Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.964 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0360

Deelgeschil. In 2022 is een automobilist aangereden toen hij met zijn auto stilstond voor een rood verkeerslicht. De WAM-verzekeraar van de andere auto heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. De automobilist stelt dat hij als gevolg van het ongeval blijvende fysieke en mentale klachten heeft ontwikkeld, onder meer bestaande uit hoofdpijn, nekpijn, rugpijn en herbelevingen. Partijen zijn in het kader van de schadeafwikkeling in onderhandeling geweest over de noodzaak van het laten verrichten van een neurologische en neuropsychologische expertise. De WAM-verzekeraar stelt zich op het standpunt dat bij een neurologische expertise de IWMD-vraagstelling uit 2025 moet worden gehanteerd. De automobilist wil dat de oude IWMD-vraagstelling wordt gehanteerd. De rechtbank overweegt dat de nieuwe vraagstelling tot stand is gekomen onder leiding van De Letselschade Raad, een onafhankelijke organisatie, waarin alle partijen vertegenwoordigd zijn die bij de behandeling van letselschadezaken betrokken zijn. De Letselschade Raad is daarbij niet over één nacht ijs gegaan. Integendeel, de nieuwe vraagstelling is tot stand gekomen na een intensief proces van zes jaar, waarin de vorige versie van de vraagstelling is geëvalueerd en vervolgens is gereviseerd. Die evaluatie heeft branchebreed plaatsgevonden. Daar komt nog bij dat de nieuwe vraagstelling aansluit bij de NVMSR Richtlijn voor medisch specialistische rapportage in bestuurs- en civielrechtelijk verband 2024. Naar verwachting van De Letselschade Raad is de nieuwe vraagstelling daarmee beter afgestemd op de wensen en behoeften van zowel medici als juristen werkend binnen het medisch traject bij letselschadezaken. Gelet op dit alles geldt als uitgangspunt dat vanaf 1 november 2025 de nieuwe IWMD-vraagstelling wordt toegepast. Er bestaat geen aanleiding om daar in dit specifieke geval van af te wijken.
Rechtbank Gelderland (Locatie Zutphen), 01-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0359

Deelgeschil. In 1997 heeft een bloedonderzoek (vanwege aanwezige hemofilie) bij een man geleid tot een positieve hepatitis C-uitslag. Deze uitslag is vervolgens niet gedeeld met de man of zijn huisarts, ook niet toen hij in 2002 op consult is geweest bij de polikliniek hematologie. In 2006 is deze diagnose opnieuw in het dossier opgemerkt. De betrokken hematoloog heeft de man daarom per telefoon proberen te bereiken en hem per brief laten oproepen voor een consult op de polikliniek. Voor zover de man deze brief heeft ontvangen, heeft hij aan deze oproep geen gehoor gegeven. In 2023 is bij hem de diagnose leverkanker gesteld. Thans is de man uitbehandeld. Bij het indienen van zijn verzoekschrift had hij nog een levensverwachting van naar schatting zes tot twaalf maanden. Een door beide partijen benoemde deskundige acht de kans erg groot dat als de man in de tijdsperiode gelegen tussen 1997 en 2016 zou zijn behandeld voor de hepatitis C-infectie, hij daarvan genezen zou zijn. Het ziekenhuis heeft aansprakelijkheid erkend en heeft in totaal een bedrag van € 160.000 aan voorschotten betaald, alsmede een bedrag van € 26.524,74 aan buitengerechtelijke kosten. De man vordert nu nog aanvullend € 125.000. Dit bedrag moet volgens de man worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 januari 1997, omdat dit het moment was dat de normschending plaatsvond. De rechtbank overweegt dat het verwijt ernstig is. In de zaak zijn meerdere momenten aan te wijzen dat het ziekenhuis nalatig is geweest de man in kennis te stellen van de uitslag. De rechtbank ziet geen aanleiding om bij de vaststelling van de hoogte van het smartengeld rekening te houden met het feit dat de man in de periode tot 2015 zou zijn behandeld met medicatie met bijwerkingen. Dat compenseert immers niet het leed dat hij moet doorstaan als gevolg van het feit dat hij in 2023 leverkanker heeft ontwikkeld, met de gevolgen van dien die de smartengeldvergoeding billijken. Bovendien is hem daarmee ook de kans ontnomen om met behulp van deze mediatie te genezen. De rechtbank slaat acht op vergelijkbare zaken en de Rotterdamse schaal. De rechtbank acht toepassing van de zwaarste categorie, namelijk ‘dodelijke verwondingen’ het meest passend, nu de normschending door het ziekenhuis met het ontstaan van het carcinoom uiteindelijk tot dodelijk letsel heeft geleid. Ten aanzien van het prijspeil en de wettelijke rente gaat de rechtbank uit van 1 januari 2023 als ‘peildatum’. Het ziekenhuis heeft immers onweersproken gesteld dat op dat moment het carcinoom is ontstaan, wat heeft geleid tot de fysieke en psychische klachten die de smartengeldvergoeding billijken. Weliswaar ligt de schadeveroorzakende gebeurtenis veel verder in het verleden, maar dat maakt nog niet dat de vordering waar het in deze procedure – met name – om gaat op dat moment al opeisbaar was, waarbij de rechtbank van oordeel is dat de schadevergoeding ten aanzien van de ongeneselijke ziekte het zwaartepunt van de vordering vormt, afgezet tegen de schadecomponent voor het niet communiceren van de hepatitis C-uitslag als zodanig. De rechtbank acht niet aannemelijk dat een schadevergoeding van deze omvang als toekomstige schade zou zijn toegekend als vóór het ontstaan van het carcinoom de fout van het ziekenhuis al zou zijn ontdekt (en behandeling op dat moment nog mogelijk was geweest). Alles overwegend stelt de rechtbank de totale verplichting tot smartengeldvergoeding vast op een bedrag van € 180.000, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 januari 2023 en wijst deze toe onder aftrek van het schadebedrag dat het ziekenhuis al heeft vergoed.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 14-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0358

