Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.705 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0012

Deelgeschil. De motorrijder is betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Hij heeft sindsdien lichamelijke en psychische klachten. De verzekeraar heeft namens haar verzekerde de aansprakelijkheid erkend, maar partijen komen niet tot een definitieve schadeafwikkeling. Zij twisten met name over de omvang van de arbeidsongeschiktheid en (de uitgangspunten bij de berekening aan) het verlies aan verdienvermogen van de motorrijder. De motorrijder heeft de rechtbank in dit deelgeschil gevraagd om onder andere hierover te beslissen. Een beslissing hierover kan de impasse tussen partijen doorbreken, maar om daarover duidelijkheid te krijgen is een onderzoek door een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidsdeskundige nodig. Het verzoek in deelgeschil over zijn arbeidsongeschiktheid kan daarom niet worden toegewezen. Zijn verzoek om een voorlopig deskundigenbericht met benoeming van een verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige (dat gelijktijdig met het deelgeschil is behandeld) wordt toegewezen. De motorrijder heeft verder in het deelgeschil vrijwel het gehele geschil voorgelegd en dat is niet de bedoeling van een deelgeschil. Toch verklaart de rechtbank de motorrijder niet niet-ontvankelijk in al zijn verzoeken. Onder andere omdat de afwikkeling van de schade al bijna tien jaar loopt en de motorrijder begrijpelijkerwijs de noodklok heeft geluid met zijn (te uitgebreide) verzoekschrift, moet er schot in de zaak komen. De rechtbank beslist daarom op drie van zijn verzoeken en wijst zijn andere verzoeken, die onder andere zien op smartengeld, rekenrente en openstaande kosten van rechtsbijstand (van vooral eerdere belangenbehartigers), zonder inhoudelijke beoordeling af omdat deze zich niet lenen voor de deelgeschilprocedure.
Rechtbank Midden-Nederland, 25-11-2025

Rechtspraak

PS 2026-0011

In deze zaak wordt een eindvonnis gegeven na een deskundigenbericht. De vrouw verwijt dat de dokter een fout heeft gemaakt tijdens de operatie op 17 juni 2020 door bij het hechten de ureter te beschadigen. Daarnaast verwijt zij dat de dokter nalatig heeft gehandeld bij de nazorg door de pijnklachten van de vrouw niet serieus te nemen en geen grondig onderzoek daarnaar te doen. Het gerecht heeft bij tussenvonnis van 10 maart 2025 een deskundige benoemd ter beantwoording van de in dat tussenvonnis vermelde vragen. Het gerecht oordeelt dat er geen sprake is van een ondeugdelijke motivering of van zwaarwegende steekhoudende formele of inhoudelijke bezwaren, waardoor het toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het deskundigenbericht. Uit de bevindingen van de deskundige volgt onder meer dat er geen ureterletsel is geweest, maar er wel hydronefrose is opgetreden en dat dat vaker optreedt na aan gynaecologische operatie. Ook rapporteert de deskundige dat het ontstaan van de hydronefrose niet het gevolg is van onzorgvuldig medisch handelen van de dokter. Als hij tijdens de operatie een hechting door de ureter had gelegd was de hydronefrose als gevolg daarvan niet verdwenen, maar was een re-operatie noodzakelijk geweest, aldus de deskundige. De deskundige rapporteert ook dat de hydronefrose mild is geweest en is verdwenen. Ten aanzien van de vragen rondom het handelen van de dokter na de operatie heeft de deskundige gerapporteerd dat de hydronefrose niet voorkomen had kunnen worden, maar wel eerder had kunnen worden vastgesteld waardoor de vrouw wellicht minder klachten had ervaren. Tevens volgt uit de bevindingen dat dit aan de uitkomst op langere termijn niets had veranderd omdat de nierfunctie van de vrouw nu normaal is. Verder volgt uit de rapportage dat de hydronefrose en de wijze waarop de dokter nazorg heeft verleend niet van invloed kunnen zijn op de klachten die de vrouw thans ervaart. Op basis van het deskundigenbericht is het gerecht van oordeel dat niet komt vast te staan dat de dokter niet de zorg in acht heeft genomen die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Het gerecht is van oordeel dat de dokter niet onrechtmatig jegens de vrouw heeft gehandeld en dat daarom de vorderingen van de vrouw zullen worden afgewezen.
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 08-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0010

