Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.705 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0081

Kort geding. De benadeelden zijn slachtoffers van een ongeval waarbij zij letselschade hebben opgelopen. De verzekeraar van de partijen die aansprakelijk zijn heeft deze aansprakelijkheid erkend, waarna minnelijke schaderegelingstrajecten zijn gestart. De slachtoffers werden bij gestaan door twee belangenbehartigers die werkzaam waren bij het letselschadebureau. De verzekeraar heeft bij e-mail van 25 maart 2025 aan de belangenbehartiger bericht dat zij er niet van overtuigd is dat het letselschadebureau een deskundige en integere partij is en dat zij om die reden geen aanleiding ziet om terug te komen op haar besluit om tot 24 augustus 2031 niet met dit bureau samen te werken. De verzekeraar heeft er daarbij op gewezen dat zij bereid is haar standpunt te herzien als de verzekeraar vóór die datum kan aantonen dat zij wel een deskundige en integere partij is, bijvoorbeeld doordat haar medewerkers bij het NIVRE geregistreerd staan of aan haar het NKL is toegekend. De advocaat van het letselschadebureau en de benadeelden heeft de verzekeraar op 2 september 2025 gesommeerd om de minnelijke schaderegelingstrajecten van de benadeelden voort te zetten met het letselschadebureau als belangenbehartiger. De verzekeraar heeft aan die sommatie geen gehoor gegeven. De rechtbank oordeelt dat het een verzekeraar slechts vrijstaat om een belangenbehartiger te weigeren als zij daarvoor goede redenen heeft. Bij de beslissing om een belangenbehartiger te weigeren mag een verzekeraar ook betekenis toekennen aan het feit dat een belangenbehartiger ‘ongebonden’ is. Een belangenbehartiger die lid is van het NIVRE of het Nederlands Instituut van Schaderegelaars (NIS) of wiens kantoor is aangesloten bij het NKL of de Nederlandse Letselschade Experts (NLE), heeft zich geconformeerd aan de GBL, dient aan opleidingseisen te voldoen en is gebonden aan een externe klachtenregeling. Voor ongebonden belangenbehartigers geldt dit alles in beginsel niet. Verzekeraars kunnen hen dan ook niet aanspreken op in de branche geldende kwaliteits- of gedragsnormen of een klacht tegen hen indienen indien zij niet aan die normen voldoen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het letselschadebureau er op dit moment nog onvoldoende blijk van heeft gegeven dat zij een betrouwbare belangenbehartiger is en dat schaderegelingsprocessen waarin zij als belangenbehartiger optreedt goed verlopen. In de periode november 2023 tot 18 november 2024 zijn er verschillende maatregelen genomen tegen een ander letselschadebureau waarover de voorzieningenrechter oordeelt dat het letselschadebureau die door de verzekeraar thans wordt geweigerd feitelijk te beschouwen valt als een voortzetting daarvan. Daarnaast is het letselschadebureau pas relatief kort als letselschadebureau actief en zij heeft zich daardoor ook wat betreft het voldoen aan de vereisten van het Reglement NKL en de GBL nog onvoldoende bewezen. Niet alleen het ontbreken van het NKL, maar ook het feit dat de bij het bureau werkzame schaderegelaars (nog) niet bij het NIVRE staan geregistreerd rechtvaardigt op dit moment de weigering van de verzekeraar. Tot slot volgt de voorzieningenrechter het betoog van het letselschadebureau dat zij zich in een ‘catch-22’-positie bevindt niet. De voorzieningenrechter concludeert dat het belang van de benadeelden, om zich te kunnen laten bijstaan door de hun gekozen belangenbehartigers, minder zwaar weegt dan het belang van de verzekeraar om uitsluitend zaken te doen met belangenbehartigers die zich als betrouwbare belangenbehartigers hebben bewezen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 20-11-2025

