Strafrecht. Verdachte heeft zich gedurende een periode van zes jaar schuldig gemaakt aan het seksueel misbruiken van zijn minderjarige dochter. De bijzondere curator heeft zich namens de dochter als benadeelde partij gevoegd en vordert een schadevergoeding van € 50.000 (immateriële schade). Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de dochter rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De aard en de ernst van de normschending van die feiten zijn zodanig dat de nadelige gevolgen daarvan voor haar zo voor de hand liggen dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen, ook zonder de vaststelling van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven. De rechtbank weegt in het bijzonder mee de vergaande aantasting van de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, mede gezien haar leeftijd, en de gevolgen daarvan voor haar geestelijke gezondheid naar algemene ervaringsregels en gelet op wat namens haar ter toelichting op de vordering is aangevoerd. De rechtbank sluit bij de vaststelling van dit bedrag aan bij de Rotterdamse schaal, categorie 15.2a (ontucht met binnendringen, meest ernstig), waarvoor een bedrag van € 12.500 tot € 32.000 wordt aanbevolen. In de jonge leeftijd van het slachtoffer en de mate van verwijtbaarheid van de verdachte ziet de rechtbank wel grond voor een correctie van 10%, oftewel 2 x € 3.200 bovenop het genoemde maximum. De rechtbank stelt de geleden immateriële schade derhalve naar billijkheid vast op een bedrag van € 38.400.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 23-07-2026