het opzettelijk doden van de moeder van zijn dochter – heeft tot gevolg dat zij het gezinsleven met haar moeder niet meer kan uitoefenen. Een inbreuk op een fundamenteel recht maakt echter nog niet dat reeds daarom sprake is van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW (zie HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376). Een zeer ernstige schending van een fundamenteel recht kan wél een aantasting in de persoon vormen (vgl. HR 1 november 1991, NJ 1992/58). Daarvoor is niet nodig dat ook geestelijk letsel is vastgesteld (vgl. HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721). Hiervan is volgens het hof in deze zaak evenwel geen sprake. De dochter woont namelijk nu bij haar oudste broer en zus, die haar pleegouders zijn geworden. Er is dus geen sprake van een gezin dat uiteen is gevallen waarbij de kinderen moeten opgroeien zonder elkaar. De gevorderde affectieschade zal, anders dan de rechtbank heeft beslist, aan elke benadeelde partij worden toegewezen. Die vorderingen voldoen aan de daarvoor geldende uitgangspunten en zijn qua hoogte overeenkomstig het daarvoor bestaande forfaitaire stelsel. Het enkele gegeven dat een zoon een verstandelijke beperking heeft en niet thuis woont maar in een instelling verblijft staat niet aan de veronderstelde affectieve band in de weg.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 17-12-2025

Rechtspraak

PS 2025-0650

Strafrecht. De verdachte wordt in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 jaar en zes maanden in verband met medeplegen van de moord op Peter R. de Vries en het medeplegen en voorhanden hebben van een vuurwapen. De verdachte heeft de opdracht om iemand dood te schieten aangenomen en heeft diezelfde dag nog De Vries doodgeschoten. De partner heeft zich opnieuw gevoegd in dit hoger beroep. Zij vordert een bedrag van € 57.500 aan immateriële schade, bestaande uit affectie- en shockschade, en een bedrag van € 1.894,52 aan materiële schade. Door de partner is gesteld dat zij en De Vries sinds 2015 een liefdesrelatie hadden en verloofd waren. Zij waren samen bezig met het schrijven van een boek over hun liefde, wilden verre reizen maken, hadden plannen voor de toekomst en waren op zoek naar een huis om in samen te gaan wonen. Door de verdediging zijn de specifieke feiten onvoldoende betwist. Het hof acht dat voldoende is komen vast te staan dat de zij in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot De Vries stond dat uit eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij een ‘naaste’ is die recht heeft op affectieschade. Het bedrag van affectieschade wordt vastgesteld op € 17.500. Het hof oordeelt dat ook aan de vereisten voor de toekenning van shockschade zijn voldaan. De partner is op de avond van de dag van de schietpartij in het ziekenhuis geconfronteerd met haar zwaargewonde partner. Hij lag met een schotwond in zijn hoofd en andere verwondingen op een brancard. De partner was aanwezig toen De Vries overleed. Ook na het overlijden is de zij door de vele media-aandacht en circulerende beelden op het internet vaak geconfronteerd met de moord. De klinisch psycholoog heeft schriftelijk bevestigd dat de benadeelde partij onder behandeling is en EMDR-therapie volgt vanwege rouw in combinatie met een posttraumatische stressstoornis die is ontstaan naar aanleiding van de moord op haar partner. Uit het voorgaande volgt dat de confrontatie met het bewezen verklaarde feit een hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht die tot geestelijk letsel heeft geleid en dat de partner hierdoor schokschade heeft geleden. Het hof acht voor de shockschade een bedrag van €20.000 redelijk en billijk.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 11-12-2025

Rechtspraak

PS 2025-0649

Strafrecht. De verdachte wordt in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 jaar en zes maanden in verband met medeplegen van de moord op Peter R. de Vries en het medeplegen en voorhanden hebben van een vuurwapen. De verdachte heeft de opdracht om iemand dood te schieten aangenomen en heeft diezelfde dag nog De Vries doodgeschoten. De partner heeft zich opnieuw gevoegd in dit hoger beroep. Zij vordert een bedrag van € 57.500 aan immateriële schade, bestaande uit affectie- en shockschade, en een bedrag van € 1.894,52 aan materiële schade. Door de partner is gesteld dat zij en De Vries sinds 2015 een liefdesrelatie hadden en verloofd waren. Zij waren samen bezig met het schrijven van een boek over hun liefde, wilden verre reizen maken, hadden plannen voor de toekomst en waren op zoek naar een huis om in samen te gaan wonen. Door de verdediging zijn de specifieke feiten onvoldoende betwist. Het hof acht dat voldoende is komen vast te staan dat de zij in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot De Vries stond dat uit eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij een ‘naaste’ is die recht heeft op affectieschade. Het bedrag van affectieschade wordt vastgesteld op € 17.500. Het hof oordeelt dat ook aan de vereisten voor de toekenning van shockschade zijn voldaan. De partner is op de avond van de dag van de schietpartij in het ziekenhuis geconfronteerd met haar zwaargewonde partner. Hij lag met een schotwond in zijn hoofd en andere verwondingen op een brancard. De partner was aanwezig toen De Vries overleed. Ook na het overlijden is de zij door de vele media-aandacht en circulerende beelden op het internet vaak geconfronteerd met de moord. De klinisch psycholoog heeft schriftelijk bevestigd dat de benadeelde partij onder behandeling is en EMDR-therapie volgt vanwege rouw in combinatie met een posttraumatische stressstoornis die is ontstaan naar aanleiding van de moord op haar partner. Uit het voorgaande volgt dat de confrontatie met het bewezen verklaarde feit een hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht die tot geestelijk letsel heeft geleid en dat de partner hierdoor schokschade heeft geleden. Het hof acht voor de shockschade een bedrag van €20.000 redelijk en billijk.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 11-12-2025