Rechtspraak

PS 2026-0080

Op 20 mei 2015 fietste de vrouw een groep van vijf meisjes tegemoet die naar school reden. Op een gegeven moment was er bij het passeren contact tussen de vrouw en een van de meisjes, die destijds minderjarig was. De vrouw, de minderjarige en een ander meisje dat naast de minderjarige reed, zijn toen gevallen. De vrouw heeft als gevolg van deze val (letsel)schade opgelopen. Zij verzoekt in deze deelgeschilprocedure een verklaring voor recht dat de ouders van de minderjarige en/of de aansprakelijkheidsverzekeraar aansprakelijk is voor deze schade. De verzekeraar heeft op 16 april 2025 laten weten dat de vordering van de vrouw is verjaard. De vrouw betwist de verjaring ten opzichte van de veroorzaker van het ongeval en de verzekeraar (van de ouders van het meisje). De vrouw beroept zich op de directe actie uit artikel 7:954 BW en stelt dat er sprake is van duurstuiting ex artikel 7:942 lid 3 BW. Volgens de vrouw is de daarin vermelde verjaringstermijn van drie jaren in deze zaak gestuit. De eerste stuitingshandeling was de aansprakelijkstelling van 30 juli 2015. Vervolgens begon een (nieuwe) verjaringstermijn van drie jaren te lopen nadat de verzekeraar de aansprakelijkheid op 11 augustus 2015 had afgewezen. In de periode daarna is er nog onderhandeld over de vordering van de vrouw. De verzekeraar heeft echter tot 16 april 2025 geen ondubbelzinnige mededeling gedaan dat zij de onderhandelingen afbrak. Dit betekent volgens de vrouw dat de duurstuiting conform artikel 7:942 lid 3 BW tot 16 april 2025 voortduurde. De rechtbank overweegt dat op de vordering van de vrouw verschillende verjaringsregimes van toepassing zijn. De rechtbank oordeelt dat, anders dan de vrouw meent, het houden van een voorlopig getuigenverhoor op 2 maart 2017 waarbij de vrouw en de verzekeraar beide aanwezig waren, niet onder ‘onderhandeling’ (als stuitingshandeling) kan worden begrepen. Nergens blijkt uit de houding van de verzekeraar dat er in de periode tussen de afwijzing van aansprakelijkheid op 11 augustus 2015 en het najaar van 2017 sprake is geweest van een reactie die de indruk heeft gegeven dat zij een regeling van het fietsongeval overwoog. De verzekeraar heeft in een e-mail van 6 november 2017 ondubbelzinnig en in volstrekt afwijzende zin te kennen gegeven dat erkenning van aansprakelijkheid van de ouders op basis van de resultaten van het voorlopig getuigenverhoor niet aan de orde is. Er is ook niet gebleken van enige andere stuitingshandeling (‘onderhandeling’) waardoor de verjaringstermijn van drie jaar is gestuit en een situatie van duurstuiting zou moeten worden aangenomen. Dit betekent dat op grond van artikel 7:942 lid 1 BW het (beweerdelijke) vorderingsrecht van de vrouw op de verzekeraar in het kader van de directe actie al was verjaard in 2024. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de vrouw niet concreet en onderbouwd heeft aangevoerd dat zij enige stuitingshandelingen heeft verricht zodat kan worden aangenomen dat er geen sprake is van verjaring op grond van artikel 3:310 BW in de verhouding tot de ouders van de vermeende veroorzaakster. Het vorderingsrecht van de vrouw was op 18 oktober 2017, op het moment dat haar huidige advocaat zich met haar stuitingsbrief bij de verzekeraar meldde, al ruimschoots verjaard. Bovendien is niet komen vast te staan dat de minderjarige een (verkeers)fout heeft gemaakt die maakt dat haar ouders risicoaansprakelijk zijn voor de schade van de vrouw.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 16-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0079

Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van seksueel misbruik van zijn minderjarige stiefdochter, medeplegen van verkrachting van zijn stiefdochter, verkrachting en het verwerven en in bezit hebben van kinderporno. Hij krijgt een gevangenisstraf van acht jaar opgelegd. De dochter heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door de door de verdachte gepleegde strafbare feiten geestelijk letsel heeft opgelopen. Bij haar is PTSS vastgesteld. Zij heeft als gevolg van het bewezenverklaarde, dat in totaal ruim vier jaar heeft geduurd, al ruim 100 EMDR-therapiesessies bij een psycholoog gehad. Uit het behandelverloop en uit haar schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat ze veel last heeft van stressklachten, waaronder nachtmerries, paniek, slaapproblemen, dwanghandelingen en somberheidsklachten. Al voor het misbruik was aangeefster kwetsbaar. De sociaal-emotionele en relationele ontwikkeling van aangeefster is door het misbruik negatief beïnvloed. Haar complexe problematiek vraagt om specialistische hulp die is toegesneden op de problemen met gedrag, trauma en gehechtheid. Er is nog geen concrete inschatting te maken over het behandelverloop of wanneer de therapie kan worden beëindigd. De behandeling richt zich momenteel op het verminderen van stressklachten en het ondersteunen van haar in het verwerkingsproces. Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse Schaal’. De Rotterdamse Schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse Schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. In deze zaak is sprake van geestelijk letsel die, gelet op het verloop tot nu toe en de verwachting voor de toekomst, als ernstig (categorie b) kan worden aangemerkt. De rechtbank neemt de in die categorie genoemde bandbreedte van € 16.000 - € 41.000 tot uitgangspunt. In dit geval is sprake van een jong slachtoffer en is sprake van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van de verdachte. Gelet op die omstandigheden acht de rechtbank een vergoeding van € 40.000 aan immateriële schade passend. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de dochter daarom tot dat bedrag toe.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 28-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0077

