Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.964 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0311

Ongeval waarbij minderjarig kind (ernstig) letsel heeft opgelopen. Tussen de verzekeraar en de ouders van het kind is een conflict dan wel impasse ontstaan over het schaderegelingstraject. De verzekeraar heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek tot een deelgeschil. De ouders voeren aan dat dit deelgeschil zich er niet voor leent de buitengerechtelijke afwikkeling van de letselschade te bevorderen. Dit verweer volgt de rechtbank niet. De ouders voeren verder aan dat de zaak zich niet leent voor een beperkte behandeling in deelgeschil. In dit verband wijzen de ouders erop dat de kern van het geschil niet alleen de schadeafwikkeling binnen het kader van de WAM is, maar ook het institutioneel en moreel falen van ASR. In dit deelgeschil kan de rechtbank niet beoordelen of de verwijten die de ouders de verzekeraar maken over de wijze waarop het dossier is behandeld terecht zijn. Dat staat echter niet in de weg aan de beoordeling van de verzoeken die de verzekeraar in dit deelgeschil doet. Er is namelijk geen sprake van een onlosmakelijke samenhang tussen de ongevalsgerelateerde schade en de wijze van institutionele behandeling van de zaak door de verzekeraar. Het meest verstrekkende standpunt van de verzekeraar is dat de rechtbank een bijzondere curator benoemt. De ouders zijn het daarmee niet eens. Zij voeren aan dat er geen sprake is van een tegenstrijdig belang tussen ouders en kind. Doordat de schadeafwikkeling in een impasse is geraakt lukt het de verzekeraar niet om het schadetraject weer op te pakken omdat de medewerking van de ouders nodig voor onder meer het verstrekken van inlichtingen en het inschakelen van deskundigen. Hoewel de rechtbank ziet dat de ouders daaraan tot op heden onvoldoende meewerken en dit de belangen van de minderjarige kan schaden, zal zij geen bijzondere curator benoemen. Dit vindt de rechtbank (vooralsnog) een te vergaande maatregel en (nog) niet noodzakelijk. De rechtbank benadrukt dat zij hun verwijten over het institutioneel en moreel falen van de verzekeraar zullen moeten scheiden van de stappen die moeten worden gezet om te komen tot een (reguliere) afwikkeling van de schade. De rechtbank oordeelt dat de ouders moeten meewerken aan het inschakelen van een zorgregisseur. Deze zorgregisseur mag door de ouders worden gekozen.
Rechtbank Noord-Holland, 12-11-2025

Rechtspraak

PS 2026-0310

Ongeval waarbij minderjarig kind (ernstig) letsel heeft opgelopen. Tussen de verzekeraar en de ouders van het kind is een conflict dan wel impasse ontstaan over het schaderegelingstraject. De verzekeraar heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek tot een deelgeschil. De ouders voeren aan dat dit deelgeschil zich er niet voor leent de buitengerechtelijke afwikkeling van de letselschade te bevorderen. Dit verweer volgt de rechtbank niet. De ouders voeren verder aan dat de zaak zich niet leent voor een beperkte behandeling in deelgeschil. In dit verband wijzen de ouders erop dat de kern van het geschil niet alleen de schadeafwikkeling binnen het kader van de WAM is, maar ook het institutioneel en moreel falen van ASR. In dit deelgeschil kan de rechtbank niet beoordelen of de verwijten die de ouders de verzekeraar maken over de wijze waarop het dossier is behandeld terecht zijn. Dat staat echter niet in de weg aan de beoordeling van de verzoeken die de verzekeraar in dit deelgeschil doet. Er is namelijk geen sprake van een onlosmakelijke samenhang tussen de ongevalsgerelateerde schade en de wijze van institutionele behandeling van de zaak door de verzekeraar. Het meest verstrekkende standpunt van de verzekeraar is dat de rechtbank een bijzondere curator benoemt. De ouders zijn het daarmee niet eens. Zij voeren aan dat er geen sprake is van een tegenstrijdig belang tussen ouders en kind. Doordat de schadeafwikkeling in een impasse is geraakt lukt het de verzekeraar niet om het schadetraject weer op te pakken omdat de medewerking van de ouders nodig voor onder meer het verstrekken van inlichtingen en het inschakelen van deskundigen. Hoewel de rechtbank ziet dat de ouders daaraan tot op heden onvoldoende meewerken en dit de belangen van de minderjarige kan schaden, zal zij geen bijzondere curator benoemen. Dit vindt de rechtbank (vooralsnog) een te vergaande maatregel en (nog) niet noodzakelijk. De rechtbank benadrukt dat zij hun verwijten over het institutioneel en moreel falen van de verzekeraar zullen moeten scheiden van de stappen die moeten worden gezet om te komen tot een (reguliere) afwikkeling van de schade. De rechtbank oordeelt dat de ouders moeten meewerken aan het inschakelen van een zorgregisseur. Deze zorgregisseur mag door de ouders worden gekozen.
Rechtbank Noord-Holland, 19-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0309

