Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.964 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0301

Kort geding. In 2025 is een man als voetganger aangereden door een personenauto. Hij heeft als gevolg van het ongeval ernstig en blijvend letsel opgelopen: schedelhersenletsel, meerdere breuken en huidverwondingen. Na geruime tijd in coma te hebben gelegen, verkeert de man op dit moment in een verminderde bewustzijnstoestand en is hij volledig ADL-afhankelijk. De broer en zus van de man zijn benoemd tot curator. De WAM-verzekeraar van de personenauto heeft aansprakelijkheid erkend. Ten behoeve van de revalidatie van de man hebben partijen gesproken over een revalidatietraject bij een kliniek in de Verenigde Staten (VS). In dat kader zijn de kosten van de behandeling, het verblijf en het vervoer nader onderzocht. Op een gegeven moment heeft de verzekeraar meegedeeld dat de kosten van het vervoer van de man per ambulancevliegtuig niet redelijk zijn en dat zij daarom geen toestemming geeft voor de behandeling in de VS. De curatoren zijn het daar niet mee eens. Zij hebben de kosten van de kliniek en de vervoerskosten zelf betaald en zijn als begeleiders met hem meegereisd naar de VS, waar hij met het revalidatietraject is gestart. De curatoren vorderen van de verzekeraar betaling van een geldsom als vergoeding van de gemaakte en te maken kosten met betrekking tot de behandeling van de man. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat de verzekeraar vergoeding van bepaalde kosten onvoorwaardelijk heeft toegezegd en dat de toezegging voor het overige onder bepaalde voorwaarden is gedaan. Dat de verzekeraar onlangs € 150.000 heeft uitgekeerd, leidt niet tot een ander oordeel. De curatoren stellen terecht dat het reeds uitgekeerde bedrag ziet op vergoeding van andere posten (smartengeld en voorschot onder algemene titel).
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 15-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0300

Een juridisch adviesbureau op het gebied van letselschade voor slachtoffers heeft een man bijgestaan naar aanleiding van een verkeersongeval waarbij hij letsel heeft opgelopen. Deze man en de verzekeraar van de tegenpartij hebben een vaststellingsovereenkomst ondertekend. Het adviesbureau stelt dat de man zijn vordering op de verzekeraar tot betaling van buitengerechtelijke kosten aan het bureau heeft gecedeerd. Het bureau heeft buitengerechtelijke kosten gemaakt en hiervoor facturen aan de verzekeraar verzonden. De verzekeraar heeft deze facturen meermaals niet tijdig en/of volledig voldaan. Het bureau vordert nu dat de kantonrechter de verzekeraar veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 280,32 aan wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de proceskosten. De verzekeraar voert verweer: de man heeft nooit buitengerechtelijke kosten aan het bureau betaald en op dit punt dus ook geen schade geleden. Verder heeft er geen rechtsgeldige cessie door de man aan het bureau van de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten plaatsgevonden. De reden hiervoor is dat de man geen vordering op de verzekeraar had en deze wegens het ontbreken van beschikkingsbevoegdheid dus ook niet aan het bureau kon overdragen. Bovendien is de vordering niet met voldoende bepaalbaarheid omschreven en is de vordering tot betaling van wettelijke rente evenmin een nevenrecht. Daarnaast is pas na totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst mededeling van de cessie aan de verzekeraar gedaan, maar toen had de man al finale kwijting aan de zorgverzekeraar verleend. Partijen willen antwoord op de vraag of professionele belangenbehartigers, die de vordering van een benadeelde tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten aan zichzelf laten cederen, wettelijke rente kunnen vorderen als de verzekeraar deze kosten niet tijdig voldoet. De kantonrechter is van oordeel dat dit in dit geval niet mogelijk is. De kantonrechter is van oordeel dat in voldoende mate duidelijk is dat voor het ontstaan van een schadevergoedingsvordering in de vorm van buitengerechtelijke kosten vereist is dat daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. Verder is ook in voldoende mate duidelijk dat de overdracht van een nog niet ontstane vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten pas tot stand komt na het ontstaan daarvan. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om op deze punten verduidelijking aan de Hoge Raad te vragen en ziet daarom af van het stellen van prejudiciële vragen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 15-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0299

