Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.783 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0199

Een man stelt dat hij van een keukentrap is geduwd door een vrouw toen hij snoeiwerkzaamheden in de tuin van de vrouw aan het uitvoeren was. De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist. Zij heeft toegelicht dat de man zonder haar toestemming snoeiwerkzaamheden in haar tuin uitvoerde en dat zij hem daarop heeft aangesproken en heeft verzocht te stoppen. Omdat hij niet stopte met snoeien, heeft zij de politie gebeld. Ook daarna ging de man door. Volgens de vrouw heeft zij de trap wel kort vastgepakt, maar niet op het moment dat de man opnieuw de trap opklom en ook niet op het moment dat hij zou zijn gevallen. De man heeft vervolgens zijn stellingen niet nader onderbouwd terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. Weliswaar zijn er door hem beelden in het geding gebracht, maar daarop is de vermeende duw (en val) juist niet te zien. Wel is te zien en te horen dat er een vervelende sfeer en discussie ontstond over de snoeiwerkzaamheden, zoals de vrouw ook beschrijft. De man heeft dus niet voldaan aan zijn stelplicht, waardoor niet kan worden vastgesteld dat sprake is van onrechtmatig handelen door de vrouw. Daar komt bij dat de man ook zijn gestelde schade en het causaal verband onvoldoende heeft onderbouwd. De man stelt dat hij een handfractuur heeft opgelopen en € 385 aan eigen risico moest betalen, maar uit de stukken blijkt niet dat sprake is van een handfractuur. Uit het verslag van het ziekenhuis blijkt juist dat is vastgesteld dat er géén sprake van een handfractuur was. Een betalingsbewijs van het eigen risico ontbreekt bovendien ook. Het gestelde loonverlies van € 2.060 is ook niet onderbouwd. Uit de overgelegde stukken volgt niet dat de man op het moment van het voorval nog werkzaam was, integendeel: de plaatsingsbevestiging van het uitzendbureau heeft een einddatum van 15 juni 2025, terwijl het voorval op 16 juni 2025 heeft plaatsgevonden. Ook ten aanzien van de gestelde schade aan de broek is niet aangetoond dat deze als gevolg van de val is beschadigd. Op de videobeelden is geen kapotte broek zichtbaar. Verder is de gestelde immateriële schade van € 2.500 op geen enkele wijze onderbouwd.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 08-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0195

Eindvonnis. Cosmetische behandeling. Een vrouw heeft een cosmetische behandeling ondergaan bestaande uit lipofilling en liposuctie. Na de ingreep is geconstateerd dat de achterkant van het rechterbovenbeen van de vrouw een inkeping vertoont. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis geoordeeld dat zij het voorlopig bewezen acht dat liposuctie op de plek waar de inkeping is ontstaan niet tussen partijen is overeengekomen. De rechtbank heeft de kliniek in de gelegenheid gesteld om daarvan tegenbewijs te leveren. De rechtbank oordeelt dat kliniek niet is geslaagd in het leveren van dat tegenbewijs. De kliniek heeft onrechtmatig gehandeld jegens de vrouw door de eis van ‘informed consent’ te schenden. Uit de verklaringen kan namelijk niet worden afgeleid dat de vrouw bij het aftekenen of daarvoor toestemming heeft gegeven om liposuctie uit te voeren van de onderrand van de billen. De kliniek moet een (beperkt) aantal schadeposten vergoeden. Bij het vaststellen van het smartengeld zoekt de rechtbank aansluiting bij de Rotterdamse schaal. De rechtbank vindt in dit geval een bedrag bovenaan de bandbreedte passend. Het gaat om een duidelijk zichtbaar litteken dat het uiterlijk in enige mate aantast. De vrouw heeft aannemelijk gemaakt dat het letsel een weerslag heeft op haar (werkzame) leven en dat zij er psychisch onder gebukt gaat, te meer nu het gaat om een gevolg van een medische behandeling waarvoor zij geen toestemming heeft gegeven en deze dus voorkomen had kunnen worden. Door het blijvende litteken wordt zij nog dagelijks met de gevolgen geconfronteerd. Ook door de reacties daarop van anderen wordt zij aan het feit herinnerd. Zij voelde zich genoodzaakt om zich door een plastisch chirurg in het buitenland te laten opereren, wat tot haar verdriet geen volledig herstel heeft opgeleverd. De rechtbank begroot de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op € 5.000.
Rechtbank Noord-Holland, 25-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0193

