Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.705 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0072

Deelgeschil over overlijdensschade. Twee minderjarige kinderen hebben hun ouders verloren bij een eenzijdig verkeersongeval in 2018 met een personenauto. Tot aan het overlijden van de ouders woonden de kinderen in Nederland. Sinds het overlijden van hun ouders wonen de kinderen bij hun grootouders, tevens hun voogden, en de bij hen wonende tante in het buitenland. De centrale vraag die beantwoord moet worden is of het door de kinderen gederfde levensonderhoud in natura moet worden begroot op basis van (bespaarde) kosten van professionele hulp in Nederland, zoals namens de kinderen is verzocht, of in het buitenland, zoals de verzekeraar, verwerende partij, verzoekt. De rechtbank komt tot beantwoording van deze vraag (r.o. 5.8-26) en oordeelt dat het gederfde levensonderhoud in natura moet worden begroot op basis van (bespaarde) kosten van professionele hulp in het buitenland, zolang de kinderen daar wonen. De omstandigheid dat naar redelijke verwachting de ouders met de kinderen in Nederland waren blijven wonen indien zij niet zouden zijn overleden, leidt niet tot een ander oordeel. Ook niet als wordt meegewogen dat de daarbij behorende levenstandaard uitgangspunt is voor de bepaling van de behoefte van de kinderen. Voor de compensatie van het gederfde levensonderhoud in natura is namelijk van belang dat de kinderen in dezelfde mate zorg en aandacht krijgen als wanneer de ouders niet zouden zijn overleden. Dat vertaalt zich in het aantal uren dat daaraan wordt besteed en dus moet worden vergoed. Het betalen van een hoger tarief voor ingehuurde of bespaarde professionele hulp dan gebruikelijk is voor professionele hulp in het land waar de kinderen wonen, draagt niet aan dat resultaat bij. Ook het belang van de kinderen bij het behoud van de mogelijkheid om voor hun meerderjarigheid in Nederland terug te keren, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de (bespaarde) kosten van professionele hulp van meet af aan op basis van Nederlandse tarieven moeten worden vergoed. Wel moet bij het begroten van de schade door gederfd levensonderhoud in natura rekening worden gehouden met de kans dat de kinderen in Nederland zullen terugkeren. Daarnaast zijn partijen verdeeld over de vraag of een bedrag van € 16.760,91 als buitengerechtelijke kosten door de verzekeraar van de personenauto moet worden vergoed. Tot slot is aan de orde de vraag of de verzekeraar bevrijdend aan haar verplichtingen kan voldoen door betaling op de derdengeldenrekening van het notariskantoor van de lasthebber van de voogden van de kinderen. De rechtbank oordeelt dat de verzekeraar een bedrag van € 14.337,60 aan buitengerechtelijke kosten moet vergoeden en dat de verzekeraar bevrijdend aan haar verplichtingen kan voldoen door betaling op de derdengeldenrekening van het notariskantoor van de lasthebber van de voogden van de kinderen.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 21-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0071

De ex-partner van de eisende partij heeft in 2016 hun 2-jarige dochter en daarna zichzelf verdronken in het Markermeer. De eisende partij vindt dat Veilig Thuis en de gemeente, die bij de begeleiding van het gezin betrokken waren, aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van de daad van zijn ex-partner. Volgens de man zijn Veilig Thuis en de gemeente namelijk in hun zorgplicht tekortgeschoten. De eiser leunt blijkens zijn stellingen zwaar op het negatieve oordeel in rapporten van de inspecties en de Wmo-toezichthouder over bepaalde facetten van het optreden van Veilig Thuis en de gemeente bij de zorg en ondersteuning aan het gezin. De rechtbank hecht voor de beoordeling van de civiele aansprakelijkheidsvraag echter geen doorslaggevende betekenis aan deze rapporten. Daarbij is van belang dat de onderzoeken van de Wmo-toezichthouder en de inspecties niet strekten tot beantwoording van de schuldaansprakelijkheidsvraag, maar erop gericht waren om te beoordelen of de zorgstructuur zoals de gemeente die had ingericht voldeed voor de kwetsbare inwoners respectievelijk om de werkwijze te verbeteren voor alle betrokken