Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.964 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0350

Deze letselschadezaak gaat over de gevolgen van een ongeval dat een man op 6 november 2018 is overkomen. Er is sprake van een chronisch pijnsyndroom na een whiplashmechanisme. De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid erkend maar betwist de omvang van de schade. Bij tussenvonnis van 27 november 2024 heeft de rechtbank een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige benoemd om de beperkingen (ten gevolge van de ongevalsgerelateerde klachten) in kaart te brengen om de omvang van de schade te kunnen vaststellen. Partijen hebben geen inhoudelijke bezwaren geuit tegen deze bevindingen en conclusies, zodat de rechtbank deze zal volgen. De rechtbank neemt daarbij tot uitgangspunt dat de FML de situatie weergeeft zoals die zich vanaf 10 mei 2023 heeft voorgedaan. Op 10 mei 2023 heeft de psychiater zijn tweede onderzoek verricht en heeft hij op grond van dat onderzoek geconcludeerd dat de in 2020 vastgestelde aanpassingsstoornis in 2023 niet langer aan de orde is. Vanaf 10 mei 2023 kan daarom een wijziging in de medische situatie worden vastgesteld. De verzekeringsarts haalt ook aan dat sinds 2023 sprake is van afname van klachten. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank ervan uitgaat dat de man vanaf 10 mei 2023 niet als arbeidsongeschikt heeft te gelden voor werk en huishoudelijke taken en dat de jaarschade voor uitval van zelfwerkzaamheid zal worden vastgesteld op € 87,15 per jaar. De rechtbank stelt vast dat in de periode van november 2018 tot 10 mei 2023 geen FML is opgesteld. De man heeft bij akte verzocht de verzekeringsarts een tweede FML te laten opstellen. De verzekeraar heeft daar bezwaar tegen gemaakt. Uit de medische rapportages volgt dat de man vóór 10 mei 2023 klachten had waaruit beperkingen voortvloeiden. De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid zich bij akte uit te laten over het voornemen een tweede FML op te laten stellen en de arbeidsongeschiktheid voor de periode van 6 november 2018 tot 10 mei 2023 te laten beoordelen.
Rechtbank Overijssel (Locatie Zwolle), 22-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0349

Een laborante stelt dat zij in 2014 en in 2017 in de uitoefening van haar werkzaamheden letsel heeft opgelopen. Hierbij zijn schouderklachten ontstaan dan wel verergerd, met blijvend letsel (gedeeltelijke supraspinatus ruptuur in 2014 en een volledige supraspinatus ruptuur in 2017) tot gevolg. Zij stelt dat haar werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de als gevolg van de ongevallen geleden en nog te lijden schade omdat de werkgever zijn zorgplicht heeft geschonden. De vrouw stelt dat zij bij beide ongevallen boven haar macht moest tillen en niet of onvoldoende werd bijgestaan door een andere laborant. Ook waren er volgens haar onvoldoende hulpmiddelen aanwezig en hield de werkgever onvoldoende toezicht op de naleving van de verplichting om hulpmiddelen te gebruiken. De werkgever en zijn aansprakelijkheidsverzekeraar voeren verweer. Primair wordt betwist dat de vrouw schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden. Subsidiair stellen zij dat van een zorgplichtschending geen sprake is geweest. Voor zover van een zorgplichtschending wel sprake is geweest, stellen zij dat aannemelijk is dat de pre-existente klachten en de mogelijke oorzaken gelegen in de privésfeer van de vrouw zo overheersend zijn, dat eventuele aansprakelijkheid op grond van artikel 6:101 BW komt te vervallen. De kantonrechter is van oordeel dat de werkgever niet aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW. Hoewel naar zijn oordeel voldoende vaststaat dat de vrouw (enige) schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden, is namelijk onvoldoende gebleken dat de werkgever de op hem rustende zorgplicht heeft geschonden. In de gegeven omstandigheden heeft de werkgever alle maatregelen genomen die redelijkerwijs van hem verwacht mochten worden. De vorderingen van de vrouw worden afgewezen.
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 31-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0348

