Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.705 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0334

Een (oud-)werknemer vordert schadevergoeding van zijn werkgever; hij stelt dat hem op het werk een arbeidsongeval (art. 7:658 BW) is overkomen. Verder stelt hij schade te hebben geleden door een mishandeling en bedreiging door zijn leidinggevende (art. 6:170 BW). Bij tussenarrest van 11 juli 2023 (ECLI:NL:GHDHA:2023:2964) heeft het hof op beide punten een bewijsopdracht gegeven, waarna getuigen zijn gehoord. In dit arrest komt het hof tot een bewijswaardering. De werknemer heeft volgens het hof voldoende bewezen dat het hij is uitgeleden tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden, het niet vaststaan van de precieze toedracht maakt hierin geen verschil. Op grond van de wederzijdse stellingen kan worden aangenomen dat het vloeroppervlak van de wasstraat nat was. De werkgever heeft niet toegelicht welke maatregelen zij heeft getroffen en welke aanwijzingen zij heeft gegeven ter voorkoming van specifiek het gevaar van uitglijden bij het uitstappen van de bus en het betreden van de vloer van de wasstraat. De werknemer heeft niet aan de zorgplicht voldaan, het hof verwijst de zaak naar de schadestaatprocedure. De werknemer stelt daarnaast dat hij door een van zijn leidinggevenden is bedreigd en mishandeld na een gesprek tussen de werknemer en een functionaris van de werkgever, waarbij de leidinggevende ook aanwezig was. Het geheel van de verschillende verklaringen overziende, oordeelt het hof dat aannemelijk is dat er een woordenwisseling is geweest tussen de leidinggevende en de werknemer. Dat er bij deze woordenwisseling een serieus te nemen en als onrechtmatig aan te merken bedreiging is geweest van de leidinggevende aan het adres van de werknemer, kan echter niet als bewezen worden aangenomen.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 11-03-2025

Rechtspraak

PS 2025-0332

In deze zaak gaat het om letselschade die een politieagent heeft geleden als gevolg van het verzet van de man bij zijn aanhouding. Tijdens de dienst van de politieagent is de man aangehouden. Daarbij heeft de man zich fysiek verzet tegen zijn transport naar een politievoertuig. Achterwaarts lopend in gebukte houding drukte de man met kracht zijn nek en hoofd omhoog tegen de rechterarm van de politieagent, die daardoor los kwam uit de schouderkom (schouderluxatie). Ter zake dit incident heeft het gerechtshof Amsterdam in hoger beroep in een arrest van 1 augustus 2023 de man veroordeeld voor (onder meer) ‘wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben’. De gevorderde immateriële schadevergoeding wordt afgewezen, omdat eiser onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat het gaat om schade die is geleden na indiening van zijn vordering als benadeelde partij in het strafproces. De misgelopen onregelmatigheidstoeslag die eiser vordert wordt afgewezen, omdat een grondslag daarvoor ontbreekt. De vergoeding voor huishoudelijke hulp is in overeenstemming met de Richtlijn Huishoudelijke Hulp van de Letselschade Raad en wordt toegewezen. De schade wegens verlies aan zelfwerkzaamheid wordt begroot op de helft van het gevorderde bedrag. Gezien de aard van het schouderletsel van de politieagent is aannemelijk dat hij de door hem benoemde zware werkzaamheden in, aan en rondom zijn nieuwe woning niet heeft kunnen verrichten. Dat de politieagent dergelijke werkzaamheden voorafgaand aan het incident wel zelf deed, is ook aannemelijk. Er is dus sprake van verlies aan zelfwerkzaamheid als gevolg van de onrechtmatige daad van de man.
Rechtbank Noord-Holland, 02-04-2025