Rechtspraak

PS 2025-0648

Strafrecht. De verdachte wordt in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 jaar en zes maanden in verband met medeplegen van de moord op Peter R. de Vries en het medeplegen en voorhanden hebben van een vuurwapen. De verdachte heeft de opdracht om iemand dood te schieten aangenomen en heeft diezelfde dag nog De Vries doodgeschoten. De partner heeft zich opnieuw gevoegd in dit hoger beroep. Zij vordert een bedrag van € 57.500 aan immateriële schade, bestaande uit affectie- en shockschade, en een bedrag van € 1.894,52 aan materiële schade. Door de partner is gesteld dat zij en De Vries sinds 2015 een liefdesrelatie hadden en verloofd waren. Zij waren samen bezig met het schrijven van een boek over hun liefde, wilden verre reizen maken, hadden plannen voor de toekomst en waren op zoek naar een huis om in samen te gaan wonen. Door de verdediging zijn de specifieke feiten onvoldoende betwist. Het hof acht dat voldoende is komen vast te staan dat de zij in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot De Vries stond dat uit eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij een ‘naaste’ is die recht heeft op affectieschade. Het bedrag van affectieschade wordt vastgesteld op € 17.500. Het hof oordeelt dat ook aan de vereisten voor de toekenning van shockschade zijn voldaan. De partner is op de avond van de dag van de schietpartij in het ziekenhuis geconfronteerd met haar zwaargewonde partner. Hij lag met een schotwond in zijn hoofd en andere verwondingen op een brancard. De partner was aanwezig toen De Vries overleed. Ook na het overlijden is de zij door de vele media-aandacht en circulerende beelden op het internet vaak geconfronteerd met de moord. De klinisch psycholoog heeft schriftelijk bevestigd dat de benadeelde partij onder behandeling is en EMDR-therapie volgt vanwege rouw in combinatie met een posttraumatische stressstoornis die is ontstaan naar aanleiding van de moord op haar partner. Uit het voorgaande volgt dat de confrontatie met het bewezen verklaarde feit een hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht die tot geestelijk letsel heeft geleid en dat de partner hierdoor schokschade heeft geleden. Het hof acht voor de shockschade een bedrag van €20.000 redelijk en billijk.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 11-12-2025

Rechtspraak

PS 2025-0647

Strafrecht. De verdachte wordt in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 jaar en zes maanden in verband met medeplegen van de moord op Peter R. de Vries en het medeplegen en voorhanden hebben van een vuurwapen. De verdachte heeft de opdracht om iemand dood te schieten aangenomen en heeft diezelfde dag nog De Vries doodgeschoten. De partner heeft zich opnieuw gevoegd in dit hoger beroep. Zij vordert een bedrag van € 57.500 aan immateriële schade, bestaande uit affectie- en shockschade, en een bedrag van € 1.894,52 aan materiële schade. Door de partner is gesteld dat zij en De Vries sinds 2015 een liefdesrelatie hadden en verloofd waren. Zij waren samen bezig met het schrijven van een boek over hun liefde, wilden verre reizen maken, hadden plannen voor de toekomst en waren op zoek naar een huis om in samen te gaan wonen. Door de verdediging zijn de specifieke feiten onvoldoende betwist. Het hof acht dat voldoende is komen vast te staan dat de zij in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot De Vries stond dat uit eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij een ‘naaste’ is die recht heeft op affectieschade. Het bedrag van affectieschade wordt vastgesteld op € 17.500. Het hof oordeelt dat ook aan de vereisten voor de toekenning van shockschade zijn voldaan. De partner is op de avond van de dag van de schietpartij in het ziekenhuis geconfronteerd met haar zwaargewonde partner. Hij lag met een schotwond in zijn hoofd en andere verwondingen op een brancard. De partner was aanwezig toen De Vries overleed. Ook na het overlijden is de zij door de vele media-aandacht en circulerende beelden op het internet vaak geconfronteerd met de moord. De klinisch psycholoog heeft schriftelijk bevestigd dat de benadeelde partij onder behandeling is en EMDR-therapie volgt vanwege rouw in combinatie met een posttraumatische stressstoornis die is ontstaan naar aanleiding van de moord op haar partner. Uit het voorgaande volgt dat de confrontatie met het bewezen verklaarde feit een hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht die tot geestelijk letsel heeft geleid en dat de partner hierdoor schokschade heeft geleden. Het hof acht voor de shockschade een bedrag van €20.000 redelijk en billijk.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 11-12-2025