Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.964 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0371

Een man is bij een ongeval op een tokkelbaan in een klimpark gewond geraakt en uiteindelijk overleden. Hij ging via een zipline (kabel) naar beneden. Het onderdeel waarmee de zipline aan een paal was bevestigd, de long zip clamp, is bij de arm afgebroken. De producent van de zipline had de zipline, genaamd de saferoller, op de markt gebracht. Het afgebroken onderdeel was geproduceerd door de fabrikant van dat onderdeel. De verzekeraar van de producent vordert in de hoofdzaak schadevergoeding van de fabrikant van het afgebroken onderdeel. De verzekeraar stelt dat hij de verhaalsvordering op de fabrikant heeft overgenomen van de nabestaanden van de man. Volgens de verzekeraar is de fabrikant als producent van het afgebroken onderdeel aansprakelijk voor de schade. In de hoofdzaak staat de vraag centraal of de fabrikant een gebrekkig product in het verkeer heeft gebracht en daarvoor aansprakelijk is. In de vrijwaringszaak stelt de fabrikant van het afgebroken onderdeel dat de ontwikkelaar van de zipline en de bouwer van het klimpark gehouden zijn te vergoeden waartoe hij in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld. Volgens de fabrikant heeft de ontwikkelaar mede de ontwerpkeuze voor de saferoller bepaald. Daarnaast zou de bouwer van het klimpark een tweede klem, de pole clamp, onjuist hebben gemonteerd, waardoor geen back-upbeveiliging aanwezig was voor de afgebroken long zip clamp. De rechtbank neemt als vaststaand feit aan dat de verzekeraar van de producent de vordering van de nabestaanden op de fabrikant van het afgebroken onderdeel heeft gekocht en in die hoedanigheid schadevergoeding vordert. De verzekeraar baseert zijn vordering tot schadevergoeding primair op de regeling van de productaansprakelijkheid en subsidiair op onrechtmatige daad. De rechtbank concludeert dat de fabrikant op grond van artikel 6:185 BW aansprakelijk is. De verweren van de fabrikant slagen niet. De vorderingen van de fabrikant in de vrijwaringszaak worden afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de fabrikant de schadevergoeding van de verzekeraar moet betalen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 27-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0369

Strafrecht. De verdachte heeft zich in de periode 2007-2013 schuldig gemaakt aan het seksueel misbruiken van zijn tweelingzusjes die toen tussen de zes en twaalf jaar oud waren. Na het plegen van de hands-on delicten is verdachte vervolgens in de periode van 2017-2025 doorgegaan met het plegen van hands-off delicten. Ook nu heeft hij binnen zijn familie een slachtoffer gemaakt door het vervaardigen, verspreiden en bezitten van kinderporno van zijn destijds driejarige nichtje. In deze periode heeft hij ook ruim 2500 kinderpornografische afbeeldingen in zijn bezit gehad, waaronder van zijn destijds minderjarige ex-vriendin. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van zeven jaar en tbs met dwangverpleging. De tweelingzusjes hebben zich gevoegd als benadeelde partijen. De rechtbank overweegt dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen dat sprake is van een persoonsaantasting. Bovendien is voldoende aannemelijk gemaakt dat de benadeelde partijen psychische schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het seksueel misbruik. Ze zijn immers in hun ouderlijk huis, een plek waar zij zich veilig horen te voelen, op zeer jonge leeftijd jarenlang seksueel misbruikt door hun broer. Gelet op de ernst, duur, frequentie en locatie van de inbreuk op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partijen en de gevolgen die deze inbreuk voor de zusjes heeft gehad, gaat de rechtbank uit van de bovengrens van categorie A (meest ernstig) van de Rotterdamse schaal, te weten € 32.000. Gelet op de zeer jeugdige leeftijd waarop de benadeelde partijen het langdurig misbruik hebben moeten ondergaan acht de rechtbank een verhoging van voornoemd bedrag met 25%, overeenkomstig aanbeveling 2 van de Rotterdamse schaal, passend. Beide zusjes krijgen dus € 40.000 aan immateriële schadevergoeding toegekend.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 13-08-2026