Hoge Raad. Verkrachting van 16-jarig meisje (art. 242 (oud) Sr) na heimelijk toebrengen van GHB. De eerste klacht gaat over het schriftuur van de benadeelde partij. Kan een benadeelde partij zich met de vordering tot vergoeding van immateriële schade in het strafproces voegen zonder opgave van een concreet bedrag? De Hoge Raad oordeelt dat dit kan. Zo’n vordering strekt er dan toe dat de rechter de schade begroot. Ook in zo’n geval zal de benadeelde partij feiten en omstandigheden moeten stellen over manier waarop en mate waarin zij in de persoon is aangetast en over de gevolgen die zij van het strafbaar feit heeft ondervonden, om de rechter voldoende aanknopingspunten te bieden voor het naar billijkheid begroten van de immateriële schade. De rechter moet ervoor zorgen dat verdachte in voldoende mate in de gelegenheid is geweest zich over die feiten en omstandigheden uit te laten. De tweede klacht gaat over het opleggen van het hof van een schadevergoedingsmaatregel voor de door het slachtoffer geleden immateriële schade, nu het slachtoffer zich ter zake van die schade niet als benadeelde partij heeft gevoegd. Dit kan volgens de Hoge Raad, tenzij er aanwijzingen zijn dat het slachtoffer geen prijs stelt op een schadevergoeding. De derde klacht gaat eveneens over het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. Heeft het hof zijn beslissing voldoende gemotiveerd, nu uit de overwegingen niet kan worden afgeleid op basis van welke in artikel 6:106 BW vermelde grond en welke omstandigheden het hof zijn oordeel heeft gebaseerd dat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door het slachtoffer geleden immateriële schade? De Hoge Raad overweegt dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel en, voor zover de benadeelde partij zich met een vordering in het strafproces heeft gevoegd, toewijzing van de vordering benadeelde partij naast elkaar kan plaatsvinden. De rechter moet de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 359 lid 2 en 5 Sr motiveren. Dat betekent dat uit de motivering in ieder geval zal moeten blijken dat en in hoeverre de verdachte naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer aansprakelijk is voor de schade die door het strafbaar feit is toegebracht Als de benadeelde partij zich met een vordering in het strafproces heeft gevoegd, de rechter deze vordering toewijst en ook een schadevergoedingsmaatregel oplegt, zal de begrijpelijkheid van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in het algemeen volgen uit de motivering van de beslissing over de vordering van de benadeelde partij. Voor zover de rechter de schadevergoedingsmaatregel oplegt en niet ook de vordering van de benadeelde partij toewijst, omdat de benadeelde partij zich niet met vordering in strafproces heeft gevoegd of omdat er gronden zijn die in de weg staan aan toewijzing van die vordering die niet zien op materiële verschuldigdheid van die vordering, zal uit de beslissing moeten volgen waarom de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbaar feit is toegebracht. Daarbij is ook voor de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van belang dat het in beginsel aan het slachtoffer is om feiten en omstandigheden te stellen (en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen) waaruit de schade kan worden afgeleid. Hierbij kan ook het OM een rol spelen. Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is dus niet mogelijk als de rechter over onvoldoende gegevens beschikt om te kunnen vaststellen dat de verdachte jegens het slachtoffer aansprakelijk is voor de door het slachtoffer geleden schade, waaronder gegevens die bepalend zijn voor de aard en omvang van de geleden schade. Verder moet de rechter er ook bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor zorgen dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest zich over die feiten en omstandigheden uit te laten. Begrijpelijkheid van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is in zo’n geval mede afhankelijk van de manier waarop het debat over die schade is gevoerd en de stukken die in dat verband in het geding zijn gebracht.
Hoge Raad, 20-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0074