Een 7-jarige zoon heeft in 2014 op jonge leeftijd ernstige brandwonden opgelopen door een ongeval met een barbecue. Zijn vader heeft namens hem geprobeerd de schade vergoed te krijgen onder de aansprakelijkheidsverzekering van de vader. Dat is niet gelukt, omdat de rechter heeft geoordeeld dat de door de vader afgelegde verklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn om te kunnen concluderen dat hij op onrechtmatige wijze de schade van zijn zoon heeft veroorzaakt. In deze procedure stelt de curator van het zoontje dat de vader door het afleggen van tegenstrijdige en onware verklaringen (wederom) onrechtmatig heeft gehandeld, voor welke onrechtmatige daad de APV-verzekeraar van de vader dekking moet verlenen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het zoontje voldoende belang bij toewijzing van zijn vordering in het geval zijn vordering op de APV-verzekeraar niet toewijsbaar is (vergelijk artikel 3:303 BW). Maar de rechtbank oordeelt dat het zoontje geen betaling van de APV-verzekeraar kan vorderen omdat er niet is voldaan aan de vereisten van de directe actie. De geleden schade bestaan namelijk niet uit dood of letsel maar uit vermogensschade, namelijk de verzekeringsuitkering die het zoontje zou hebben ontvangen als zijn vader die tegenstrijdige en deels onware verklaringen niet zou hebben afgelegd. Het zoontje moet het hebben van een vordering op zijn vader, die vervolgens kan proberen de vordering op grond van de verzekering af te wentelen op de APV-verzekeraar. De rechtbank volgt de APV-verzekeraar in zijn betwisting dat vermogensschade niet onder de dekking valt. Het zoontje doet een beroep op het arrest De Onderlinge/NN van de Hoge Raad. Maar naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de functie van een APV-verzekeraar in het maatschappelijk verkeer meebrengt dat een verzekerde (de vader) redelijkerwijs heeft mogen verwachten dat de verzekering dekking zou bieden voor vermogensschade die het gevolg is van zijn eigen onrechtmatig handelen waarmee hij dekking onder diezelfde verzekering voor letselschade heeft gedwarsboomd. De curator beroept zich ook op de bijzondere positie van jonge kinderen in het aansprakelijkheidsrecht. Echter, de rechtbank oordeelt dat het zoontje de dupe is van het onrechtmatig handelen maar dat dit zich niet laat oplossen via de band van het verzekeringsrecht. Tot slot oordeelt de rechtbank dat het causale verband tussen het onrechtmatig handelen van de vader en de schade niet is komen vast te staan. Uit een eerdere procedure volgt dat er meerdere scenario’s denkbaar zijn waardoor de APV-verzekeraar niet verplicht is om over te gaan tot uitkering. De rechtbank concludeert dat de vader aansprakelijk is voor de schade die het zoontje heeft geleden en mogelijk nog lijdt als gevolg van het afleggen van wisselende en tegenstrijdige verklaringen over de toedracht van het incident op 14 juni 2014.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 17-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0007

Gelaedeerde was op 18 maart 2023 betrokken bij een vechtpartij in Oostenrijk. Hij heeft daarbij aangezichtsletsel opgelopen. De twee betrokkenen hebben een schikkingsvoorstel van het Landesgericht Innsbruck geaccepteerd. De gelaedeerde heeft daarna een schadebedrag van € 1.500 ontvangen. De gelaedeerde wil nu aanvullende schadevergoeding van de twee betrokkenen krijgen. In deze deelgeschilprocedure verzoekt de gelaedeerde de kantonrechter te bepalen dat de twee betrokkenen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van het voorval op 18 maart 2023. Allereerst constateert de kantonrechter dat ingevolge artikel 4 lid 2 Rome II-verordening Nederlands recht van toepassing is. De kantonrechter wijst het verzoek van de gelaedeerde toe. De twee betrokkenen betwisten namelijk niet dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan mishandeling. De vraag of en zo ja, in welke mate, zij voor de aanvullende schadeposten van de gelaedeerde aansprakelijk zijn behoeft echter nader onderzoek. De precieze toedracht van het geweldsdelict is namelijk niet duidelijk. Daarom kan er voor nu ook niet ingegaan worden op het beroep van de twee betrokkenen op eigen schuld aan de kant van de gelaedeerde. Daarvoor leent een deelgeschilprocedure zich niet. De kantonrechter wijst daarom het tegenverzoek van de twee betrokkenen, dat in rechte wordt vastgesteld dat zij niet aansprakelijk zijn voor een schadebedrag dat uitstijgt boven de al betaalde schadevergoeding, af.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Zaanstad), 25-11-2025