In 2014 heeft een psychotische man een politieagent bedreigd en meermaals met een wapen richting hem geschoten. De politieagent heeft aangifte gedaan tegen de man. Na dit incident merkte de politieagent psychische klachten op, die in ernst zijn toegenomen. In 2018 heeft de politieagent zich volledig ziek gemeld. Hij is toen ook gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Bij brief van zijn advocaat van 11 november 2019 heeft de politieagent de man aansprakelijk gesteld voor de door hem als gevolg van het schietincident geleden en nog te lijden schade en daarbij te kennen gegeven dat de man deze brief uitdrukkelijk diende op te vatten als een stuitingshandeling in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW. Bij de rechtbank is de man wel verschenen in de procedure, maar de man heeft, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet (tijdig) een conclusie van antwoord genomen, waarna het recht om te antwoorden is vervallen, zo volgt uit het bestreden vonnis. Het door de politieagent gevorderde is vervolgens in het bestreden vonnis toegewezen. De man is in hoger beroep gegaan. De grief omtrent de verjaring slaagt niet. De brief van 11 november 2019 is tijdig op het adres van de man aangeboden. Dat hij destijds was opgenomen in Mondriaan, dat hijzelf het betreffende ontvangstbewijs niet kon ondertekenen en dat daarom een ander dan hijzelf heeft getekend voor ontvangst zijn persoonlijke omstandigheden waarvan de man het nadeel dient te dragen als een tot hem gerichte wilsverklaring hem daardoor niet bereikt. De verjaringstermijn is dus tijdig gestuit en de vordering is dus niet verjaard. De grief omtrent de medische en juridische causaliteit is wel (deels) gegrond. Het hof ziet aanleiding om de politieagent te gelasten om alle beschikbare medische informatie in het geding te brengen, met de beperking dat het de politieagent zal zijn toegestaan om diens privéadres in de over te leggen stukken weg te lakken. Verder ziet het hof aanleiding om een mondelinge behandeling te gelasten om met partijen nader van gedachten te kunnen wisselen over de inhoudelijke merites van de zaak, in welk verband partijen eventueel aan het hof nadere inlichtingen zullen kunnen verstrekken, het beproeven van een minnelijke regeling en, als niet tot een minnelijke regeling kan worden gekomen, het bespreken met partijen van de meest geëigende verdere procesgang, waaronder de waarschijnlijkheid dat dan een of meer deskundigen zullen moeten worden ingeschakeld en de waarschijnlijkheid dat de kosten daarvan voorshands voor rekening van de man zullen komen. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 11-11-2025

Rechtspraak

PS 2026-0357

Regres. In 2023 is een man ten val gekomen toen hij op zijn speedpedelec van werk naar zijn woning reed. Hij heeft door het ongeval ernstig letsel opgelopen. De werkgever van de man heeft gedurende 104 weken het loon van de man doorbetaald. De werkgever is niet verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid van zijn werknemers. Op 7 november 2023 heeft de aansprakelijkheidsverzekering van de Provincie richting de man haar aansprakelijkheid erkend vanwege de gebrekkige opstal op grond van artikel 6:174 BW. De Provincie heeft op 4 juli 2025 de aansprakelijkheid richting de werkgever van de hand gewezen. De Provincie wijst erop dat de werkgever vanwege het bepaalde in artikel 6:197 BW geen beroep toekomt op artikel 6:174 BW en dus ook geen rechten kan ontlenen aan de erkenning van aansprakelijkheid op grond van dit artikel richting de werknemer. De Provincie betwist ook onrechtmatig te hebben gehandeld tegenover de werknemer doordat zij haar zorgplicht als wegbeheerder heeft geschonden door gevaarzetting. De rechtbank overweegt dat de werkgever zich niet kan beroepen op artikel 6:174 BW. De rechtbank gaat de Kelderluik-criteria langs en komt tot de conclusie dat voldoende vaststaat dat de gebreken zich pas kort voor het ongeval hebben openbaard en dat de Provincie aan haar zorgplicht heeft voldaan door het fietspad regelmatig te schouwen, ook kort voor het ongeval. Het gevaar was daarom niet kenbaar voor de Provincie, noch had dit de Provincie kenbaar moeten zijn. De vordering wordt afgewezen.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 22-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0355