organisaties. De gegeven oordelen over het optreden van Veilig Thuis en de gemeente en de geformuleerde verbeterpunten in de rapporten leiden, anders dan de eiser kennelijk meent, niet zonder meer en een-op-een tot het oordeel dat Veilig Thuis en de gemeente onrechtmatig hebben gehandeld. Daarbij tekent de rechtbank nog aan dat het enkele feit dat Veilig Thuis en de gemeente verbetertrajecten hebben ingezet geen erkenning van civielrechtelijke aansprakelijkheid impliceert. De rechtbank overweegt dat Veilig Thuis alle meldingen – na haar veiligheidsbeoordeling en het uitvoeren van acties – doorgezet heeft naar de gemeente als hulpverlenende instantie. Desgevraagd heeft Veilig Thuis vanuit haar monitoringsrol een terugkoppeling ontvangen. Dat Veilig Thuis van de eiser te horen kreeg dat de gemeente vrijwel niets deed – wat daar ook van zij – maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat Veilig Thuis de casus met het oog op de veiligheid van de dochter had moeten terugnemen. Bij de gemeente lag de regie en uitvoering van de hulpverlening. De gemeente heeft aan Veilig Thuis bevestigd dat er zicht werd gehouden op de veiligheid, dat ondersteuning werd geboden in de vorm van hulp bij het opstellen van een veiligheids- en ouderschapsplan en dat er bij blijvende zorgen een melding bij de Raad voor de Kinderbescherming zou worden gedaan. Veilig Thuis mocht daar in redelijkheid op afgaan, gelet op de haar destijds toekomende bevoegdheden en in het licht van wat haar toen bekend was over de (fysieke) veiligheid van de dochter. Uit de overgelegde stukken blijkt namelijk een consistent beeld dat het meisje volgens verklaringen van de eiser, moeder en de betrokken hulpverleners in 2015 geen concreet gevaar liep. In dat licht is het betoog van de eiser dat hij steeds heeft aangegeven dat zijn dochter wél in gevaar was onvoldoende feitelijk onderbouwd. De rechtbank beoordeelt ook het handelen van de gemeente. De eiser en moeder waren welwillend en bereid om hulp te accepteren zodat de gemeente ervan mocht uitgaan dat er in het vrijwillig kader nog hulpverleningsmogelijkheden waren. Gelet op de Samenwerkingsafspraken Schakeloverleg heeft de gemeente dan ook in redelijkheid kunnen afzien van het indienen van een verzoek tot bespreking in het Schakeloverleg of tot het direct in kennis stellen van de Raad voor de Kinderbescherming. Van belang daarbij is dat de gemeente ermee bekend was dat moeder woonruimte en een baan had gevonden, taallessen volgde, een nieuwe relatie had en contact onderhield met de huisarts en een therapeut. Er waren toen geen concrete aanwijzingen die erop wezen dat moeder de dochter iets zou aandoen of dat de dochter concreet gevaar liep, naar aanleiding waarvan de gemeente actie had moeten ondernemen. Eiser heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om van het tegendeel uit te kunnen gaan. De rechtbank ziet hoe groot de emotionele uitwerking is die het trieste voorval en de nasleep ervan op de eisende partij hebben gehad. Er is echter geen sprake van een onrechtmatige daad omdat Veilig Thuis en de gemeente hun zorgplicht niet hebben geschonden. Zij zijn daarom niet schadeplichtig. De vorderingen van de eiser worden afgewezen.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 31-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0070

Eindarrest na tussenarrest. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. Het hof gaat ervan uit dat de appellant voor 2 januari 2009 bekend had kunnen zijn met de identiteit van de aansprakelijke partij. Dat betekent dat de verjaringstermijn van drie jaar vóór de stuitingshandeling op 2 januari 2012 was verstreken. In zoverre treft het hoger beroep van de appellant geen doel. Het hof heeft het in het vorige arrest overwogen dat de appellant het standpunt heeft ingenomen dat het beroep op verjaring van de wederpartij in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dan wel dat de wederpartij dit recht heeft verwerkt. Het hof heeft partijen gevraagd om met legal opinions inzake het toepasselijke Poolse recht hun standpunt hierover te onderbouwen en daarbij uitdrukkelijk de door het hof opgesomde omstandigheden die de appellant in dit kader heeft aangevoerd, te betrekken. Partijen zijn het