Rechtspraak

PS 2026-0006

Deze zaak gaat om de vraag of Schiphol als exploitant aansprakelijk is voor de schade die een medewerker van een grondafhandelingsbedrijf als gevolg van de zware werkomstandigheden heeft geleden. De medewerker voert in hoger beroep vijftien grieven aan tegen het bestreden vonnis. In essentie bestrijden deze grieven het oordeel van de kantonrechter dat er geen grondslag bestaat voor aansprakelijkheid van de luchthavenmaatschappij jegens de medewerker en lenen zij zich (grotendeels) voor een gezamenlijke behandeling. Het hof stelt net als de kantonrechter bij zijn beoordeling voorop dat de verantwoordelijkheid voor veilige arbeidsomstandigheden en het toezicht daarop primair ligt bij respectievelijk de werkgever en de arbeidsinspectie. Het hof is verder (met de kantonrechter) van oordeel dat op de luchthavenmaatschappij geen juridische verplichting rust om de arbeidsomstandigheden van de medewerker, of naleving van de Arbo-voorschriften voor het bagage- en vrachtpersoneel in het algemeen, actief te controleren of daarop toe te zien. De medewerker bestrijdt ook het oordeel van de kantonrechter dat van het bewust onrechtmatig profiteren van een wanprestatie van de grondafhandelaren door de luchthavenmaatschappij geen sprake is. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een handelen van de luchthavenmaatschappij met een partij (een grondafhandelaar) die door dit handelen een door hem met zijn contractspartij (de medewerker) gesloten overeenkomst schendt. Het is namelijk niet de luchthavenmaatschappij die een overeenkomst aangaat met de grondafhandelaren, maar dat doen de luchtvaartmaatschappijen zelf. Dat deze overeenkomst op het luchthaventerrein wordt uitgevoerd maakt nog niet dat luchthavenmaatschappij, rechtstreeks dan wel via een tussenpersoon, handelt met de grondafhandelaren en van hun wanprestatie profiteert. Daarnaast slaagt de grief tegen de toepassing van artikel 7:658 lid 4 BW ook niet. Dit artikel mist in deze zaak toepassing en naar oordeel van het hof kan dit niet analoog worden toegepast op grond van de redelijkheid en billijkheid. Daarnaast neemt het hof ook geen aansprakelijkheid aan in verband met een gebrekkig wegdek. Tot slot slaagt de grief met betrekking tot wanprestatie niet. De medewerker was werkzaam met een pas van de luchthavenmaatschappij en stelt dat er daarom regels van toepassing waren. Het hof is van oordeel dat de medewerker onvoldoende concreet heeft gesteld welke verbintenissen uit deze regels voortvloeiden en dat de luchthavenmaatschappij hierin tekortgeschoten zou zijn. Alle grieven falen, het hoger beroep faalt.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 16-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0005

De man is in 2020 betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Door het ongeval heeft hij lichamelijke en psychische klachten. De psychische klachten hebben zich op enig moment ontwikkeld tot ernstige depressies. Door de klachten lijdt hij schade. Hij was ten tijde van het ongeval werkzaam als vrachtwagenchauffeur en studerend. Het verzoekschrift van de man strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht zal bevelen waarin de verzochte deskundigen tot deskundigen worden benoemd. De verzekeraar verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. Het verzoek is prematuur gedaan en daarmee in strijd met de goede procesorde. De verzekeraar heeft een informatieachterstand waardoor niet kan worden beoordeeld of het verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en of het feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Het gaat dan om het huisartsenjournaal over de afgelopen vijf jaar, recente stukken van het UWV, het klachtenbeloop na het ongeval en informatie over alternatieve oorzaken van de klachten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeraar terecht aangevoerd dat de man niet afdoende feitelijke en medische informatie over het klachtenbeloop na mei 2022 aan haar beschikbaar heeft gesteld. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht met benoeming van meerdere (kostbare) deskundigen in dit stadium te prematuur en daarmee in strijd met de goede procesorde. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank in de rede dat eerst de van belang zijnde medische stukken aan de verzekeraar worden verstrekt. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Assen), 18-04-2025

Rechtspraak

PS 2026-0003

De jongen heeft letsel opgelopen aan zijn linkeroog als gevolg van het afgaan van een zogenoemde ‘party popper’. De klasgenoot had een party popper meegenomen naar het klaslokaal. Na fanatiek geprobeerd de party popper te openen heeft de docent gevraagd deze naast hem neer te leggen. Nadat de klasgenoot de party popper op de tafel heeft neergelegd is deze afgegaan, waarna de jongen is geraakt in zijn linkeroog. Op de party popper staat vermeld deze niet te richten op onder andere mensen. De jongen heeft de klasgenoot aansprakelijk gesteld. De vraag of de klasgenoot in strijd heeft gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, dient te worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Het opendraaien van een party popper is op zichzelf niet onrechtmatig. Uit het toedrachtonderzoek kan worden afgeleid dat de docent op enig moment aan de klasgenoot heeft gevraagd om de party popper weg te leggen en gebleken is dat de klasgenoot hier gehoor aan heeft gegeven. Uit de weergave van de getuigenverklaring van de docent kan worden opgemaakt dat de party popper bij of tijdens het wegleggen onverwacht alsnog is afgegaan. Daargelaten het antwoord op de vraag of klasgenoot de party popper nog een beetje schuin in de hand had of al links voor hem op tafel had weggelegd, kan uit geen van de verklaringen worden afgeleid dat de klasgenoot de party popper op de jongen had gericht. De rechtbank is van oordeel dat de klasgenoot er geen rekening mee hoefde te houden dat de party popper tijdens het wegleggen alsnog zou afgaan. Ook hoefde hij er bij dat wegleggen niet op bedacht te zijn dat de jongen daardoor oogletsel zou oplopen. De papieren snippers confetti komen weliswaar met kracht uit de party popper, maar de mate van waarschijnlijkheid van ernstig oogletsel was niet dermate groot, dat de klasgenoot zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van die gedraging had moeten onthouden. Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank niet tot het oordeel kan komen dat de klasgenoot met zijn gedragingen onrechtmatig heeft gehandeld.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 04-09-2025