Een man is in 2023 geblesseerd geraakt aan zijn hamstrings tijdens het gebruik van een fitnesstoestel in een sportschool. Bij het gebruik van het fitnesstoestel door de man is op enig moment de weerstand van de gewichten weggevallen. De man heeft een deelgeschilprocedure bij de rechtbank aanhangig gemaakt om de aansprakelijkheid van de sportschool voor het ongeval vast te laten stellen op grond van artikel 6:173 BW jo. artikel 6:181 lid 1 BW, dan wel artikel 6:162 BW. Bij beschikking heeft de deelgeschilrechter het verzoek afgewezen. De deelgeschilrechter heeft overwogen dat niet is gebleken dat de ‘seated leg curl’ gebrekkig was in de zin van artikel 6:173 BW jo. artikel 6:181 BW. Ook is niet gebleken dat de sportschool onzorgvuldig heeft gehandeld jegens de man in de zin van artikel 6:162 BW. De man verzoekt nu de rechtbank om terug te komen op de beslissing van de deelgeschilrechter. Ook verzoekt hij de rechtbank om verlof te verlenen om tussentijds hoger beroep in te stellen. De rechtbank wijst de vorderingen van de man af. De man heeft onvoldoende aangevoerd om tot de conclusie te komen dat de beslissing van de deelgeschilrechter berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. Daarom is de rechtbank gebonden aan de beslissing van de deelgeschilrechter. De rechtbank zal het verlofverzoek van de man om tussentijds hoger beroep in te stellen afwijzen nu met dit vonnis al een eindvonnis zal worden gewezen en hij in zoverre geen belang meer heeft bij tussentijds beroep. Daarvoor is van belang dat de man primair uitsluitend vordert dat de rechtbank terugkomt op de bindende eindbeslissing en een verklaring voor recht geeft dat de sportschool aansprakelijk is. Die vordering zal gelet op het voorgaande worden afgewezen. Er zijn verder door de man geen vorderingen ingesteld waarop de rechtbank in deze instantie nog een beslissing moet nemen. De in de deelgeschilbeschikking vervatte beslissingen zijn dan ook niet langer cruciaal en bepalend voor de afloop van deze bodemzaak.
Rechtbank Overijssel (Locatie Zwolle), 17-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0298

Een eigenaar van een eenmanszaak die werkzaamheden als opdrachtnemer verrichtte in opdracht van een ander bedrijf, is in 2020 op de bouwplaats ten val gekomen en heeft daarbij letsel opgelopen aan beide benen. In geschil is waar de opdrachtnemer is gevallen en of dit in de uitoefening van zijn werkzaamheden is gebeurd. Volgens de opdrachtnemer is hij tijdens hijswerkzaamheden vanaf de zolderverdieping op een plat dak gevallen en volgens de opdrachtgever is de opdrachtnemer vanaf een zeecontainer op de grond gevallen toen hij na werktijd een grap wilde uithalen. De kantonrechter heeft de opdrachtnemer opgedragen te bewijzen dat hij tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden van het dak van de te bouwen woning is gevallen. In het eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat de opdrachtnemer daarin is geslaagd. De opdrachtnemer heeft appel ingesteld tegen het tussenvonnis van de kantonrechter en de opdrachtgever heeft voorwaardelijk appel ingesteld. Het hof is van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat de opdrachtnemer, zoals hij stelt, op het plat dak van de aanbouw is gevallen terwijl hij bezig was met hand- en spandiensten voor de hijswerkzaamheden en hij dus schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. De vervolgvraag die beantwoord moet worden is of de opdrachtnemer deze werkzaamheden heeft verricht in de uitoefening van het bedrijf van de opdrachtgever. Ook dit is het geval. Het beroep op een uitzonderingssituatie slaagt niet. Aan het voorwaardelijke appel wordt niet toegekomen. De opdrachtgever is gehouden om de schade van de opdrachtnemer te vergoeden. Het hof bekrachtigt het eindvonnis.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 16-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0297