Partijen verschillen van mening over of er een oorzakelijk (csqn-)verband bestaat tussen een arbeidsongeval (verliezen linkerwijsvinger) uit 2020 en de val van een vlizotrap in de privésfeer in 2022 en, zo ja, of de nadelige gevolgen van die val op grond van artikel 6:98 BW toegerekend mogen worden aan het arbeidsongeval. De essentie van de stelling waarop de vrouw haar verzoeken heeft gebaseerd, is dat zij zonder het handletsel dat zij heeft opgelopen tijdens het eerste arbeidsongeval niet van de vlizotrap zou zijn gevallen. De kantonrechter vindt het echter niet voldoende waarschijnlijk dat zonder handletsel het tweede ongeval niet zou zijn gebeurd. Concrete aanknopingspunten om waarschijnlijk te kunnen achten dat de vrouw met een gezonde linkerhand haar val wel in voldoende mate had kunnen breken om letsel te voorkomen of aanzienlijk te beperken, ontbreken. De kantonrechter merkt de val van de vlizotrap aan als een zogenoemd huis-tuin-en-keukenongeluk dat valt binnen de risicosfeer van verzoekster. Het voorgaande betekent dat de kantonrechter van oordeel is dat de val van de trap niet in een csqn-verband staat met het eerste arbeidsongeval. Voor het aannemen van een vermoeden dat dit anders is, ziet de kantonrechter onvoldoende grond. Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de kantonrechter de kosten alleen begroten en de werkgever en de verzekeraar niet veroordelen tot betaling daarvan.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 15-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0305

Strafrecht. De verdachte wordt veroordeeld voor doodslag. Het slachtoffer heeft de verdachte, na telefonische bedreigingen over en weer, bij zijn woning opgezocht en heeft al schreeuwend op de voordeur van de verdachte staan bonken. De verdachte heeft vervolgens twee grote keukenmessen gepakt en is hiermee bewapend de confrontatie met het slachtoffer aangegaan. Tijdens het daaropvolgende gevecht heeft de verdachte het ongewapende slachtoffer meermalen gestoken, onder meer in zijn nek en bovenarm. De partner, moeder en de twee kinderen van het overleden slachtoffer hebben zich gevoegd als benadeelde partijen. De benadeelden partijen krijgen hun affectieschade vergoed conform het Besluit vergoeding affectieschade. Daarnaast krijgt de partner van het overleden slachtoffer € 15.000 aan shockschade vergoed. Bij haar is een hevige emotionele schok teweeggebracht door de directe visuele confrontatie met de directe gevolgen van de doodslag op haar partner, toen zij de televisiebeelden bekeek die voor het televisieprogramma Bureau Utrecht zijn gemaakt. Deze televisiebeelden bekeek zij, omdat zij wilde voorkomen dat het dode lichaam van haar partner herkenbaar op televisie te zien zou zijn. De rechtbank is, anders dan de advocaat, van oordeel dat onder deze omstandigheden niet van de benadeelde partij kon worden gevergd eventuele schokschade te voorkomen, door niet naar deze beelden te kijken. Uit de onderbouwing blijkt verder dat de benadeelde partij inmiddels geestelijke klachten heeft die passen bij een posttraumatische stressstoornis. De rechtbank realiseert zich dat niet vastgesteld kan worden in hoeverre dit geestelijk letsel bij de benadeelde partij is veroorzaakt door de doodslag zelf en het/de daardoor veroorzaakte leed, verdriet en angst (affectieschade), en in hoeverre dit geestelijk letsel is veroorzaakt door het bekijken van de televisiebeelden (schokschade). Dit staat er echter niet aan in de weg dat de rechtbank de door de benadeelde partij geleden schokschade schattenderwijs kan vaststellen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 30-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0304