Rechtspraak

PS 2026-0368

Kort geding. In 2021 is een werknemer slachtoffer geworden van een bedrijfsongeval tijdens het opbouwen van een steiger. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de werkgever heeft aansprakelijkheid erkend voor de gevolgen van het ongeval. Sindsdien wordt tussen partijen onderhandeld over de uit het ongeval voortvloeiende schade. In september 2025 heeft de man een deelgeschilprocedure aanhangig gemaakt. Partijen zijn bij de mondelinge behandeling in december 2025 mediation overeengekomen. De eerste mediationbijeenkomst is kort van tevoren door de verzekeraar geannuleerd. Achteraf is gebleken dat de verzekeraar in de periode van januari tot mei 2026 een onderzoek naar de letselclaim heeft laten verrichten door een extern onderzoeksbureau. De man eist afschrift van de reeds opgemaakte rapporten, verklaringen, interne notities en/of andere vastgelegde feiten met betrekking tot het onderzoek. De verzekeraar heeft bepaalde stukken verstrekt, maar geen afschriften van interne communicatie van de verzekeraar, zoals e-mails, brieven en telefoonnotities. In het kort geding vordert de man nu dat de verzekeraar wordt veroordeeld om verschillende afschriften te verstrekken. De voorzieningenrechter gaat de verschillende vorderingen langs. De vordering omtrent een video waarin de man lopend te zien zou zijn wordt afgewezen, vanwege het professionele verschoningsrecht. Als bepaalde gegevens zich niet bij een functioneel verschoningsgerechtigde, zoals een arts, advocaat of notaris bevinden, maar bij diens patiënt of cliënt, zijn laatstgenoemden niet zonder meer gehouden inzage van de verlangde gegevens te verstrekken. Het professionele verschoningsrecht zou anders eenvoudig kunnen worden omzeild. Indien de verzekeraar inzage moet verstrekken in vertrouwelijke correspondentie met zijn advocaat doet dit afbreuk aan de rechten van de verzekeraar om zich vrijelijk tot zijn advocaat te kunnen wenden en met zijn advocaat te kunnen corresponderen en informatie te kunnen uitwisselen zonder dat een wederpartij of een derde daarin inzage krijgt. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat de verzekeraar over bepaalde documenten/gegevens beschikt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding enige voorziening te treffen.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 20-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0367

In 2022 heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen twee personenauto’s. Een van de auto’s is hierbij total loss geraakt. De bestuurster heeft vergoeding van haar schade, bestaande uit schade aan het voertuig en de expertisekosten, gevorderd. De wederpartij heeft geweigerd die schade te vergoeden, waarna zij hem heeft gedagvaard voor de kantonrechter. Die heeft de vorderingen van de vrouw afgewezen. Het hof laat het vonnis van de kantonrechter in stand. Het hof overweegt dat de vrouw eraan voorbijgaat dat het enkele feit dat een achteropaanrijding plaatsvindt, niet steeds het gevolg hoeft te zijn van een overtreding van de in artikel 19 RVV 1990 neergelegde regel. Indien immers een voor een auto rijdend voertuig een volkomen onverwachte manoeuvre uitvoert of een niet te verwachten beweging maakt (zoals plotseling sterk remmen) kan dat worden beschouwd als de oorzaak van de aanrijding. Anders dan de vrouw heeft aangevoerd rust op de wederpartij dus niet zonder meer de bewijslast van zijn stelling dat hij wél voldoende afstand heeft gehouden. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad ligt de bewijslast bij degene die zich op de rechtsgevolgen van bepaalde feiten beroept. Dat is niet anders bij aanrijdingen zoals hier aan de orde. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen of van deze hoofdregel kan of moet worden afgeweken. Dit is hier niet het geval. De vrouw heeft voorts aangevoerd dat de wederpartij onder invloed van alcohol verkeerde ten tijde van het ongeval. Zij beroept zich hierbij op het proces-verbaal van de politie. Deze passage is onvoldoende duidelijk om vast te stellen dat sprake is van overtreding van artikel 8 WVW, zoals zij betoogt. Het enkele feit dat vermeld wordt dat sprake is van ‘onder invloed van alcohol’ is niet voldoende om daaruit zo’n conclusie te trekken, omdat geen vervolgonderzoek is uitgevoerd en de uitslag (P, A of F) niet is vermeld. De vrouw vermeldt verder ook niets over concrete omstandigheden die daar verder zicht op zouden geven. De vrouw heeft nog een bewijsaanbod gedaan, maar dat is zo algemeen dat het hof daaraan voorbijgaat. Van haar had in hoger beroep mogen worden verwacht dat zij dit behoorlijk zou specificeren. Dat heeft zij nagelaten.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 04-08-2026