Rechtspraak

PS 2025-0330

Tijdens de oudejaarsnacht 2021/2022 heeft het slachtoffer letsel opgelopen, zijn rechtervoet en -enkel zijn geamputeerd. Het slachtoffer stelt dat het letsel is veroorzaakt door vuurwerk dat is meegenomen door de man die hij aansprakelijk heeft gesteld. Tijdens deze nacht gold er een vuurwerkverbod voor vuurwerk wat geen F1-vuurwerk is. Partijen zijn het erover eens dat tijdens de oudejaarsnacht 2021/2022 in of bij de woning van het slachtoffer ook F2-vuurwerk voorhanden is geweest, in weerwil van het vuurwerkverbod. Het slachtoffer vermoedt dat de man ook zwaarder vuurwerk dan F2-vuurwerk heeft meegebracht. Het slachtoffer verwijt de man dat hij tegen de tussen partijen gemaakte afspraak in zwaar (knal)vuurwerk bij zich droeg, dat hij dat in aangestoken toestand is verloren waarna het naar het slachtoffer rolde en ontplofte toen het zijn voet bereikte. Gezien het ernstige letsel van het slachtoffer moet het zwaar (knal)vuurwerk zijn geweest en de man heeft geen voorzorgsmaatregelen getroffen om dat vuurwerk veilig af te steken, aldus het slachtoffer. Dit is door de man gemotiveerd betwist. De man stelt dat zijn jas door onbekende reden in de brand is gevlogen. Hij heeft toen zijn jas uitgedaan en weggegooid. Ongeveer op hetzelfde moment zou er een koker naar beneden gerold zijn die het slachtoffer heeft gestopt met zijn voet, waarna deze is ontploft, aldus de man. Het slachtoffer heeft, volgens het hof, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de aangestoken koker door toedoen van de man naar beneden is gaan rollen en dat de man dit vuurwerk, tegen de afspraak in, had meegenomen. Het hof komt tot de slotsom dat niet kan worden vastgesteld dat het letsel van het slachtoffer door toedoen van de man is veroorzaakt. Daarom komt het hof niet toe aan de beoordeling van de vraag of de man de geëigende maatregelen had getroffen om de risico’s van het afsteken van vuurwerk zo veel mogelijk te beperken en of hij zich ervan bewust was, althans zich ervan bewust had behoren te zijn, dat de mate van waarschijnlijkheid van het optreden van ernstig letsel als gevolg van zijn gedrag zo groot was dat hij zich naar maatstaven van zorgvuldigheid daarvan had moeten onthouden. Het hof bekrachtigt het vonnis waarin de vordering van het slachtoffer was afgewezen.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 20-05-2025

Rechtspraak

PS 2025-0329

Twee voetgangers zijn in Aruba aangereden door een auto. De verzekeraar van de bestuurster van de auto heeft de verzekerde som van Afl. 150.000 uitgekeerd. De voetgangers stellen meer schade te hebben geleden en vorderen het meerdere van de bestuurster. Indien overmacht van de bestuurster van het motorrijtuig niet aannemelijk is gemaakt, maar er wel een fout van de voetganger is zonder dat sprake is van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid, eist de billijkheid dat ten minste 50% van de schade ten laste van het motorrijtuig wordt gebracht wegens de verwezenlijking van het daaraan verbonden gevaar. Het Hof acht dat daar in dit geval sprake van is. De bestuurster had haar snelheid moeten aanpassen aan de situatie. Het is een feit van algemene bekendheid dat regelmatig toeristen de L.G. Smith Boulevard op allerlei plaatsen oversteken zonder gebruik te maken van een zebrapad en zonder goed uit te kijken. Bij kruispunten op de L.G. Smith Boulevard gebeurt dat nog meer dan elders bij de L.G. Smith Boulevard. De bestuurster diende daarmee rekening te houden. Zij diende haar snelheid ook aan te passen aan de mate van overzichtelijkheid van de situatie ter plaatse door begroeiing langs de weg en de mate van verlichting bij nacht. Dat heeft zij onvoldoende gedaan. Overmacht kan daarom niet worden aangenomen. Op enige afstand van waar de voetgangers overstaken bevond zich een zebrapad, zij hebben bij het oversteken geen gebruik gemaakt van het zebrapad. Maar dat kan in het midden blijven. Van de voetgangers mocht in elk geval verwacht worden dat zij goed zouden uitkijken bij het oversteken. Dat geldt zeker ook als er geen zebrapad zichtbaar was en ook als iemand een pad in het midden van de weg aan hen had aangewezen. De voetgangers waren voor het eerst in Aruba en kenden de verkeerssituatie ter plaatse niet goed. Dat had een extra reden voor hen moeten zijn om voorzichtig te zijn. Zij hebben bij het oversteken onvoldoende voorzichtigheid betracht. De schade is mede door hun gedragingen veroorzaakt. Hun verkeersfout(en) is/zijn echter niet zo ernstig dat gesproken zou moeten worden van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid. Aldus eist de billijkheid dat ten minste 50% van de schade ten laste van het motorrijtuig wordt gebracht wegens de verwezenlijking van het daaraan verbonden gevaar. Er is al meer dan 50% van de gestelde schade vergoed. De vordering is dus terecht afgewezen.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 10-06-2025