er, onder verwijzing naar de op dit punt overeenstemmende legal opinions, over eens dat alleen wanneer naar Pools recht sprake is van misbruik van recht, een geslaagd beroep op verjaring kan worden afgewezen. Het hof is van oordeel dat geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die een geslaagd beroep op misbruik van recht rechtvaardigen. Het gaat hier weliswaar om een vordering tot vergoeding van personenschade, maar de redenen voor de vertraging bij het instellen van die vordering heeft de appellant niet althans onvoldoende duidelijk gemaakt. Sinds het ongeval zijn meer dan drie jaar verstreken tot de appellant op 2 januari 2012 de verjaring heeft gestuit. De medische situatie, zonder verdere toelichting, biedt hiervoor een onvoldoende verklaring. De omstandigheden die betrekking hebben op de periode nadat de verjaring was voltooid leiden, voor zover daar al betekenis aan toekomt bij de beoordeling van de vraag of naar Pools recht sprake is van misbruik van recht, niet tot een ander oordeel. Zoals namens de wederpartij is uiteengezet en door de appellant niet althans onvoldoende gemotiveerd is weersproken, geldt naar Pools recht dat de omstandigheid dat een verzekeraar, in een poging om in goede trouw tot een buitengerechtelijke oplossing te komen, mede ter voorkoming van een gerechtelijke procedure, met een benadeelde in onderhandeling is getreden terwijl diens vordering al is verjaard, niet maakt dat die vordering toch weer in rechte afdwingbaar zou worden. Ook dan resteert er naar Pools recht slechts de natuurlijke verbintenis. Het hof benadrukt dat het niet gaat om de vraag of sprake is van handelen ‘in strijd met de redelijkheid en billijkheid’ maar, zoals hiervoor is overwogen, om de vraag of het beroep op verjaring naar Pools recht misbruik van recht oplevert. Het hoger beroep slaagt niet.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 13-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0069

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting en een poging tot moord door een vrachtwagen van een transportbedrijf in brand te steken. In de vrachtwagen lag op dat moment de chauffeur te slapen. Hij heeft de brand ternauwernood overleefd, maar liep zeer ernstig en blijvend lichamelijk letsel op. Ongeveer 65% van zijn lichaam raakte verbrand. Hij verbleef langdurig op de intensive care, deels in coma, en zal door blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in armen en benen zijn leven lang ernstige beperkingen ondervinden in zijn dagelijks functioneren en kwaliteit van leven. De brand heeft niet alleen voor de vrachtwagenchauffeur zelf immense gevolgen (gehad) maar ook voor zijn naasten, die geconfronteerd werden met zijn grotendeels verbrande lichaam, er op enig moment zelfs rekening mee moesten houden afscheid van hem te moeten nemen en zich ook nu nog dagelijks moeten verhouden tot de nieuwe situatie van hun dierbare. De verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen poging moord, medeplegen van opzettelijke brandstichting, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Het slachtoffer, zijn partner, dochter, vader en zus hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Er is bij het slachtoffer sprake van blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in zijn armen en benen waardoor zijn ledematen zijn verzwakt. Hierdoor zal hij blijvend ernstige beperkingen ondervinden in het dagelijks leven en is hij aangewezen op intensieve verzorging en hulpmiddelen. Ook leeft het slachtoffer met chronische pijn. Er is sprake van een medische eindtoestand en er is geen verbetering meer te verwachten. Het hof twijfelt er dan ook niet aan dat de feiten naast het lichamelijk letsel ook grote invloed hebben op de psychische gesteldheid van benadeelde. Naar het oordeel van het hof liggen de nadelige gevolgen van deze feiten voor benadeelde zó voor de hand dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Alles overziend begroot het hof, gelet op de meervoudigheid van letsels en de samenloop van lichamelijk letsel en geobjectiveerd geestelijk letsel, de omvang van de immateriële schade net als de rechtbank op een bedrag van € 200.000. Aan de partner met wie het slachtoffer samenwoont en de