Een man heeft in 2019 een ongeval veroorzaakt als bestuurder van een huurauto. De fietser die hij heeft aangereden heeft daarbij ernstig letsel opgelopen. De WAM-verzekeraar heeft de schade van de fietser vergoed en stelt zich nu op het standpunt dat het gedrag van de bestuurder dat leidde tot het ongeval als roekeloos in de zin van de polisvoorwaarden en artikel 7:952 BW heeft te gelden. Volgens de WAM-verzekeraar kan zij op grond van artikel 15 lid 1 WAM de schadevergoeding die zij aan het slachtoffer heeft betaald verhalen op de bestuurder. De rechtbank heeft de daarop gerichte vorderingen van de WAM-verzekeraar afgewezen. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis. Om aan te nemen dat het verkeersgedrag van de bestuurder roekeloos is geweest is vereist dat hij zich, in elk geval in zeker mate, bewust was van zijn handelen. Voldoende is dat de man zich van de aanmerkelijke kans op schade bewust had behoren te zijn. Uit de omstandigheden valt af te leiden dat de man ernstige verkeersfouten heeft gemaakt, die hem ook kunnen worden verweten. Deze fouten maken echter niet dat hij roekeloos heeft gehandeld. De man betwist dat hij zich bewust was van de gedragingen die hebben geleid tot het ongeval. Hij heeft verklaard dat hij ten tijde van het ongeval mentaal afwezig was en dat hij de kruising met de rode verkeerslichten niet heeft opgemerkt. De verklaring van de man komt het hof niet onaannemelijk voor. De WAM-verzekeraar heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen die erop wijzen dat de man zich wel bewust was van zijn handelen toen hij het kruispunt naderde. De omstandigheid dat de man bij het naderen van het kruispunt accelereerde geeft eerder steun aan zijn verklaring dat hij tijdelijk mentaal afwezig was. Voor iemand die zich bewust is van zijn handelen is het onlogisch om bij het naderen van een kruispunt te versnellen in plaats van te remmen of eenzelfde snelheid aan te houden. Hoezeer het de man ook kan worden verweten dat hij niet de vereiste oplettendheid heeft betracht tijdens het rijden, is dat niet voldoende voor roekeloosheid in de zin van artikel 7:952 BW. De – door de man betwiste – omstandigheid dat uit zijn medische informatie volgt dat hij sinds zijn jeugd een bril nodig heeft, leidt niet tot een ander oordeel. De man heeft toegelicht dat hij sinds zijn jeugd een pterygium heeft, waaraan hij in 2018 is geopereerd. Hij heeft nooit een bril gedragen. Na de operatie is hem in december 2019 geadviseerd om een bril te gaan dragen met een sterkte van +2 en -0,75. Uit die medische informatie volgt niet dat bij de man een dusdanige oogafwijking is vastgesteld, dat het rijden zonder bril ten tijde van het ongeval als roekeloos kan worden aangemerkt. Ook de omstandigheid dat de man voor zijn rijgedrag strafrechtelijk is veroordeeld leidt niet tot een ander oordeel. Het strafvonnis gaat ervan uit dat de man zich schuldig heeft gemaakt aan (ernstig) verwijtbaar verkeersgedrag. Het strafvonnis bevat echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat hij zich bewust was van zijn handelen. Het beroep van de WAM-verzekeraar op artikel 15 lid 1 WAM faalt dus.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 21-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0191

Eindvonnis. Whiplash. De rechtbank blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in haar eerdere tussenvonnissen. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat de vervoersorganisatie onrechtmatig heeft gehandeld omdat de buschauffeur onvoldoende afstand van de eisende partij heeft gehouden. Hierdoor was de buschauffeur niet in staat de bus tijdig tot stilstand te brengen op het moment dat de eisende partij afremde. In datzelfde vonnis is ook overwogen dat een schuldverdeling bij helfte gerechtvaardigd is. In een ander tussenvonnis is overwogen dat een beslissing op het beroep van de vervoersorganisatie omtrent schending van de schadebeperkingsplicht zal worden aangehouden totdat bij eindvonnis zal worden beslist. De vervoersorganisatie heeft in dat kader aangevoerd dat de eisende partij onvoldoende behandelingen heeft ondergaan. De eisende partij stelt dat hij er alles aan heeft gedaan om zijn klachten te beperken en betwist dat sprake is van een schending van de schadebeperkingsplicht. Naar het oordeel van de rechtbank leidt het gestelde niet tot een vermindering van de vergoedingsplicht en slaagt het verweer van de vervoersorganisatie dus niet. Voor whiplashgerelateerde klachten bestaat geen vaststaand of uniform behandeltraject, zoals dat bij een duidelijk objectiveerbare aandoening zoals bijvoorbeeld een botbreuk, wel het geval is. De behandeling wordt doorgaans afgestemd op het individuele klachtenpatroon en het beloop van de klachten. De eisende partij is vrij in de keuze van zijn therapeuten en heeft door de jaren heen diverse (para)medische behandelingen ondergaan, waaronder bij de fysiotherapeut, acupuncturist en chiropractor. Het enkele feit dat de eisende partij enkele jaren niet onder behandeling is geweest, lijdt er niet toe dat hij zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden. De rechtbank zal dus voor recht verklaren dat de vervoersorganisatie aansprakelijk is voor de schade, met dien verstande dat de vervoersorganisatie voor 50% aansprakelijk is. De rechtbank gaat dan de verschillende schadeposten langs. Omtrent de hoogte van het smartengeld slaat de rechtbank acht op de ANWB Smartengeldgids en de Rotterdamse schaal in samenhang met de Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld. Een bedrag van € 12.500 (na correctie) zou redelijk zijn, maar in dit geval ziet de rechtbank aanleiding om dit bedrag te verhogen tot € 20.000. De vervoersorganisatie heeft pas na ruim 19 maanden aansprakelijkheid erkend en heeft lange tijd het bestaan van de dashboardcamerabeelden ontkend. Deze beelden waren voor de beslechting van de discussie over de toedracht zeer relevant. Voor het achterhouden van deze beelden heeft de vervoersorganisatie geen deugdelijke reden gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze opstelling van de vervoersorganisatie geleid tot een vertraging in de afhandeling van de schade van de eisende partij. Ook is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest van redelijke bevoorschotting. Gelet op de inhoud van diverse tussenvonnissen had de vervoersorganisatie naar het oordeel van de rechtbank duidelijk moeten zijn dat het bedrag dat zij aan schade zal moeten vergoeden het door haar aan voorschotten uitgekeerde bedrag ruimschoots zou overschrijden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de wijze van behandeling van de vervoersorganisatie van dit dossier onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig is jegens de eisende partij. Op deze aanvullende schade wordt geen correctie wegens eigen schuld toegepast.
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 15-04-2026