Deelgeschil. Een werknemer verzoekt een verklaring voor recht dat zijn voormalige werkgever aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden doordat hij tijdens zijn werk van een ladder is gevallen in 2023. De man voert aan dat de werkgever aansprakelijk is omdat hij niet heeft aangetoond dat hij de maatregelen heeft getroffen die redelijkerwijs nodig waren om schade te voorkomen, terwijl sprake was van een valrisico en een onervaren werknemer. Ook heeft de werkgever geen geschikt materieel verstrekt om op hoogte te werken. De werkgever voert verweer. Hij voert aan dat het de bedoeling was dat zijn opdrachtnemer de werkzaamheden aan de schuur zou uitvoeren en het benodigde gereedschap zou meenemen; de werknemer zou de opdrachtnemer slechts assisteren. Bovendien had de werknemer een veiligheidscertificaat en had hij dus zelf moeten inzien dat het plaatsen van een ladder op een gladde ondergrond onveilig was. De werkgever heeft zijn verantwoordelijkheid genomen, door het loon van de werknemer na het ongeval zes maanden door te betalen. Ook betwist de werkgever de gestelde (arbeidsvermogens)schade, omdat de werknemer volgens de werkgever in staat is om te werken. De werkgever wil er niet aan meewerken dat de man profiteert van de situatie en is daarom niet bereid de gegevens van zijn verzekeraar te verstrekken aan de man. De kantonrechter overweegt dat het betoog van de werkgever niet kan slagen. Omdat de werkgever een van zijn werknemers heeft opgedragen werkzaamheden uit te voeren waarbij (ook) op hoogte moest worden gewerkt, was de werkgever ervoor verantwoordelijk dat die werknemer kon beschikken over (bijvoorbeeld) een veilige ladder. Dat heeft de werkgever niet gedaan. In plaats daarvan was de werknemer aangewezen op een ladder die toevallig aanwezig was, omdat de eigenaar van de schapenschuur die ladder ter beschikking had gesteld. De werkgever heeft niet gezorgd voor de beschikbaarheid van een ladder die was voorzien van voor de hand liggende maatregelen om wegglijden te voorkomen, zoals bijvoorbeeld (rubberen) antislipvoet(en), terwijl van de werkgever kan worden verlangd dat hij materieel ter beschikking stelt dat aan dergelijke veiligheidseisen voldoet. Er is geen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van de werknemer. Dat een werknemer minder voorzichtig is dan raadzaam, is daarvoor onvoldoende. De werkgever is dus aansprakelijk voor de schade van de werknemer en moet een voorschot betalen van € 8.000. De kantonrechter overweegt dat de werkgever niet zijn verzekeringsgegevens hoeft te verstrekken aan de werknemer. De werknemer heeft op grond van artikel 7:954 lid 2 BW geen (rechtstreekse) vordering op de verzekeraar zolang de werkgever geen (formele) melding doet van het ongeval bij de verzekeraar. Kennelijk heeft de werkgever zo’n melding (nog) niet gedaan, althans daarvan is niet gebleken. Bij deze stand van zaken heeft de werknemer onvoldoende belang bij zijn verzoek om de verzekeringsgegevens te verkrijgen.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 23-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0354

Een man is op 16 mei 1997 ten val gekomen met zijn racefiets als gevolg van een oneffenheid in het wegdek. De man heeft bij de val hersenschade opgelopen. Bij vonnis van 11 januari 2006 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de gemeente gehouden is om aan de man 70% van de schade te vergoeden die het gevolg is geweest van het ongeval en heeft de rechtbank de gemeente veroordeeld tot het betalen van diverse bedragen. De gemeente heeft aan de veroordelingen tot betaling voldaan. In dit deelgeschil vordert de man aanvullende schade, stellende dat sprake is van inkomensschade die nog niet is meegenomen in het vonnis van 11 januari 2006. Volgens de rechtbank is tussen partijen niet in geschil is dat de rechtbank in het eindvonnis van 11 januari 2006 de geleden en toekomstige schade van de man heeft begroot, waarbij een concreet bedrag is toegewezen dat als verlies van verdienvermogen aan de man diende te worden vergoed. Daarbij is sprake van een veroordeling tot betaling van een bedrag ineens (als bedoeld in artikel 6:105 BW). Tussen partijen is niet in geschil dat in de berekening van het Nederlands Rekencentrum Letselschade, op basis waarvan de rechtbank tot de schadevaststelling is gekomen, inflatie en indexering zijn meegenomen. Het verzoek zoals dat door de man is voorgelegd ziet daarmee naar het oordeel van de rechtbank op een schadecomponent die al in het vonnis van de rechtbank Roermond van 11 januari 2006 is verdisconteerd. Daarom staat het gezag van gewijsde eraan in de weg dat de man het in 2006 voor de toekomst vastgestelde verlies van verdienvermogen opnieuw ter beoordeling voorlegt. Het verzoek van de man wordt om die reden afgewezen, waarbij de kosten van het deelgeschil worden begroot.
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 21-07-2026