dochter van het slachtoffer wordt het gevorderde bedrag van € 17.500 aan affectieschade toegewezen, mede gelet op het ernstige en blijvende letsel bij het slachtoffer. Voor de vader van het slachtoffer oordeelt het hof dat hij ook onder ‘naasten’ valt in de zin van artikel 6:107 lid 2 BW en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk. Tot slot oordeelt het hof dat de zus als secundair slachtoffer dient te worden aangemerkt. Het hof overweegt dat de zus kort na de brand door haar vader is geïnformeerd over wat haar broer was overkomen en hem vervolgens in het ziekenhuis heeft bezocht. Daar zag zij haar broer ernstig verbrand en beademd liggen, met zware verminkingen aan zijn lichaam en gezicht. Deze confrontatie heeft bij haar geleid tot hevige emotionele schokken, dagelijkse flashbacks en een duidelijke verslechtering van haar functioneren. Haar angststoornis en posttraumatische stressklachten zijn hierdoor toegenomen, hetgeen wordt ondersteund door een verklaring van haar psycholoog. Het hof stelt vast dat sprake is van shockschade en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk; € 5.000 meer dan door de rechtbank was toegewezen. Het hof beoordeelt voorts nog vorderingen (meestal van materiële aard) van een groot aantal andere benadeelde partijen, waarbij het hof soms tot een ander oordeel komt dan de rechtbank.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 20-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0068

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting en een poging tot moord door een vrachtwagen van een transportbedrijf in brand te steken. In de vrachtwagen lag op dat moment de chauffeur te slapen. Hij heeft de brand ternauwernood overleefd, maar liep zeer ernstig en blijvend lichamelijk letsel op. Ongeveer 65% van zijn lichaam raakte verbrand. Hij verbleef langdurig op de intensive care, deels in coma, en zal door blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in armen en benen zijn leven lang ernstige beperkingen ondervinden in zijn dagelijks functioneren en kwaliteit van leven. De brand heeft niet alleen voor de vrachtwagenchauffeur zelf immense gevolgen (gehad) maar ook voor zijn naasten, die geconfronteerd werden met zijn grotendeels verbrande lichaam, er op enig moment zelfs rekening mee moesten houden afscheid van hem te moeten nemen en zich ook nu nog dagelijks moeten verhouden tot de nieuwe situatie van hun dierbare. De verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen poging moord, medeplegen van opzettelijke brandstichting, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Het slachtoffer, zijn partner, dochter, vader en zus hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Er is bij het slachtoffer sprake van blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in zijn armen en benen waardoor zijn ledematen zijn verzwakt. Hierdoor zal hij blijvend ernstige beperkingen ondervinden in het dagelijks leven en is hij aangewezen op intensieve verzorging en hulpmiddelen. Ook leeft het slachtoffer met chronische pijn. Er is sprake van een medische eindtoestand en er is geen verbetering meer te verwachten. Het hof twijfelt er dan ook niet aan dat de feiten naast het lichamelijk letsel ook grote invloed hebben op de psychische gesteldheid van benadeelde. Naar het oordeel van het hof liggen de nadelige gevolgen van deze feiten voor benadeelde zó voor de hand dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Alles overziend begroot het hof, gelet op de meervoudigheid van letsels en de samenloop van lichamelijk letsel en geobjectiveerd geestelijk letsel, de omvang van de immateriële schade net als de rechtbank op een bedrag van € 200.000. Aan de partner met wie het slachtoffer samenwoont en de dochter van het slachtoffer wordt het gevorderde bedrag van € 17.500 aan affectieschade toegewezen, mede gelet op het ernstige en blijvende letsel bij het slachtoffer. Voor de vader van het slachtoffer oordeelt het hof dat hij ook onder ‘naasten’ valt in de zin van artikel 6:107 lid 2 BW en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk. Tot slot oordeelt het hof dat de zus als secundair slachtoffer dient te worden aangemerkt. Het hof overweegt dat de zus kort na de brand door haar