In 2021 heeft een voorval plaatsgevonden tussen twee mannen, waarbij de ene man de ander letsel heeft toegebracht. Het slachtoffer heeft hiervoor een medische behandeling moeten ondergaan. De ziektekostenverzekeraar heeft deze kosten vergoed en wil in deze procedure het bedrag van € 1.895,26 dat hij aan schade heeft vergoed verhalen op de andere man. De man betwist aansprakelijk te zijn voor de schade. De kantonrechter overweegt dat de strafrechter bewezen heeft verklaard dat de man het slachtoffer heeft gestoken met een mes in de romp. Het vonnis van de strafrechter is onherroepelijk. De man heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat dit bewezen verklaarde feit in déze procedure niet als vaststaand feit kan worden aangenomen. Noodweer kan niet worden aangenomen en er is ook geen sprake van een overmachtssituatie. De man heeft dus onrechtmatig gehandeld; wel is sprake van eigen schuld. De kantonrechter acht wel de rol van de man bij het ontstaan van de schade van het slachtoffer groter omdat de verdediging met een mes door de man in dit geval disproportioneel is. Het slachtoffer hoefde niet te verwachten dat hij als gevolg van zijn eigen handelen ernstig gewond zou raken en zelfs het leven zou kunnen laten door een messteek. De man had ook kunnen verwachten dat het slachtoffer als gevolg daarvan medisch behandeld zou moeten worden en daardoor schade zou lijden en heeft de aanmerkelijk kans op ernstiger letsel aanvaard. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben de aan het slachtoffer toe te rekenen omstandigheden voor 25% bijgedragen aan het ontstaan van de schade. De kantonrechter ziet dan ook reden 25% van de schade voor rekening van het slachtoffer te laten. De kantonrechter oordeelt verder dat de omstandigheid dat de man bedreigd werd door een aanzienlijk grotere groep, hij zich geïntimideerd voelde en het gevoel had dat hij geen kant meer op kon ervoor zorgt dat in dit geval tot een andere verdeling van de schade op grond van de billijkheidscorrectie wordt gekomen dan die op basis van de causaliteit. De kantonrechter komt gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden tot 50% aansprakelijkheid van de man voor het door het slachtoffer geleden schade.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 10-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0296

De eisende partij stelt dat de gedaagde partij hem in 2023 op een festival in Rotterdam zonder aanleiding geslagen heeft, waardoor hij ernstig tandletsel en andere schade heeft opgelopen. De gedaagde erkent dat hij heeft geslagen, maar voert aan dat hij zichzelf moest verdedigen (noodweer) omdat hij eerst door de eisende partij bij zijn nek werd gegrepen. De kantonrechter merkt op dat, gelet op de uitgebreide en onderbouwde betwisting van de gestelde noodweersituatie, van de gedaagde partij had mogen worden verwacht dat hij was ingegaan op de stelling dat het grijpen bij de nek door de eisende partij pas ruimschoots na de klap van de gedaagde partij heeft plaatsgevonden of dat hij zijn beroep op noodweer op andere wijze (beter) had onderbouwd. De gedaagde partij kan niet volstaan met het overleggen van een enkele verklaring en de genoemde foto’s. De foto’s van het gestelde letsel bieden net als een verklaring van een ander – in het licht van de betwisting van de eisende partij – onvoldoende steun voor het noodweerscenario van de gedaagde partij. Het gestelde letsel is hierop lastig te zien en kan bovendien ook goed passen bij de worsteling tijdens het tweede moment. Er is dus sprake van een aan de gedaagde partij toerekenbare onrechtmatige daad. De kantonrechter gaat de verschillende schadeposten langs. Het beroep van de gedaagde partij op eigen schuld slaagt niet. Uit de verwerping van het beroep op noodweer volgt dat niet is komen vast te staan dat de eisende partij de gedaagde partij eerst bij de nek heeft gegrepen of heeft geslagen. Dat betekent dat de toegewezen schade niet mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de schuld van de eisende partij is te wijten dan wel voor zijn risico komt.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 12-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0293