Rechtspraak

PS 2026-0366

In 2020 is een vrouw ten val gekomen tijdens een fietstocht toen zij tegen het achterwiel van een andere fietster in het clubje aanfietste. Zij heeft hierbij onder meer een gebroken bekken en heupletsel opgelopen. De gevolgen van het ongeval hebben een diepe impact op het (gezins)leven van de vrouw. De vrouw heeft de andere fietster aansprakelijk gesteld voor haar schade als gevolg van het ongeval. De rechtbank heeft de verzoeken van de vrouw afgewezen. Het hof bekrachtigt de deelgeschilbeschikking. Tussen partijen staat vast dat het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens het wielrennen waarbij de deelnemers op racefietsen zaten, fietskleding en helmen droegen, en met een snelheid van 25-27 km/uur achter elkaar reden met een geringe onderlinge afstand waarbij zij wisselend op kop reden. Naar het oordeel van het hof brengt deze algehele wijze van fietsen, geschiedend met de genoemde gemiddelde snelheid van 25-27 km/uur, mee dat dit fietsen niet is te zien als louter recreatief van aard, maar als een activiteit met een sportief karakter. Daarbij kan in het midden blijven of het rijden met een gemiddelde snelheid van ‘25 tot 27 km/uur’ heeft te gelden als rijden met een aanzienlijke snelheid. Dat het competitieve element ontbrak, zoals de vrouw heeft gesteld, doet er naar het oordeel van het hof niet aan af dat er sprake was van een sport- en spelsituatie. Het hof acht voor dit oordeel voorts van belang dat de deelnemers aan de fietstocht onderling afspraken hebben gemaakt over hoe zij zich op de weg zouden gedragen. De tweede grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat bij toepassing van de verhoogde aansprakelijkheidsdrempel de fietster niet onrechtmatig jegens de vrouw heeft gehandeld. De vrouw stelt dat de andere fietster in de gegeven omstandigheden onnodig gevaarlijk en onzorgvuldig heeft gehandeld nu zij zonder voldoende kenbare waarschuwing plotseling linksaf is geslagen. Het hof verwerpt ook deze grief. De andere fietster heeft overeenkomstig de tussen de deelnemers gemaakte afspraken gehandeld. De derde grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat voldoende vast staat dat de fietster, die niet in de gaten had dat de overige fietsers achter haar aan de linkerkant van de weg waren gaan fietsen, in de veronderstelling verkeerde dat de fietsers nog in een lint achter haar fietsten en zij veilig linksaf kon slaan. Deze derde en laatste grief wordt ook verworpen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat in deze zaak sprake is geweest van een toevallige samenloop van omstandigheden zonder toerekenbare fout, met helaas ernstig letsel tot gevolg.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 02-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0365