vader is geïnformeerd over wat haar broer was overkomen en hem vervolgens in het ziekenhuis heeft bezocht. Daar zag zij haar broer ernstig verbrand en beademd liggen, met zware verminkingen aan zijn lichaam en gezicht. Deze confrontatie heeft bij haar geleid tot hevige emotionele schokken, dagelijkse flashbacks en een duidelijke verslechtering van haar functioneren. Haar angststoornis en posttraumatische stressklachten zijn hierdoor toegenomen, hetgeen wordt ondersteund door een verklaring van haar psycholoog. Het hof stelt vast dat sprake is van shockschade en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk; € 5.000 meer dan door de rechtbank was toegewezen. Het hof beoordeelt voorts nog vorderingen (meestal van materiële aard) van een groot aantal andere benadeelde partijen, waarbij het hof soms tot een ander oordeel komt dan de rechtbank.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 20-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0067

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting en een poging tot moord door een vrachtwagen van een transportbedrijf in brand te steken. In de vrachtwagen lag op dat moment de chauffeur te slapen. Hij heeft de brand ternauwernood overleefd, maar liep zeer ernstig en blijvend lichamelijk letsel op. Ongeveer 65% van zijn lichaam raakte verbrand. Hij verbleef langdurig op de intensive care, deels in coma, en zal door blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in armen en benen zijn leven lang ernstige beperkingen ondervinden in zijn dagelijks functioneren en kwaliteit van leven. De brand heeft niet alleen voor de vrachtwagenchauffeur zelf immense gevolgen (gehad) maar ook voor zijn naasten, die geconfronteerd werden met zijn grotendeels verbrande lichaam, er op enig moment zelfs rekening mee moesten houden afscheid van hem te moeten nemen en zich ook nu nog dagelijks moeten verhouden tot de nieuwe situatie van hun dierbare. De verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen poging moord, medeplegen van opzettelijke brandstichting, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Het slachtoffer, zijn partner, dochter, vader en zus hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Er is bij het slachtoffer sprake van blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in zijn armen en benen waardoor zijn ledematen zijn verzwakt. Hierdoor zal hij blijvend ernstige beperkingen ondervinden in het dagelijks leven en is hij aangewezen op intensieve verzorging en hulpmiddelen. Ook leeft het slachtoffer met chronische pijn. Er is sprake van een medische eindtoestand en er is geen verbetering meer te verwachten. Het hof twijfelt er dan ook niet aan dat de feiten naast het lichamelijk letsel ook grote invloed hebben op de psychische gesteldheid van benadeelde. Naar het oordeel van het hof liggen de nadelige gevolgen van deze feiten voor benadeelde zó voor de hand dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Alles overziend begroot het hof, gelet op de meervoudigheid van letsels en de samenloop van lichamelijk letsel en geobjectiveerd geestelijk letsel, de omvang van de immateriële schade net als de rechtbank op een bedrag van € 200.000. Aan de partner met wie het slachtoffer samenwoont en de dochter van het slachtoffer wordt het gevorderde bedrag van € 17.500 aan affectieschade toegewezen, mede gelet op het ernstige en blijvende letsel bij het slachtoffer. Voor de vader van het slachtoffer oordeelt het hof dat hij ook onder ‘naasten’ valt in de zin van artikel 6:107 lid 2 BW en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk. Tot slot oordeelt het hof dat de zus als secundair slachtoffer dient te worden aangemerkt. Het hof overweegt dat de zus kort na de brand door haar vader is geïnformeerd over wat haar broer was overkomen en hem vervolgens in het ziekenhuis heeft bezocht. Daar zag zij haar broer ernstig verbrand en beademd liggen, met zware verminkingen aan zijn lichaam en gezicht. Deze confrontatie heeft bij haar geleid tot hevige emotionele schokken, dagelijkse flashbacks en een duidelijke verslechtering van haar functioneren. Haar angststoornis en posttraumatische stressklachten zijn hierdoor toegenomen, hetgeen wordt ondersteund door een verklaring van haar psycholoog. Het hof stelt vast dat sprake is van shockschade en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk; € 5.000 meer dan door de rechtbank was toegewezen. Het hof beoordeelt voorts nog vorderingen (meestal van materiële aard) van een groot aantal andere benadeelde partijen, waarbij het hof soms tot een ander oordeel komt dan de rechtbank.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 20-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0066