Strafrecht. Moord op Saba op een brandweerman. De nabestaanden van het overleden slachtoffer vorderen schadevergoeding. Op de zitting heeft de advocaat van de familie de vordering tot schadevergoeding toegelicht, en aangevoerd dat de nabestaanden van het slachtoffer door het verlies immateriële schade hebben geleden. Voor het Gerecht staat buiten twijfel dat de moord op het slachtoffer de nabestaanden veel leed heeft berokkend. Het gewelddadige overlijden van een familielid brengt een diep verdriet en een groot gemis met zich mee. De vordering van de familie van het slachtoffer stuit echter op twee formeel strafrechtelijke bezwaren. Ten eerste is de vordering namens de familie als geheel ingediend. De wet biedt echter geen grondslag voor een dergelijke collectieve vordering. Ten tweede ziet de vordering feitelijk op vergoeding van affectieschade. Affectieschade is kort gezegd immateriële schade die bestaat uit het verdriet dat wordt veroorzaakt door het overlijden van een naaste als gevolg van een gebeurtenis waarvoor iemand anders aansprakelijk is. Juist in verband met situaties als deze is in Europees Nederland de mogelijkheid ingevoerd om affectieschade te vorderen. Die mogelijkheid bestaat op de BES echter (nog) niet. Waarom deze ongelijkheid tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland bestaat, is het Gerecht niet duidelijk, en is in de ogen van het Gerecht ook onwenselijk. Het Gerecht is bekend met de omstandigheid dat de wetgever bezig is ook op de BES toekenning van affectieschade mogelijk te maken, en het Gerecht hoopt dat de wetgever hiermee haast maakt. Maar het gaat de rechtsvormende taak van het Gerecht te buiten om in deze zaak, zonder wettelijke basis, affectieschade toe te kennen. Hoe zuur dit voor de nabestaanden ook is. Het Gerecht zal daarom de familie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding. Ook de partner van het slachtoffer, die aanwezig is geweest bij de moord op haar partner, kan geen affectieschade worden toegekend, op dezelfde grond als hiervoor overwogen. Wel krijgt zij USD 5.000 toegekend omdat de verdachte van een korte afstand op haar heeft geschoten, hetgeen naar zijn aard een zodanig ernstige normschending betreft dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen zonder dat hoeft vastgesteld te worden welke concrete gevolgen zij daarvan heeft ondervonden.
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 25-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0303

