Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.705 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0355

Een 11-jarig meisje is tijdens een proefrit van een pony gevallen met letselschade tot gevolg. Volgens het meisje en haar ouders is zij gevallen omdat de pony op hol sloeg. Zij spreken de bezitter van de pony (en haar verzekeraar) aan voor de schade als gevolg van de val op grond van artikel 6:179 BW. De bezitter van de pony en haar verzekeraar zijn van mening dat een rijdersfout of onervarenheid van het meisje de oorzaak is geweest van de val. Op die situatie zou artikel 6:179 BW niet van toepassing zijn. Als zij wel aansprakelijk zouden zijn, menen zij dat het meisje eigen schuld heeft en een deel van haar schade zelf moet dragen. De rechtbank stelt vast dat partijen lijnrecht tegenover elkaar staan voor wat betreft de oorzaak en dat het van belang is dat wordt vastgesteld wat precies de oorzaak van de val is geweest. De rechtbank draagt het meisje en haar ouders op om te bewijzen dat onberekenbaar gedrag van de pony (de eigen energie) de oorzaak is geweest van de val. De rechtbank besluit al wel over het beroep op eigen schuld. Dit gaat niet op. In eerdere rechtspraak is al uitgemaakt dat een beroep op eigen schuld in beginsel niet opgaat bij kinderen jonger dan 14 jaar. Van een kind van die leeftijd mag namelijk maar een beperkt inzicht in gevaar en een beperkt vermogen zich naar dat inzicht te gedragen worden verwacht. Dat geldt volgens de rechtbank ook hier. In het door partijen naar voren gebrachte feitencomplex ziet de rechtbank geen verwijtbare gedraging van het meisje. Het handelen van de ouders (het toestemming geven om de pony te berijden) kan ook niet als eigen schuld aan het meisje worden toegerekend. Dit betekent dat als aansprakelijkheid van de bezitter van de pony komt vast te staan, een schadevergoedingsplicht van 100% moet worden aangenomen.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 25-06-2025

Rechtspraak

PS 2025-0354

Conclusie advocaat-generaal Ibili. Ski-ongeval in Oostenrijk waarbij letsel is opgelopen. Centraal staat de vraag of het hof bij de beoordeling van de aansprakelijkheid is uitgegaan van de verhoogde drempel voor aansprakelijkheid die in sport- en spelsituaties geldt. De advocaat-generaal overweegt dat wanneer de schadeveroorzakende gedraging plaatsvindt in de context van een sport- of spelsituatie, een verhoogde drempel voor het aannemen van aansprakelijkheid geldt. Wanneer sprake is van een sport- of spelsituatie kan in zijn algemeenheid niet worden gezegd. Hoewel in het bestreden arrest niet expliciet is vermeld dat het skiongeval plaats heeft gevonden binnen een sport- en spelcontext stelt de advocaat-generaal dat het hof de juiste maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van de aansprakelijkheid. Hierbij speelt een rol dat in het partijdebat nauwelijks aandacht is geweest voor de aan te leggen maatstaf voor aansprakelijkheid. Met zijn oordeel dat de skiër onverantwoorde risico’s heeft genomen, heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld. In de overwegingen van het hof ligt besloten dat de man door het overtreden van de FIS-regels gevaarzetting heeft gecreëerd. Dit gevaar behoefde het slachtoffer – in de context van een sport- en spelsituatie – redelijkerwijs niet te verwachten, omdat de FIS-regels ertoe strekken om ongevallen op de skipiste te voorkomen en het slachtoffer erop mocht vertrouwen dat de skiër zich aan deze regels zou houden.
Parket bij de Hoge Raad, 27-06-2025