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting en een poging tot moord door een vrachtwagen van een transportbedrijf in brand te steken. In de vrachtwagen lag op dat moment de chauffeur te slapen. Hij heeft de brand ternauwernood overleefd, maar liep zeer ernstig en blijvend lichamelijk letsel op. Ongeveer 65% van zijn lichaam raakte verbrand. Hij verbleef langdurig op de intensive care, deels in coma, en zal door blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in armen en benen zijn leven lang ernstige beperkingen ondervinden in zijn dagelijks functioneren en kwaliteit van leven. De brand heeft niet alleen voor de vrachtwagenchauffeur zelf immense gevolgen (gehad) maar ook voor zijn naasten, die geconfronteerd werden met zijn grotendeels verbrande lichaam, er op enig moment zelfs rekening mee moesten houden afscheid van hem te moeten nemen en zich ook nu nog dagelijks moeten verhouden tot de nieuwe situatie van hun dierbare. De verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen poging moord, medeplegen van opzettelijke brandstichting, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Het slachtoffer, zijn partner, dochter, vader en zus hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Er is bij het slachtoffer sprake van blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in zijn armen en benen waardoor zijn ledematen zijn verzwakt. Hierdoor zal hij blijvend ernstige beperkingen ondervinden in het dagelijks leven en is hij aangewezen op intensieve verzorging en hulpmiddelen. Ook leeft het slachtoffer met chronische pijn. Er is sprake van een medische eindtoestand en er is geen verbetering meer te verwachten. Het hof twijfelt er dan ook niet aan dat de feiten naast het lichamelijk letsel ook grote invloed hebben op de psychische gesteldheid van benadeelde. Naar het oordeel van het hof liggen de nadelige gevolgen van deze feiten voor benadeelde zó voor de hand dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Alles overziend begroot het hof, gelet op de meervoudigheid van letsels en de samenloop van lichamelijk letsel en geobjectiveerd geestelijk letsel, de omvang van de immateriële schade net als de rechtbank op een bedrag van € 200.000. Aan de partner met wie het slachtoffer samenwoont en de dochter van het slachtoffer wordt het gevorderde bedrag van € 17.500 aan affectieschade toegewezen, mede gelet op het ernstige en blijvende letsel bij het slachtoffer. Voor de vader van het slachtoffer oordeelt het hof dat hij ook onder ‘naasten’ valt in de zin van artikel 6:107 lid 2 BW en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk. Tot slot oordeelt het hof dat de zus als secundair slachtoffer dient te worden aangemerkt. Het hof overweegt dat de zus kort na de brand door haar vader is geïnformeerd over wat haar broer was overkomen en hem vervolgens in het ziekenhuis heeft bezocht. Daar zag zij haar broer ernstig verbrand en beademd liggen, met zware verminkingen aan zijn lichaam en gezicht. Deze confrontatie heeft bij haar geleid tot hevige emotionele schokken, dagelijkse flashbacks en een duidelijke verslechtering van haar functioneren. Haar angststoornis en posttraumatische stressklachten zijn hierdoor toegenomen, hetgeen wordt ondersteund door een verklaring van haar psycholoog. Het hof stelt vast dat sprake is van shockschade en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk; € 5.000 meer dan door de rechtbank was toegewezen. Het hof beoordeelt voorts nog vorderingen (meestal van materiële aard) van een groot aantal andere benadeelde partijen, waarbij het hof soms tot een ander oordeel komt dan de rechtbank.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 20-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0065