Deelgeschil. In 2011 is een man op een snorscooter aangereden door een naar rechts afslaande auto, waardoor hij ten val is gekomen. In 2012 is hij weer ten val gekomen met zijn snorscooter toen een scooterrijder zijn evenwicht verloor en de snorscooter van de man raakte. Hij is toen op zijn hoofd terechtgekomen. In 2013 is hij, rijdend op een fiets, aangereden door een andere fietser, die hem geen voorrang verleende. In 2015 is hij weer het slachtoffer geworden van een verkeersongeval op zijn snorscooter toen hem geen voorrang werd verleend. De verzekeraars van de tegenpartijen in 2012, 2013 en 2015 hebben aansprakelijkheid voor de ongevallen erkend. Er zijn verschillende medische adviezen door de jaren heen uitgebracht. De man heeft over de jaren heen ook verschillende belangenbehartigers gehad. Ter zake van het hem in 2015 overkomen ongeval heeft het gerechtshof Amsterdam vastgesteld dat hij het oogmerk had om de verzekeraar te misleiden teneinde een hoger bedrag uitgekeerd te krijgen dan waarop hij aanspraak kon maken. De man vordert nu onder meer in dit deelgeschil dat de regelend verzekeraar voor de drie ongevallen gebonden is aan bepaalde gemaakte rapportages en dat deze rapportage c.q. deze rapportages het uitgangspunt moet of moeten vormen bij het verder tussen partijen te doorlopen schaderegelingstraject. De verzekeraar voert verweer. De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde rapportages kan worden opgemaakt dat de man niet consistent is in hetgeen hij heeft verklaard over de hem overkomen ongevallen bij de verschillende deskundigen. De rechtbank overweegt dat de verzekeraar gemotiveerd heeft bestreden dat een dergelijk plausibel klachtenpatroon op basis van de door de man verstrekte (medische) informatie en de ingebrachte expertiserapporten kan worden vastgesteld. De verzekeraar heeft in dit verband naar voren gebracht dat de man de verzekeraar vanaf het begin onjuiste en onvolledige informatie heeft verstrekt en dat uit de overgelegde verschillende expertiserapporten blijkt dat de deskundigen voor hun oordeel niet allen over dezelfde (medische) informatie beschikten. Gelet hierop is door de verzekeraar meermaals aangegeven dat het van belang is dat de man helderheid verschaft over alle ongevallen, waarbij in de vraagstelling – in het kader van de expertise – naar de verschillende ongevallen moet worden uitgesplitst. De rechtbank benoemt ook het arrest van het hof. Op basis van dit arrest kan worden aangenomen dat de man ter zake van een van de ongevallen, waarvoor de verzekeraar als regelend verzekeraar optreedt, opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt en dat er meer ongevallen zijn geweest dan door hem zijn gesteld. In het kader van de beoordeling kan daarom niet van het causaal verband worden uitgegaan en heeft de verzekeraar daarmee terecht en op goede gronden aangegeven dat alle ongevallen die de man in de periode van 16 juni 2012 tot en met 1 mei 2015 heeft gehad, dienen te worden onderzocht door de verschillende deskundigen en voor een goede beoordeling de vraagstelling aan de deskundigen per ongeval dient te worden uitgesplist. Het verzoek van de man wordt afgewezen.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Assen), 10-10-2017

Rechtspraak

PS 2026-0364

Deelgeschil. Een man is in 2019 gewond geraakt bij een eenzijdig verkeersongeval toen hij op een driewielmotor zat en de bestuurder met het voorwiel van dit voertuig een stoeprand raakte. Hij heeft ernstig letsel opgelopen als gevolg van het ongeval: bloedingen in het brein, uitgebreide breuken van de schedelbasis, het aangezicht, de scapula links, wervels en van zenuwuitval. De verzekeraar van het voertuig heeft aansprakelijkheid erkend. Partijen hebben een geschil over de afwikkeling van de schade. De man verzoekt de rechtbank in dit deelgeschil primair om te bepalen dat zijn restverdiencapaciteit nihil is. Als dat niet toewijsbaar is, wil hij subsidiair veroordeling van de verzekeraar om mee te werken aan een nieuw neuropsychologisch onderzoek (NPO). Als dat ook niet toewijsbaar is, wil hij meer subsidiair dat de rechtbank bepaalt dat een revalidatiearts moet worden ingeschakeld. De verzekeraar voert verweer. De rechtbank overweegt dat op basis van het uitgevoerde NPO niet kan worden geoordeeld dat er geen cognitieve klachten en beperkingen zijn, maar ook niet dat die er wel zijn. Nu geen oordeel kan worden geveld over de cognitieve klachten en beperkingen, en de fysieke klachten en beperkingen van de man niet zodanig zijn dat elke restverdiencapaciteit alleen daarom al ontbreekt, moet het primaire verzoek worden afgewezen. Ook het feit dat de arbeidsdeskundigen rapporteren over de mogelijkheid voor de man om arbeid te verrichten op een beschutte werkplek, maakt dat afwijzing aan de orde moet zijn. Ook arbeid op een beschutte werkplek is tenslotte – anders dan de man aanvoert – arbeid tegen loonwaarde. De rechtbank wijst het subsidiaire verzoek wel toe. De verzekeraar moet medewerking verlenen aan een nieuw NPO. Meerdere deskundigen wijzen op de noodzaak om te beschikken over een NPO waaruit conclusies kunnen worden getrokken ten aanzien van de (eventuele) cognitieve klachten en beperkingen van de man als gevolg van het ongeval. Een nieuw NPO kan de discussie tussen partijen op dit punt oplossen, en kan de man verder helpen richting het verkrijgen van (beschutte) arbeid. De rechtbank merkt op dat de persoon die het vorige NPO heeft uitgevoerd niet de aangewezen persoon lijkt om het nieuwe NPO uit te voeren. Zonder af te doen aan de professionaliteit en deskundigheid van deze deskundige, geldt dat zij zich in deze zaak al negatief heeft uitgelaten over de zin van een nieuw NPO.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 15-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0363

