Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.964 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0381

Partijen hebben een geschil over de medische en financiële gevolgen van het ongeval dat de man is overkomen in Zweden. Zij hebben daarover al meerdere juridische procedures tegen elkaar gevoerd. Dit is de eerste bodemprocedure. De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid van zijn verzekerde voor deze aanrijding erkend. De verzekeraar stelt zich op het standpunt dat hij de schade van de man als gevolg van het ongeval volledig heeft gecompenseerd en vordert een verklaring voor recht waarin dat wordt vastgelegd. De man vordert een verklaring voor recht dat de verzekeraar gehouden is zijn schade te vergoeden, alsmede een voorschot op de schadevergoeding met verwijzing naar de schadestaatprocedure. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate aangetoond dat het meer waarschijnlijk is dat een deel van de klachten zijn veroorzaakt door het ongeval dan door (eventuele) andere oorzaken. Voor de overige klachten kan op basis van de uitgevoerde medische expertises niet worden vastgesteld dat deze zijn ontstaan door het ongeval. De rechtbank kan nog geen eindvonnis wijzen. De rechtbank is voornemens om voor de verdere beoordeling – conform de Zweedse praktijk – aansluiting te zoeken bij de systematiek van de Zweedse Road Traffic Injury Commission. De rechtbank begrijpt dat deze instantie aan de hand van tabellen een berekening maakt op basis van het functieverlies aan de hand van een door een verzekeringsarts geconstateerde medische invaliditeit. De rechtbank is voornemens om, met toepassing van het Zweedse recht, een verzekeringsarts te benoemen. Deze kan de rechtbank adviseren over de arbeidsongeschiktheid als gevolg van het ongeval. Voordat de rechtbank daartoe overgaat, zal zij partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over het voornemen van de rechtbank. Daarna kan de rechtbank verder beoordelen of de man aanspraak kan maken op schadevergoeding en zo ja, op welk bedrag.
Rechtbank Overijssel (Locatie Almelo), 01-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0378

Strafrecht. Verdachte heeft zich gedurende een periode van zes jaar schuldig gemaakt aan het seksueel misbruiken van zijn minderjarige dochter. De bijzondere curator heeft zich namens de dochter als benadeelde partij gevoegd en vordert een schadevergoeding van € 50.000 (immateriële schade). Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de dochter rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De aard en de ernst van de normschending van die feiten zijn zodanig dat de nadelige gevolgen daarvan voor haar zo voor de hand liggen dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen, ook zonder de vaststelling van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven. De rechtbank weegt in het bijzonder mee de vergaande aantasting van de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, mede gezien haar leeftijd, en de gevolgen daarvan voor haar geestelijke gezondheid naar algemene ervaringsregels en gelet op wat namens haar ter toelichting op de vordering is aangevoerd. De rechtbank sluit bij de vaststelling van dit bedrag aan bij de Rotterdamse schaal, categorie 15.2a (ontucht met binnendringen, meest ernstig), waarvoor een bedrag van € 12.500 tot € 32.000 wordt aanbevolen. In de jonge leeftijd van het slachtoffer en de mate van verwijtbaarheid van de verdachte ziet de rechtbank wel grond voor een correctie van 10%, oftewel 2 x € 3.200 bovenop het genoemde maximum. De rechtbank stelt de geleden immateriële schade derhalve naar billijkheid vast op een bedrag van € 38.400.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 23-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0376

Appellant en geïntimeerde hebben enkele jaren naast elkaar gewoond. Op 20 maart 2021 heeft er zich een incident voorgedaan tussen partijen. Hierbij hebben partijen een woordenwisseling met elkaar gehad en is er geduwd en geslagen. De appellant heeft hierdoor letsel opgelopen. De eerste drie grieven in het principaal hoger beroep richten zich met name tegen de overwegingen van de rechtbank dat de appellant zich in de tweede fase van de confrontatie tussen partijen had moeten onttrekken aan het geweld van geïntimeerde. De vierde grief is gericht tegen de overweging dat er geen condicio sine qua non-verband is tussen het letsel en het onrechtmatig handelen van geïntimeerde. Bij de beoordeling stelt het hof voorop dat op de appellant de stelplicht en bewijslast rust. Naar het oordeel van het hof volgt uit de navolgende bewijsmiddelen dat de appellant de door hem gestelde feiten heeft bewezen. De vraag die vervolgens voorligt, is of de geïntimeerde aansprakelijk is voor het letsel dat de appellant heeft opgelopen. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Door de appellant aan te vallen op de vastgestelde wijze, heeft de geïntimeerde jegens hem onrechtmatig gehandeld. Het hof is voorts van oordeel dat zonder het onrechtmatig handelen van de geïntimeerde het handletsel bij de appellant niet zou zijn ontstaan. Er is dan ook voldaan aan het condicio sine qua non-verband. Voorts staat deze schade in een zodanig verband met de gebeurtenis, zijnde de aanvallen van de geïntimeerde, dat deze schade aan de geïntimeerde als gevolg van zijn handelingen kan worden toegerekend. Dat bij deze aanvallen van de geïntimeerde letsel zou kunnen ontstaan bij de appellant, is een te verwachten gevolg, ook als dat gebeurt als gevolg van een verdediging met gebruik van enig geweld. De grieven in het principaal hoger beroep slagen in die zin dat de vorderingen van de appellant alsnog kunnen worden toegewezen. De grieven in het incidenteel hoger beroep worden door het hof verworpen.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 30-09-2025

Rechtspraak

PS 2026-0375

De vrouw is in haar stilstaande personenauto aan de voorkant aangereden door een voor haar staande vrachtwagen die voor de vrouw onverwacht naar achteren reed. De vrouw heeft na de aanrijding gezondheidsklachten gekregen en is tevens arbeidsongeschikt verklaard. In dit tussenvonnis moet worden beoordeeld of tussen de aanrijding en de gezondheidsklachten van de vrouw causaal verband kan worden aangenomen. Er zijn door een orthopedisch chirurg en een neuroloog op verzoek van de rechtbank in het verleden deskundigenberichten uitgebracht. In het laatste tussenvonnis heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek door een psychiater bevolen, omdat de neuroloog van mening was dat bij de vrouw mogelijk sprake was van een psychiatrische aandoening. Uit het rapport van de psychiater volgt volgens de rechtbank dat de vrouw lijdt aan een zogenoemde functioneel-neurologisch-symptoomstoornis. De vraag is of dit als een gevolg van de aanrijding kan worden beschouwd. Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Op grond van de uitgebrachte deskundigenrapporten in onderling verband en samenhang beschouwd en tegen de achtergrond van de in deze zaak vaststaande feiten en omstandigheden, oordeelt de rechtbank dat de vrouw deze stoornis niet zou hebben ontwikkeld als zij niet zou zijn aangereden. Nu dient de omvang van de hierdoor door de vrouw geleden schade te worden vastgesteld. Hiervoor moeten nieuwe deskundigen worden benoemd die zullen moeten rapporteren over de beperkingen van de vrouw als gevolg van de door de rechtbank als vaststaand aangenomen klachten en onder andere over het verlies aan verdienvermogen. De rechtbank verwijst de zaak naar de rol om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de te nemen vervolgstappen.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 27-05-2026