Verdachte en het slachtoffer waren compagnons in een bedrijf. Verdachte heeft zijn nietsvermoedende zakenpartner met voorbedachten rade en op brute wijze om het leven gebracht door hem eerst te slaan en vervolgens meerdere malen met een mes te steken, waarna het slachtoffer later in het ziekenhuis is overleden. Verdachte stelde te hebben gehandeld uit boosheid en gekrenktheid wegens vermeende verduistering en beschuldigingen van seksueel misbruik van zijn echtgenote. Het hof oordeelt dat sprake is van ontoelaatbare eigenrichting en dat verdachte door zijn handelen het fundamentele recht op leven heeft geschonden, waarmee hij zich schuldig heeft gemaakt aan moord. Door de moord op het slachtoffer heeft verdachte onbeschrijflijk en onherstelbaar leed toegebracht aan diens naasten, hetgeen indringend naar voren is gekomen in de slachtofferverklaringen. Het feit heeft daarnaast grote maatschappelijke schok veroorzaakt en vond plaats op de werkvloer, waar twee collega’s aanwezig waren. De collega’s zijn onvrijwillig getuige geweest van de moord, waarbij een van hen PTSS heeft ontwikkeld. De vrouw van het slachtoffer vordert naast materiële schade een bedrag van € 20.000 aan affectieschade en € 35.000 aan shockschade. Uit de stukken blijkt dat de vrouw kort na de aanval aanwezig was op de plaats delict en daar werd geconfronteerd met de gruwelijke situatie. In het ziekenhuis werd zij geconfronteerd met zijn levenloze en gehavende lichaam. Uit een verklaring van een psychosociaal therapeut volgt dat bij de vrouw sprake is van traumagerelateerde klachten en een persisterende complexe rouwstoornis, hetgeen een erkend psychiatrisch ziektebeeld vormt. Nu de verdediging de gevorderde shockschade niet heeft betwist, oordeelt het hof dat de vrouw als rechtstreeks gevolg van het handelen van verdachte immateriële schade in de vorm van shockschade heeft geleden en wijst het de vordering toe. De meerderjarige zoon van het slachtoffer vordert € 17.500 aan affectieschade en € 35.000 aan shockschade. De zoon van de overledene was aanwezig tijdens de steekpartij op het bedrijf. Hij sprak nog kort met de verdachte en zag vervolgens de paniek uitbreken. Hij hoorde dat zijn vader was neergestoken, zag hem naar de ambulance worden getild en reed achter de ambulance aan naar het ziekenhuis. Direct na het overlijden werd hij geconfronteerd met zijn overleden vader, met zichtbaar letsel en bloed. De volgende dag zag hij ook de plek op kantoor waar de steekpartij had plaatsgevonden inclusief de bloedsporen. Uit medische stukken blijkt dat de zoon een erkend psychiatrisch ziektebeeld heeft: ‘Andere gespecificeerde trauma- of stressor gerelateerde stoornis’ (DSM-5), en hij heeft één EMDR-behandeling gehad. Na zijn verzoek om geen verdere behandeling werd het dossier gesloten. De shockschade is niet betwist door de verdediging, maar deze vroeg om een matiging tot € 15.000. Gelet op de omstandigheden en vergelijkbare jurisprudentie stelt het hof de shockschade naar billijkheid vast op € 15.000. Voor het overige deel van de vordering verklaart het hof de zoon niet-ontvankelijk. Ten aanzien van de gevorderde shockschade door de broer van het slachtoffer en de twee zussen van de verdachte oordeelt het hof dat niet is voldaan is aan de vereisten voor shockschade en verklaart hen daarom niet-ontvankelijk ten aanzien van de gevorderde schade. Namens de minderjarige en de meerderjarige zonen van het slachtoffer is aangevoerd dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen van het strafbare feit voor benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Naar het oordeel van het hof ziet deze ‘uitzondering’ op het in artikel 6:106 sub b BW bepaalde echter op situaties waarin sprake is van uit de aard en ernst van de normschending volgende evidente nadelige gevolgen voor het slachtoffer van het misdrijf zelf. Zonder iets te willen afdoen aan het peilloze leed dat het overlijden van het slachtoffer als zodanig bij zijn nog jonge kinderen heeft veroorzaakt, constateert het hof dat zonder nadere onderbouwing op deze grond niet kan worden vastgesteld dat bij hen sprake is van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Uit de brief van de psychosociaal therapeut blijkt dat de meerderjarige zoon