Rechtspraak

PS 2025-0353

Een vrouw heeft letsel opgelopen als passagier in haar eigen auto. Daar zij zelf was geweigerd door de verzekeraar, was de auto verzekerd en op naam gezet van haar zus. De verzekeraar stelt bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering te hebben gesloten. Het hof vond uitkering onaanvaardbaar wegens schending mededelingsplicht en het profiteren van opzettelijke misleiding. De Hoge Raad vernietigt deze uitspraak en overweegt over de uitleg van de WAM, welke is gebaseerd op een Europeesrechtelijke richtlijn. De rechtspraak van het HvJ EU, waarbij het belang van bescherming van slachtoffers van ongevallen vaak vooropstaat, laat volgens de Hoge Raad geen ruimte voor de regel dat bij opzettelijke misleiding van de verzekeraar door de benadeelde het eigen recht op schadevergoeding op grond van de WAM vervalt. Ook is in die verhouding geen plaats voor een regel dat de verzekeraar geen uitkering verschuldigd is bij – kort gezegd – onjuiste inlichtingen of opzettelijke misleiding. Alleen in het geval van misbruik van het Unierecht kan uitkering worden geweigerd. Uit rechtspraak van het HvJ EU zou volgen dat hiervan geen sprake is wanneer de misleiding erop gericht was om een verzekeringsovereenkomst tot stand te brengen, aldus de Hoge Raad. De verklaringen zijn niet afgelegd om zich als slachtoffer te beroepen op de WAM-richtlijn en wettelijke voorwaarden voor recht op uitkering te omzeilen. Zaak is verwezen naar een ander hof.
Hoge Raad, 04-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0352

De rechtbank heeft in een eerdere beschikking een klinisch neuropsycholoog benoemd tot deskundige. Aan deze deskundige zijn dezelfde vragen voorgelegd die in een nog eerdere beschikking waren opgenomen. Over deze vraagstelling bestond en bestaat tussen partijen overeenstemming. Een van de partijen verzoekt nu om aan de deskundige naast deze vragen ook de zogenoemde Tromp/Elemans-vraagstelling voor te leggen. Volgens deze partij is deze vraagstelling geschikter voor de beoordeling van het juridisch causaal verband door de rechtbank dan de standaardvraagstelling van de NVN. De wederpartij heeft bezwaar gemaakt en voert onder andere aan dat de Tromp/Elemans-vraagstelling tot op heden geen algemeen geaccepteerde vraagstelling is binnen de juridische en medisch-juridische praktijk. Nu het gebruik van deze vraagstelling afwijkt van hetgeen gebruikelijk is, zijn de resultaten aan interpretatiegevoeligheid onderhevig. De rechtbank honoreert het verzoek en overweegt dat de Tromp/Elemans-vraagstelling van recente datum is en sindsdien in recente uitspraken van twee hoven is gehanteerd voor neuropsychologisch onderzoek. Naar verwachting zal beantwoording van de Tromp/Elemans-vraagstelling juist meer juridisch relevante informatie verschaffen ten behoeve van het beoordelen van het juridisch causaal verband, dan de medische informatie over het medisch causaal verband waar de NVN-vraagstelling toe leidt. De voordelen daarvan wegen niet op tegen eventuele door de wederpartij gevreesde nadelen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 15-04-2025

Rechtspraak

PS 2025-0351

Tijdens de coronapandemie is een ambulanceverpleegkundige van de GGD op 5 maart 2020 in aanraking gekomen met een patiënte met ernstige ademhalingsproblemen. Hij heeft deze patiënte behandeld in haar woning op een van de bovenste etages in een flatgebouw, haar vervolgens op een brancard via een kleine lift naar beneden naar de ambulance gebracht. Tijdens de daaropvolgende ambulancerit naar de spoedeisende hulp heeft hij verneveling toegepast. De ambulanceverpleegkundige is op 19 maart 2020 getest op corona, de uitslag was positief. De man heeft daarna niet meer gewerkt in zijn functie van ambulanceverpleegkundige. Bij hem is long covid gediagnosticeerd. In 2021 heeft de man de GGD aansprakelijk gesteld voor gezondheidsschade op grond van artikel 7:658 BW, stellende dat hij op 5 maart 2020 is besmet toen hij in aanraking kwam met de patiënte. De kantonrechter overweegt dat niet vaststaat dat de patiënte besmet was met het coronavirus. Niet is komen vast te staan dat de man tijdens zijn werkzaamheden met het coronavirus in aanraking is gekomen. De arbeidsrechtelijke omkeringsregel wordt niet toegepast. De kantonrechter gaat niet in op de vraag of de GGD aan haar zorgplicht heeft voldaan. Het betoog van de man dat er sprake is van proportionele aansprakelijkheid slaagt ook niet. De GGD is immers op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen niet aansprakelijk voor de geleden schade. In dat geval kan dus evenmin sprake zijn van proportionele aansprakelijkheid aan de zijde van de GGD.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 25-06-2025