Een Amerikaanse toeriste stelt dat zij in Sint Maarten letsel heeft opgelopen doordat zij ’s nachts op een slecht verlichte weg met haar voet is terechtgekomen in een pothole. Zij vordert schadevergoeding van het Land. Het Gerecht heeft de vordering afgewezen op de grond dat niet kan worden aangenomen dat de bedoelde weg een openbare weg is en evenmin dat die weg een opstal is waarvan het Land bezitter is. De vrouw is in hoger beroep gegaan. Het Hof is wel van mening dat het Land aansprakelijk is. Blijkens de erfpachtakte en de ministeriële beschikking waarnaar de akte verwijst, heeft het Land aan de weg de bestemming van openbare weg gegeven. Het is dus een openbare weg in de zin van de tweede volzin van artikel 6:174 lid 2 BW. Het Hof overweegt dat op zichzelf aan wegen in Sint Maarten niet zonder meer dezelfde eisen gesteld kunnen worden als aan vergelijkbare wegen in Nederland of (delen van) de Verenigde Staten van Amerika. Rekening moet worden gehouden met budgettaire beperkingen van het Land, die dwingen tot keuzen bij het onderhoud van het wegennet. Verder moet rekening worden gehouden met regelmatig optredende storm- en orkaanschade, onder meer veroorzaakt door de orkaan Irma. Niettemin is het Hof van oordeel dat de Nile Road ten tijde van het ongeval niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen en daardoor gevaar voor personen en zaken opleverde. Het hof overweegt onder meer dat een pothole erg gevaarlijk is, de weg in een populaire toeristische omgeving ligt en mede wordt gebruikt door feestgangers die alcoholische dranken hebben gedronken of om andere reden niet altijd voorzichtig zijn. Bovendien was het alweer drie en een half jaar geleden dat de orkaan Irma Sint Maarten trof en kan een pothole met eenvoudige middelen en weinig werk onschadelijk worden gemaakt. In het midden kan blijven of de weg ten tijde van het ongeval slecht verlicht was. Ook indien de verlichting goed was, voldeed de weg vanwege de pothole niet aan de daaraan te stellen eisen. Ook kan in het midden blijven of de vrouw alcoholhoudende dranken had gedronken, en zo ja, hoeveel. Mogelijk alcoholgebruik door de vrouw leidt ook niet tot vermindering van de schadevergoedingsplicht als bedoeld in artikel 6:101 BW. Verder is niet van belang of de weg (primair) bestemd is voor voetgangers. Het Land heeft niet betwist dat voetgangers zonder moeite langs de slagboom op de weg kunnen komen. Er bestaat een causaal verband. Bij de in artikel 6:98 BW bedoelde toerekening van de schade aan het Land is van belang dat de aansprakelijkheid is gebaseerd op een veiligheidsnorm en dat sprake is van letselschade. Mede gelet daarop passeert het Hof alle bezwaren van het Land tegen de schadebegroting. De vrouw krijgt USD 44.116,37 aan schadevergoeding toegekend.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 28-07-2026