Deelgeschil. Een man heeft in 2015 zijn knie verdraaid toen hij een loopplank voor zijn woning in verband met rioleringswerkzaamheden betrad. Deze loopplank schoof daarbij weg. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de aannemer heeft aansprakelijkheid voor dit ongeval erkend. In verband met aanhoudende klachten aan zijn linkerknie onderging de man in 2016 een atroscopie. Per 1 juli 2016 hervatte de man zijn reguliere werkzaamheden als steigerbouwer. In 2017 deed de toenmalige schadebehandelaar van de man aan de aansprakelijkheidsverzekeraar een voorstel voor het regelen van de schade, maar de man heeft dat voorstel weer ingetrokken. Een afwikkeling van die schade tegen finale kwijting is tot op heden niet tot stand gekomen. In 2018 is de man een arbeidsongeval overkomen, waarbij hij een hematoom op zijn bovenbeen en gekneusde ribben opliep. Ook had hij klachten aan zijn linkerpols en -hand, zijn linkerknie, schouder en zijn rug. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de werkgever heeft aansprakelijkheid erkend. Na dit ongeval heeft de man zijn werkzaamheden niet meer hervat. Geen van beide verzekeraars hebben de taak van regelend verzekeraar op zich genomen. Beiden hebben al wel voorschotten betaald. De man verzoekt nu de rechtbank om onder andere voor recht te verklaren dat beide verzekeraars hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de (nader vast te stellen) door de man geleden en nog te lijden schade. De rechtbank oordeelt dat de huidige knieklachten van de man het gevolg van het tweede ongeval, maar ook het gevolg van het eerste ongeval kunnen zijn en dat die klachten ten minste het gevolg zijn van een van beide ongevallen. Daarmee is voldaan aan de vereisten voor toepassing van artikel 6:99 BW. Dit betekent dat de verzekeraars hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die het gevolg is van de huidige knieklachten. De verzekeraar van het eerste ongeval moet optreden als regelend verzekeraar.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 21-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0073

Deelgeschil. In 2020 is een motorrijder ten val gekomen door toedoen van een personenauto die hem geen voorrang verleende. Hierbij heeft de motorrijder onder andere een verbrijzelde linkerpols opgelopen. Ten tijde van het verkeersongeval werkte hij als zelfstandig schilder vanuit zijn eenmanszaak. Hij had geen pensioenvoorziening. De man heeft na het ongeval niet meer gewerkt als (zelfstandig) schilder, maar is sinds 3 april 2023 in loondienst werkzaam als materiaalbeheerder. Bij deze werkgever bouwt hij pensioen op. De WAM-verzekeraar van de personenauto heeft een expertisebureau verzocht de schade van de man te inventariseren. De man heeft een ander expertisebureau gevraagd de schade te berekenen die hij lijdt en nog zal lijden als gevolg van het verkeersongeval. Het is partijen niet gelukt buiten rechte overeenstemming te bereiken. De verzekeraar heeft tot op heden € 235.000 bevoorschot op de schade van de man. De verzekeraar is volgens de man ten onrechte niet bereid de schade te vergoeden uit hoofde van gemist inkomen uit fiscaal niet-verantwoorde (zwarte) werkzaamheden, een schadepost die volgens zijn expertisebureau bijna € 420.000 bedraagt. Voordeeltoerekening van het pensioen is volgens de man ook niet aan de orde, omdat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:100 BW. De verzekeraar betwist dat sprake is van verlies aan zwarte inkomsten althans de door de man gestelde omvang van de schadepost fiscaal niet-verantwoorde (zwarte) inkomsten. Voordeeltoerekening is volgens de verzekeraar wel degelijk op zijn plaats, omdat het opgebouwde pensioen een toekomstig voordeel oplevert wat de man niet zou hebben gehad indien het ongeval zich niet zou hebben voorgedaan (met gedeeltelijke aftrek van betaalde pensioenpremies, die daarop in mindering moeten worden gebracht). Ter zitting hebben partijen een regeling getroffen voor de gestelde schadepost verlies fiscaal niet-verantwoorde (zwarte) inkomsten. De rechtbank moet dus alleen ingaan op het geschil omtrent de voordeeltoerekening. De rechtbank overweegt dat pensioenopbouw kan worden beschouwd als een (soort) sommenverzekering. Het dient in ieder geval als uitgesteld inkomen voor later dat pas tot uitkering komt bij de pensioengerechtigde leeftijd en is niet bedoeld als compensatie voor huidig verlies aan verdienvermogen. De man lijdt echter nu al schade als gevolg van het verlies aan verdienvermogen en zou dubbel worden benadeeld indien tot verrekening wordt overgegaan. De omstandigheden, waar de verzekeraar desgevraagd ter zitting onvoldoende tegenover heeft gezet, pleiten tegen verrekening en maken dat de rechtbank, alles in onderling verband en samenhang bezien, tot de conclusie komt dat voordeeltoerekening van het opgebouwde pensioen geen recht doet aan de situatie.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 27-11-2025