In 2017 liep een man tegen de glazen pui in een winkel. Hij liep als gevolg hiervan letsel op. De schadeverzekeraar van de eigenaar van de winkel heeft aansprakelijkheid voor dit voorval erkend. De man is door het UWV volledig arbeidsongeschikt verklaard. De man verzoekt nu om het benoemen van drie deskundigen om zijn letsel te beoordelen: een neuroloog, een neuropsycholoog en een psychiater. De verzekeraar kan zich vinden in het benoemen van een neuroloog en een neuropsycholoog. Zij stelt zich echter op het standpunt dat de neuropsycholoog het onderzoek moet verrichten als hulponderzoek binnen het kader van het onderzoek van de neuroloog. De verzekeraar verzet zich daarnaast tegen het hanteren van de Tromp/Elemans-vraagstelling voor de neuropsycholoog. Zij voert aan dat vraagtekens kunnen worden gezet bij de objectiviteit van de Tromp/Elemans-vraagstelling en dat deze tot op heden geen algemeen geaccepteerde/gestandaardiseerde vraagstelling binnen de juridische en medisch-juridische praktijk is. Nu het gebruik van deze vraagstelling afwijkt van hetgeen gebruikelijk is, zijn de resultaten aan interpretatiegevoeligheid onderhevig. De rechtbank noemt een deskundige. Partijen zijn het verder eens over het voorleggen van de IWMD-vraagstelling aan hem. De rechtbank zal de nieuwste versie van deze vraagstelling inclusief de optionele vraag daarom voorleggen aan de deskundige. De rechtbank overweegt dat in het kader van een voorlopig deskundigenbericht, de wet maar beperkt de ruimte geeft om het verzoek tot het benoemen van een neuropsycholoog af te wijzen. Het door de verzekeraar aangevoerde belang is onvoldoende gewichtig om het verzoek af te wijzen. Niettemin is op basis van het partijdebat wel gebleken dat partijen het gelet op de bruikbaarheid van de rapporten van de deskundigen en het tegengaan van tegenstrijdige conclusies, wenselijk vinden dat een zeker samenspel plaatsvindt tussen de neuroloog en neuropsycholoog, waarbij de deskundigen acht kunnen slaan op hetgeen de andere deskundige heeft vastgesteld. De rechtbank wil aan deze wens tegemoetkomen. De rechtbank zal daarom beslissen dat de deskundigen eerst ieder een eigen conceptrapportage zullen opstellen. De andere deskundige zal – indien de man geen gebruik maakt van zijn blokkeringsrecht – vervolgens de gelegenheid worden gegeven van die conceptrapportage kennis te nemen alvorens een definitieve rapportage op te stellen waarin – voor zover van belang – kan worden ingegaan op hetgeen de andere deskundige in zijn conceptrapportage heeft vastgesteld. De rechtbank benoemt verder dat de Expertgroep Personenschade van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK) de Tromp/Elemans-vraagstelling heeft voorgelegd aan de beroepsverenigingen voor neurologie en neuropsychologie (NVN/NIP). De reactie van deze verenigingen komt erop neer dat de vraagstelling niet bruikbaar is. Gelet op de bezwaren van de beroepsgroep, ziet de rechtbank aanleiding deze vraagstelling niet voor te leggen aan deskundige. De IMWD-vraagstelling zal dus ook aan de andere deskundige die door de rechtbank wordt benoemd worden voorgelegd.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Middelburg), 03-06-2026