Rechtspraak

PS 2025-0328

Tussenvonnis. Werkneemster is in dienst als activiteitenbegeleider. De werkneemster stelt dat een van de bewoners van de locatie waar zij werkt, haar tijdens haar werk een klap tegen haar rechterslaap gegeven. De werkneemster houdt zowel de bewoner (op grond van onrechtmatige daad) als werkgever (op grond van werkgeversaansprakelijkheid) aansprakelijk. Zij voeren beiden verweer. De bewindvoerder van de bewoner betwist bij gebrek aan wetenschap dat de bewoner onrechtmatig heeft gehandeld en de werkgever voert aan haar zorgplicht te hebben nageleefd. De kantonrechter is van oordeel dat de bewoner aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad en daarom verplicht is de schade te vergoeden. Om vast te kunnen stellen of (ook) de werkgever aansprakelijk is voor de schade is nadere bewijslevering ten aanzien van de naleving van de zorgplicht nodig. De werkgever stelt voldoende te hebben gedaan om de schade te voorkomen, de klap kwam namelijk onverwacht. De werkneemster betwist dit concreet. In de kern komt haar betwisting erop neer dat het incident voorkomen had kunnen worden als er een goede overdracht was geweest waardoor zij op de hoogte was van de onrust bij de bewoner van de dag ervoor, hetgeen vooral relevante informatie was omdat er ook nog een ongebruikelijke ruimtewisseling plaatsvond. Gelet op deze stand van zaken is het aan de werkgever om te bewijzen dat zij haar zorgplicht heeft nageleefd. De werkgever krijgt een bewijsopdracht.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Tilburg), 18-06-2025

Rechtspraak

PS 2025-0327

Deelgeschil. Er heeft een ongeval plaatsgevonden op een bouwplaats van een nieuwbouwproject. De man, als uitzendkracht ingehuurd door de onderaannemer, is van een ladder gevallen tijdens het uitvoeren van zijn werkzaamheden met letsel tot gevolg. Het letsel bestond onder meer uit een gebroken linkerenkel, die op twee plaatsen was gebroken. De man heeft de onderaannemer als materiële werkgever aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en nog te lijden schade. Over de toedracht zijn partijen het niet eens, maar de kantonrechter oordeelt dat de onderaannemer ook indien uit moet worden gegaan van de door hem geschetste toedracht niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan. De onderaannemer stelt dat de man is gevallen van een hoogte van circa 1,2 meter, zijnde de hoogte van een kleine huishoudtrap. De kantonrechter oordeelt dat geen sprake is van een huis-tuin-en-keukenongeval. Het risico van een ladder van circa 1,2 meter hoog is niet groot, maar door het structurele gebruik wordt dit risico wel groter. Enerzijds omdat het risico zich (veel) vaker voordoet, en de kans op een ongeval dus toeneemt, anderzijds omdat gewenning bij de werknemer een zekere blindheid voor het gevaar in de hand werkt. De kantonrechter oordeelt dat door de onderaannemer onvoldoende veiligheidsmaatregelen zijn getroffen. De man had nog niet eerder voor de onderaannemer gewerkt, de onderaannemer was dus niet bekend met de werkwijze van de man. Dat de man ervaring heeft, geschoold is en in het bezit van een VCA-certificaat maakt hierin geen verschil. Uit niets blijkt dat de onderaannemer zich er zelf van heeft overtuigd dat de man voldoende veiligheidsregels in acht nam – en in acht bleef nemen – bij het gebruik van de ladder. De kantonrechter komt daarom tot het oordeel dat – ongeacht het ‘valscenario’ – niet is komen vast te staan dat de onderaannemer alle veiligheidsmaatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd. De onderaannemer is dus aansprakelijk voor de schade als gevolg van het ongeval.
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 28-05-2025