Deelgeschil. In 2025 is een fietser ten val gekomen toen hij schrok en hard moest remmen door het plotselinge oversteken van een niet-aangelijnde hond. Hierdoor heeft de man letsel opgelopen. De rechtbank overweegt dat uit de WhatsAppberichten tussen partijen blijkt dat de eigen, onberekenbare gedraging van de hond, namelijk het plotselinge oversteken van het fietspad, direct heeft geleid tot de val van de man. De vrouw, als eigenares van de hond, draagt hiervan het risico. Dat er geen daadwerkelijk contact is geweest tussen de fietser en de hond doet daaraan niets af. Op grond van vaste rechtspraak is het in een deelgeschilprocedure niet noodzakelijk dat duidelijk wordt wat de exacte plaats van het ongeval is, de snelheid waarmee de man fietste en de staat van (de remmen van) de fiets van de man. De door de man verzochte verklaring voor recht wordt toegewezen. De rechtbank constateert dat partijen op het punt van eigen schuld diametraal tegenover elkaar staan. Voor het beroep op eigen schuld is gelet op deze tegenstrijdige standpunten nadere bewijslevering nodig. Voor nadere bewijslevering is echter geen plaats, omdat dit buiten het bestek van de deelgeschilprocedure valt. Tegen deze achtergrond wordt het tegenverzoek van de vrouw afgewezen. Wel geeft de rechtbank partijen mee dat zij in het verdere onderhandelingstraject kunnen proberen (ook) op dit punt overeenstemming te bereiken of, zo nodig, daarover te procederen in een bodemprocedure, waarin wel ruimte is voor nadere bewijslevering. Nu op dit moment nog volstrekt onduidelijk is of er sprake is van eigen schuld aan de zijde van de fietser en, zo ja, in welke mate, is het niet aangewezen om op voorhand al een voorschot op de door hem geleden schade vast te stellen en de vrouw te veroordelen tot betaling daarvan. Om die reden wordt het door de fietser verzochte voorschot op de schade van € 15.000 afgewezen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 23-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0347

Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer met een hamer tegen het gezicht of hoofd te slaan. Het slachtoffer heeft zeer fors letsel opgelopen. Het hof gaat bij het bepalen van het smartengeld concreet uit van de Rotterdamse schaal (RS) en heeft acht geslagen op de Aanbevelingen van de rechtspraak. Aangezien er bij het slachtoffer sprake is van meervoudig letsel, wordt conform voornoemde Aanbeveling 5 eerst uitgegaan van het zwaarste letsel, dat volledig meetelt, waarna het in ernst tweede letsel voor 50% meetelt. Als zwaarste letsel neemt het hof in aanmerking dat de benadeelde partij lijdt aan hersenletsel. Dit valt in de RS als middelzwaar hersenletsel waarin een bandbreedte van € 105.000 tot € 150.000 wordt genoemd. Er zijn daarnaast ook elementen aan te wijzen die vallen onder ernstig hersenletsel te weten dat de benadeelde partij sterk afhankelijk is van anderen en sprake is van een duidelijke aantasting in het intellect en de persoonlijkheid. In deze categorie wordt een bandbreedte van € 150.000 tot € 195.000 genoemd. Omdat bij de benadeelde partij sprake is van elementen uit beide categorieën, zal het hof hiervan het gemiddelde nemen en de schade naar billijkheid bepalen op € 172.500. Als tweede letsel in ernst neemt het hof in aanmerking dat de benadeelde partij een Le Fort-fractuur heeft opgelopen. Hierin ziet het hof aanleiding om, gelet op het bepaalde in de RS, een bedrag van € 25.000 als uitgangspunt te nemen. Tot slot ziet het hof aanleiding om, vanwege de uiterst verwijtbare gedragingen van de verdachte, een opslag van 25% toe te passen. Het voorgaande resulteert in een bedrag van € 231.250. Nu daarnaast bij het slachtoffer sprake is van diverse andere letsels, acht het hof het gehele door het slachtoffer gevorderde bedrag van € 234.733 billijk.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 29-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0346

Een vrouw heeft tijdens het trainen met haar personal trainer een dumbbell op haar gezicht en borst gekregen waardoor zij ernstig letsel heeft opgelopen. Aansprakelijkheid is door (de verzekeraar van) de sportschool erkend. In deze procedure is (alleen) de vraag aan de orde of sprake is van eigen schuld van de vrouw in de zin van artikel 6:101 BW. De sportschool stelt zich op het standpunt dat het ongeval het gevolg is van de eigen fout van de vrouw (eigen schuld) en de schadevergoedingsplicht van de sportschool daardoor is beperkt tot 50%. De rechtbank is het met de sportschool eens dat de vrouw eigen schuld heeft aan het ongeval. De rechtbank is daarom van oordeel dat de omstandigheid dat de vrouw door haar handelen zelf heeft bijgedragen aan haar letsel reden is om de schadevergoedingsplicht van de sportschool te verminderen op grond van artikel 6:101 lid 1 BW. De rechtbank acht de beperking van de schadevergoedingsplicht tot 50% niet onredelijk. De vrouw heeft zich nog op het standpunt gesteld dat, voor zover de rechtbank tot het oordeel komt dat sprake is van enige mate van eigen schuld, de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 lid 1 BW meebrengt dat geen vermindering van de schadevergoedingsplicht kan plaatsvinden. De vrouw heeft het beroep op de billijkheidscorrectie onvoldoende onderbouwd. De rechtbank wijkt af van het uitgangspunt dat eigen schuld ook wordt toegepast op de kosten van het deelgeschil nu het percentage eigen schuld nu juist inzet van deze procedure is. De kosten dienen volledig vergoed te worden door de sportschool.
Rechtbank Gelderland (Locatie Zutphen), 09-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0343

