Deelgeschil. In 2024 is een man met zijn linkervoet vast komen te zitten tussen de deuren van een tram, waarna de man is meegesleurd door de rijdende tram. Uiteindelijk is de voet van de man na ongeveer honderd meter losgekomen. De man heeft letsel opgelopen aan zijn rechterbeen, rug en arm. Openbaar vervoerder HTM heeft aansprakelijkheid voor (de gevolgen van) het ongeval niet erkend. De man stelt dat HTM een gevaarlijke situatie heeft gecreëerd, waardoor het ongeval kon gebeuren. De deuren van de tram hadden moeten openen toen de man tussen de sluitende deuren terechtkwam. Dat is niet gebeurd. Het veiligheidssysteem van de tram is dus gebrekkig. Daarnaast had de trambestuurder moeten controleren of hij veilig kon wegrijden bij de halte. Als hij dat had gedaan, dan zou hij de man hebben opgemerkt en zou het ongeval zijn voorkomen. Tot slot had de tram niet een wachttijd van 12 seconden, maar van 30 seconden moeten hanteren. Ook dan zou het ongeval zijn voorkomen, aldus de man, omdat hij dan niet zo had hoeven te haasten. HTM stelt dat de man op het moment dat het voor de onderhavige HTM-tram geldende vertrekprotocol was doorlopen en de trambestuurder groen licht op zijn bedieningspaneel kreeg, waardoor de tram in beweging kon komen, zijn voet tussen de reeds vergrendelde deuren geschopt of gewrongen heeft, waarbij hij klem is komen te zitten. Bij normaal gebruik werkt het veiligheidssysteem van de tramdeuren zodanig dat het dit soort ongevallen voorkomt. In dit geval is evenwel geen sprake van normaal gebruik en is een ongeval ontstaan door omstandigheden die niet voor rekening van HTM kunnen komen, maar aan eigen schuld van de man te wijten zijn. Verder betwist HTM de toepasselijkheid van Boek 8 BW. Volgens HTM heeft het ongeval namelijk niet tijdens het vervoer plaatsgevonden, zoals dat vervoer omschreven is in artikel 8:102 BW en de bijbehorende parlementaire geschiedenis. De kantonrechter kan de handeling van de man niet anders interpreteren dan als (een poging tot) instappen in de tram. Onder deze omstandigheden is sprake van instappen in de zin van artikel 8:102 lid 1 BW. Daarmee heeft het gebeurde plaatsgevonden in de vervoerperiode en zijn de bepalingen van Boek 8 BW van toepassing. Artikel 8:105 lid 1 BW bepaalt dat de vervoerder aansprakelijk is voor schade veroorzaakt door letsel als gevolg van een ongeval dat de reiziger in verband met en tijdens het vervoer is overkomen. De kantonrechter overweegt dat uit de feitelijke gebeurtenissen blijkt dat het veiligheidssysteem van het onderhavige type tram niet voorkomt dat iemand met zijn voet beklemd raakt tussen de deuren, zoals de man is overkomen. De kantonrechter gaat ervan uit dat het gros van de reizigers geen weet heeft van de precieze werking van het veiligheidssysteem van een tram; naar algemene ervaringsregels proberen reizigers geregeld de sluitende deuren van een tram weer open te laten gaan door een arm of hun lichaam tussen de deuren te brengen. Meestal gaan die dan ook weer open, wat te verklaren is door het mechanisme van de koperdraad in de rubberen randen van de deuren. HTM heeft op de zitting ook erkend dat dit zou zijn gebeurd als de man zijn arm tussen de deuren zou hebben gedaan. Dit mechanisme werkt echter kennelijk niet als iemand een voet tussen de deuren steekt en er komt ook geen signaal naar de trambestuurder dat er zich iets of iemand tussen de vergrendelde deuren bevindt. Dit kan worden beschouwd als een gebrek in het veiligheidssysteem, dat voor risico van HTM moet blijven. De potentieel ernstige gevolgen van dit gebrek kunnen worden ondervangen als de trambestuurder kort voor het wegrijden nog een laatste blik werpt op de camerabeelden waarop de deurstellen zichtbaar zijn. Dat is kennelijk niet gebeurd. Het beroep op eigen schuld slaagt gedeeltelijk. De kantonrechter ziet voor de toepassing van de billijkheidscorrectie geen aanleiding. De man moet 50% van de schade dragen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 24-06-2025