In 1997 is een man, werkzaam bij de vuilnisophaaldienst, beklemd geraakt tussen de hydraulische armlift en het veiligheidshek van de vuilniswagen. Hij heeft daardoor ernstig letsel opgelopen en is volledig arbeidsongeschikt geworden. Het college van B&W van de gemeente heeft aansprakelijkheid voor de letselschade erkend, heeft een aantal materiële schadeposten vergoed en de WAO-uitkering van de man aangevuld tot het niveau van zijn laatste salaris. In 2006 heeft een andere advocaat de zaak overgenomen. Deze advocaat heeft de man tot begin 2024 bijgestaan en toen zijn dossier overgedragen aan de accountant van de man. In 2024 hebben de nieuwe advocaten van de man de gemeente laten weten dat de schade van de man nog niet volledig is vergoed en dat de man zijn vordering tot vergoeding daarvan handhaaft. In 2025 heeft de gemeente de man laten weten dat zij nooit aansprakelijkheid heeft erkend voor de volledige schade, maar alleen voor de schadeposten die zijn en nog steeds worden vergoed. Volgens de gemeente zijn andere schadeposten verjaard en is de termijn daarvoor gaan lopen op 15 december 2003 of 9 december 2004. De advocaten van de man hebben de voormalige advocaat van de man aangesproken. Volgens de man is de voormalige advocaat aansprakelijk omdat hij zijn vordering heeft laten verjaren en hij niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan. Daarna is gebleken dat een brief van de voormalig advocaat van 11 november 2008 als stuitingshandeling kan worden gezien. De gemeente heeft vervolgens een beroep gedaan op verjaring van de vordering van de man per 11 november 2013. Op 17 juli 2025 heeft de rechtbank in een door de man gestarte kortgedingprocedure een ordemaatregel getroffen die inhoudt dat de voormalig advocaat € 55.500 aan de man betaalt onder de voorwaarde dat de man de vordering die hij op de gemeente heeft voor vergoeding van de andere schadeposten voor dat bedrag aan de voormalig advocaat cedeert. Aan de veroordelingen in de uitspraak in kort geding is voldaan. Daarna heeft de man de voormalig advocaat in een bodemprocedure betrokken. In incident vordert de voormalig advocaat dat de rechtbank de man en de gemeente veroordeelt tot afgifte of tot inzage in alle correspondentie. De vorderingen in incident tegen zowel de man als de gemeente worden gedeeltelijk toegewezen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 17-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0302

In 2022 heeft een aanrijding plaatsgevonden, waarbij een fietser is aangereden door een personenauto. Enkele dagen later heeft een belangenbehartiger zich namens de fietser bij de WAM-verzekeraar van de personenauto gemeld. Deze belangenbehartiger heeft de WAM-verzekeraar aansprakelijk gesteld voor de financiële gevolgen van de aanrijding. De verzekeraar heeft bij controle van de CIS-databank geconstateerd dat de fietser in de interne en externe verwijzingsregisters in totaal zeven keer werd vermeld. Twee van deze vermeldingen betroffen gevallen van misleiding van andere verzekeraars. De verzekeraar heeft besloten om een externe tactisch onderzoeker in te schakelen om een nader feitenonderzoek te doen. De verzekeraar heeft de fietser laten weten dat hij op grond van artikel 185 WVW aansprakelijkheid erkent met een schulddeling van 50% vanwege door de fietser gemaakte verkeersfouten en dat de vaststelling van de materiële schade en letselschade in behandeling was. Later heeft de verzekeraar de fietser onder meer bericht dat uit zijn onderzoek blijkt dat de fietser opzettelijk onjuiste informatie aan de verzekeraar heeft verstrekt en dat de fietser daarmee heeft gepoogd om de verzekeraar opzettelijk te misleiden. De verzekeraar vordert onder andere de door hem gemaakte onderzoekskosten, bestaand uit € 532 interne kosten en € 2.400 voor het inschakelen van een externe tactisch onderzoeker, van de fietser op grond van onrechtmatige daad. Het reeds aan de fietser betaalde voorschot van € 500 beschouwde de verzekeraar volgens zijn brief als slotbetaling voor de schade aan zijn fiets en smartengeld. De verzekeraar heeft bij de politie aangifte gedaan tegen de fietser. De fietser is strafrechtelijk vervolgd voor fraude, maar door de politierechter vrijgesproken omdat de ten laste gelegde feiten niet bewezen zijn verklaard. Bij de kantonrechter heeft de verzekeraar onder andere veroordeling van de fietser tot betaling van € 4.432 gevorderd. De kantonrechter heeft de vorderingen als niet weersproken toegewezen. In hoger beroep heeft de fietser alsnog verweer gevoerd. Het hof oordeelt dat de fietser onrechtmatig heeft gehandeld door opzettelijk onjuiste informatie aan de verzekeraar te verstrekken en gehouden is de kosten te vergoeden en al uitgekeerde vergoedingen terug te betalen. De grieven slagen niet. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 16-06-2026