sinds juli 2024 behandeling krijgt voor trauma- en rouwgerelateerde klachten, gemiddeld eens per twee à drie weken. Hij ervaart angstklachten en verwerkt de situatie nog maar beperkt; volledige verwerking zal tijd kosten en een leven lang bij hem blijven. Het hof acht aannemelijk dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen en kent hem immateriële schade toe van € 10.000. Voor de minderjarige zoon geldt dat door zijn jonge leeftijd er nog geen behandeling gestart is en dat geestelijk letsel niet aannemelijk is gemaakt. Zonder nadere onderbouwing kan geen aantasting in de persoon worden vastgesteld. Zijn vordering tot immateriële schade kan daarom niet in dit strafproces worden toegewezen en moet bij de burgerlijke rechter worden ingediend. Het hof stelt vast dat de echtgenote, minderjarige dochter, minderjarige zoon, meerderjarige zoon, moeder en vader tot de kring van gerechtigden volgens artikel 6:108 BW behoren. Hun vorderingen zijn niet betwist en worden daarom toegewezen. De echtgenote, kinderen en de meerderjarige zoon volgen de bedragen uit het Besluit vergoeding affectieschade; de ouders ontvangen ieder € 17.500. De vorderingen van de broer en zussen van het slachtoffer worden afgewezen. Broers en zussen zijn in principe niet gerechtigd. Er zijn in dit geval geen uitzonderlijke omstandigheden die hen onder de restcategorie zouden laten vallen.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Zwolle), 16-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0063

Op 7 januari 2024 rond 1:40 uur heeft een ongeval plaatsgevonden tussen de bestuurder van een personenauto en de fatbiker. De fatbiker reed vanuit westelijke richting in oostelijke richting op het fietspad, terwijl de bestuurder in noordelijke richting reed. Beiden reden de kruising op en kwamen daar met elkaar in botsing, waarbij schade ontstond aan zowel de auto als de elektrische fiets. Aangezien de bestuurder als gemotoriseerde verkeersdeelnemer schadevergoeding vordert van de fatbiker als ongemotoriseerde verkeersdeelnemer moet de vordering van de bestuurder worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:162 BW en de reflexwerking van artikel 185 WVW. Vast staat dat ten tijde van het ongeval de bestuurder op een plek reed waar dat niet was toegestaan, er gold een inrijverbod. Ten tijde van het ongeval waren er ook geen verkeerslichten voor het autoverkeer op de kruising. Gelet op het ontbreken van een verkeerslicht voor motorvoertuigen geldt dat de bestuurder voorrang had moeten verlenen aan al het verkeer op de kruising. Door niet alleen het inrijverbod te negeren maar ook geen voorrang te verlenen aan de fatbiker heeft de bestuurder een ernstige verkeersfout gemaakt die in elk geval mede het ongeval heeft veroorzaakt. Hieruit volgt dat geen sprake is van overmacht aan de kant van de bestuurder en dat in elk geval een deel van de schade van voor zijn eigen rekening blijft. De bestuurder is er niet in geslaagd om bewijs te leveren dat de fatbiker door rood is gereden en dat er om die reden een andere causaliteitsverdeling dient te worden gemaakt. Daarnaast oordeelt de kantonrechter dat er sprake is van een schending van artikel 21 Rv. Ten eerste heeft de bestuurder in de dagvaarding verzwegen dat hij zelf een verkeersfout heeft gemaakt en hij heeft over de situatie ter plekke een onjuist beeld geschetst. Daarbij heeft de bestuurder, zoals hij op de zitting heeft toegegeven, ook de situatieschets gewijzigd door daar gegevens aan toe te voegen aan het formulier dat is opgemaakt tijdens de aanrijding. Daarnaast is kantonrechter is van oordeel dat de handtekening van de fatbiker op het aanrijdingsformulier, zoals de bestuurder dat heeft overgelegd, niet van de fatbiker afkomstig is. Gelet op de omvang en de ernst van de schendingen van de waarheidsplicht door de bestuurder, welke schendingen bovendien betrekking hebben op gegevens die essentieel zijn voor de beoordeling van het geschil, is de gevolgtrekking die de kantonrechter daaruit maakt dat de bestuurder niet wordt toegelaten tot bewijslevering van zijn stelling dat de fatbiker door rood is gefietst. De vordering van de bestuurder wordt afgewezen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 31-10-2025