Een verzekeraar weigert om verder nog letselschadezaken af te handelen met drie letselschadebureaus en hun bestuurders met wie zij geen zaken meer wil doen. Het hof is van oordeel dat de verzekeraar de samenwerking met de letselschadebureaus met goede redenen heeft kunnen opzeggen. In beroep wordt – omwille van het beoordelen van de vordering tot proceskostenveroordeling – ook een oordeel gegeven over de door de verzekeraar opgenomen registraties in verschillende interne en externe registers. Het voorlopige oordeel van hof is dat door de verzekeraar onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat voor het registreren in het Incidentenregister en het EVR aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. Het ontbreken van kwaliteit in de belangenbehartiging is onvoldoende en niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van zodanige feiten en omstandigheden dat zij als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaringen in de zin van artikel 350 Sv kunnen dragen, dan wel een zwaardere verdenking van een vermoeden van schuld kunnen opleveren. De opname van de in deze procedure betrokken letselschadeondernemingen in de Gebeurtenissenadministratie en het IVR kunnen volgens het hof wel in stand blijven. Dat geldt niet voor de twee in de procedure betrokken natuurlijke personen. Deze registraties voldoen niet aan de daarvoor geldende voorwaarden. Het hof gebiedt de verzekeraar om deze registraties binnen drie dagen na het wijzen van het arrest te verwijderen en verwijderd te houden.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0342

Een destijds 17-jarig meisje heeft zelfmoord gepleegd. Het meisje heeft voor haar dood regelmatig contact gehad met haar huisartsenpraktijk. De gemeente heeft het overlijden van het meisje als calamiteit gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. De inspectie heeft haar bevindingen neergelegd in een onderzoekrapport. Hierin wordt geconcludeerd dat de zorg en ondersteuning aan het meisje gedeeltelijk passend was. De vader verzoekt de rechtbank om de huisartsenpraktijk te bevelen een kopie van het medisch dossier van zijn dochter af te geven voor zover dat in verband staat met de zelfdoding en/of de psychische gesteldheid van zijn dochter. Daarnaast verzoekt hij de rechtbank om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten. De rechtbank stelt voorop dat het overlijden van het meisje een uiterst verdrietige gebeurtenis is, die vanzelfsprekend een grote weerslag heeft op de vader en de andere nabestaanden. Vanuit menselijk oogpunt valt alleszins te begrijpen dat de nabestaanden van het meisje op zoek zijn naar antwoorden. Ook anderen die bij het meisje betrokken waren, zijn door haar zelfdoding geraakt. Dit laat echter onverlet dat het verzoek van de vader tot afgifte van de gegevens van zijn dochter langs een juridische lat moet worden gelegd. De rechtbank overweegt dat er twijfel is of de huisartsenpraktijk de zorg aan het meisje naar behoren heeft verleend. Aan de hand van het dossier kan inzichtelijk worden welke signalen wanneer en met wie zijn gedeeld en op welke wijze de huisartsenpraktijk daarmee vervolgens is omgegaan. De vader heeft aannemelijk gemaakt dat hij een zwaarwegend belang heeft bij inzage in het medisch dossier van zijn dochter. Het inzageverzoek wordt toegewezen op grond van artikel 7:458a lid 1 sub c BW. De rechtbank volgt het standpunt van de huisartsenpraktijk niet dat de enige wettelijke toegestane route inzage is door een onafhankelijke arts ex artikel 7:458b BW. Deze regeling biedt de verzoekende partij een extra voorziening, maar de verzoekende partij wordt niet verplicht om van deze voorziening gebruik te maken. Dat de vader deze weg niet heeft bewandeld staat niet in de weg aan toewijzing van het inzageverzoek. Het feit dat de dochter tijdens haar leven niet wilde dat haar ouders werden geïnformeerd over haar medische situatie zorgt er ook niet voor dat het inzageverzoek moet worden afgewezen. De dochter heeft niet uitdrukkelijk uitgesproken dat zij niet wenste dat haar ouders te allen tijde, en specifiek na haar overlijden, inzage in of afschrift van gegevens uit haar medisch dossier zouden krijgen en dat deze wens elektronisch of schriftelijk is vastgelegd. Ook het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen. Het verzoek voldoet aan de daarvoor geldende vereisten. De vader heeft bij zijn verzoek een in rechte te respecteren belang en de verweren van de huisartsenpraktijk bieden op zichzelf en in onderlinge samenhang onvoldoende grond om het verzoek af te wijzen.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 12-06-2026