Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van seksueel misbruik van zijn minderjarige stiefdochter, medeplegen van verkrachting van zijn stiefdochter, verkrachting en het verwerven en in bezit hebben van kinderporno. Hij krijgt een gevangenisstraf van acht jaar opgelegd. De dochter heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door de door de verdachte gepleegde strafbare feiten geestelijk letsel heeft opgelopen. Bij haar is PTSS vastgesteld. Zij heeft als gevolg van het bewezenverklaarde, dat in totaal ruim vier jaar heeft geduurd, al ruim 100 EMDR-therapiesessies bij een psycholoog gehad. Uit het behandelverloop en uit haar schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat ze veel last heeft van stressklachten, waaronder nachtmerries, paniek, slaapproblemen, dwanghandelingen en somberheidsklachten. Al voor het misbruik was aangeefster kwetsbaar. De sociaal-emotionele en relationele ontwikkeling van aangeefster is door het misbruik negatief beïnvloed. Haar complexe problematiek vraagt om specialistische hulp die is toegesneden op de problemen met gedrag, trauma en gehechtheid. Er is nog geen concrete inschatting te maken over het behandelverloop of wanneer de therapie kan worden beëindigd. De behandeling richt zich momenteel op het verminderen van stressklachten en het ondersteunen van haar in het verwerkingsproces. Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse Schaal’. De Rotterdamse Schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse Schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. In deze zaak is sprake van geestelijk letsel die, gelet op het verloop tot nu toe en de verwachting voor de toekomst, als ernstig (categorie b) kan worden aangemerkt. De rechtbank neemt de in die categorie genoemde bandbreedte van € 16.000 - € 41.000 tot uitgangspunt. In dit geval is sprake van een jong slachtoffer en is sprake van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van de verdachte. Gelet op die omstandigheden acht de rechtbank een vergoeding van € 40.000 aan immateriële schade passend. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de dochter daarom tot dat bedrag toe.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 28-01-2026