Deelgeschil. Een man is in 2019 gewond geraakt bij een eenzijdig verkeersongeval toen hij op een driewielmotor zat en de bestuurder met het voorwiel van dit voertuig een stoeprand raakte. Hij heeft ernstig letsel opgelopen als gevolg van het ongeval: bloedingen in het brein, uitgebreide breuken van de schedelbasis, het aangezicht, de scapula links, wervels en van zenuwuitval. De verzekeraar van het voertuig heeft aansprakelijkheid erkend. Partijen hebben een geschil over de afwikkeling van de schade. De man verzoekt de rechtbank in dit deelgeschil primair om te bepalen dat zijn restverdiencapaciteit nihil is. Als dat niet toewijsbaar is, wil hij subsidiair veroordeling van de verzekeraar om mee te werken aan een nieuw neuropsychologisch onderzoek (NPO). Als dat ook niet toewijsbaar is, wil hij meer subsidiair dat de rechtbank bepaalt dat een revalidatiearts moet worden ingeschakeld. De verzekeraar voert verweer. De rechtbank overweegt dat op basis van het uitgevoerde NPO niet kan worden geoordeeld dat er geen cognitieve klachten en beperkingen zijn, maar ook niet dat die er wel zijn. Nu geen oordeel kan worden geveld over de cognitieve klachten en beperkingen, en de fysieke klachten en beperkingen van de man niet zodanig zijn dat elke restverdiencapaciteit alleen daarom al ontbreekt, moet het primaire verzoek worden afgewezen. Ook het feit dat de arbeidsdeskundigen rapporteren over de mogelijkheid voor de man om arbeid te verrichten op een beschutte werkplek, maakt dat afwijzing aan de orde moet zijn. Ook arbeid op een beschutte werkplek is tenslotte – anders dan de man aanvoert – arbeid tegen loonwaarde. De rechtbank wijst het subsidiaire verzoek wel toe. De verzekeraar moet medewerking verlenen aan een nieuw NPO. Meerdere deskundigen wijzen op de noodzaak om te beschikken over een NPO waaruit conclusies kunnen worden getrokken ten aanzien van de (eventuele) cognitieve klachten en beperkingen van de man als gevolg van het ongeval. Een nieuw NPO kan de discussie tussen partijen op dit punt oplossen, en kan de man verder helpen richting het verkrijgen van (beschutte) arbeid. De rechtbank merkt op dat de persoon die het vorige NPO heeft uitgevoerd niet de aangewezen persoon lijkt om het nieuwe NPO uit te voeren. Zonder af te doen aan de professionaliteit en deskundigheid van deze deskundige, geldt dat zij zich in deze zaak al negatief heeft uitgelaten over de zin van een nieuw NPO.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 15-07-2026