Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.705 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0386

In 2018 is een man betrokken geweest bij een verkeersongeval. De man stelt als gevolg van het ongeval gezondheidsklachten te hebben ontwikkeld die hem onder meer beperken in zijn mogelijkheden om arbeid te verrichten. De man vordert een voorschot op zijn (inkomens)schade van € 400.000 van de WAM-verzekeraar van de wederpartij. De WAM-verzekeraar betwist dat de door de man gestelde klachten en beperkingen het gevolg van het ongeval zijn. De WAM-verzekeraar acht zich niet gebonden aan het deskundigenrapport dat door een door de rechter benoemde neuroloog is opgesteld en vordert een verklaring voor recht dat de schade van de man volledig is vergoed met de betaling van een bedrag van € 605 voor de reparatiekosten van zijn auto. De rechtbank oordeelt dat de WAM-verzekeraar steekhoudende en zwaarwegende bezwaren tegen het deskundigenrapport heeft ingebracht. Verder oordeelt de rechtbank dat de pijnklachten van de man aan de nek, de onderrug en de uitstraling naar het linkerbeen (tot in de voet) een plausibel klachtenpatroon vormen en in causaal verband staan met het ongeval. Achmea moet de schade vergoeden die de man heeft geleden en nog lijdt als gevolg van de uit deze pijnklachten voortvloeiende beperkingen. Daarvoor verwijst de rechtbank de zaak naar de schadestaatprocedure. Het door de man gevorderde voorschot wijst de rechtbank bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing af. Er is nog nader onafhankelijk (medisch) deskundigenonderzoek nodig.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 23-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0385

De ouders van een overleden 16-jarige meisje verzoeken de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Het meisje is in de vroege ochtend van 28 november 2015 overleden nadat zij is aangereden door een trein. De politie is na het overlijden een onderzoek gestart. De ouders stellen dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de dood van hun dochter. Volgens de Staat maken de ouders misbruik van de bevoegdheid een voorlopig getuigenverhoor te vragen, omdat zij de bevoegdheid inzetten voor een ander doel dan waarvoor deze bedoeld is, namelijk nader onderzoek naar de dood van het meisje. Voor die wens is volgens de Staat de artikel 12-procedure de aangewezen weg. De ouders stellen dat het verzoek niet gericht is op (nader) onderzoek naar de dood van hun dochter, maar om feiten en omstandigheden boven water te krijgen die bevestiging bieden van hun stelling dat de Staat onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door te weinig, althans gebrekkig onderzoek te doen. De rechtbank overweegt dat beklag in een artikel 12-procedure mogelijk is in gevallen waarin wordt afgezien van verder onderzoek naar een mogelijk strafbaar feit als een (direct) belanghebbende van mening is dat dit onterecht is en er redenen zijn nader onderzoek te doen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat wat verzoekers naar de kern willen of althans de afgelopen jaren steeds hebben gewild. Het standpunt van verzoekers dat zij een dergelijk verzoek niet kunnen indienen omdat zij niet over het (onderzoeks)dossier beschikken en daarom de artikel 12-procedure geen optie was (of is), maakt dat niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Staat er met recht op gewezen dat de artikel 12-procedure voorziet in een regeling tot kennisneming van ‘de op de zaak betrekking hebbende stukken’ (artikel 12f lid 2 Sv) door de klager en diens advocaat of gemachtigde. In de regel zal de kennisneming kunnen plaatsvinden (tijdig) voordat de klager door het gerechtshof wordt gehoord. Het ontbreken van het onderzoeksdossier vormt naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen hindernis voor de start van een artikel 12-procedure door middel van indiening van een klaagschrift. De ouders zien verder als belemmering van de artikel 12-procedure dat daarin geen mogelijkheid bestaat getuigen te horen. Die visie deelt de rechtbank niet. Artikel 12i Sv geeft het gerechtshof de bevoegdheid de officier van justitie een last op te leggen bepaalde onderzoekshandelingen te (laten) verrichten. Tot die onderzoekshandelingen is het horen van getuigen ook te rekenen. Het betoog van de ouders dat de artikel 12-procdure geen mogelijkheid bevat aan klagers een schadevergoeding toe te kennen is wel juist. De schadevergoeding waarop de ouders aanspraak maken kan echter pas aan de orde zijn als het daarvoor beschikbare (strafrechtelijke) rechtsmiddel is aangewend. De rechtbank overweegt verder dat er situaties denkbaar zijn waarin in redelijkheid niet verlangd kan worden dat een artikel 12-procedure wordt gestart als er sprake is geweest van zodanig onzorgvuldig handelen van de zijde van de politie of het OM. Te denken is bijvoorbeeld aan het geval dat essentiële bewijsmiddelen door onzorgvuldig handelen zijn weggeraakt of in het ongerede zijn geraakt. Dat is in deze procedure niet het geval. De rechtbank komt tot het oordeel dat de artikel 12-procedure voor de ouders de aangewezen en exclusieve route is.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 15-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0383

In 2022 heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen een Mercedes en een Opel. De twee inzittenden van de Opel zijn als gevolg van het ongeval overleden. De bestuurder van de Mercedes van zijn moeder was ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol en reed met zeer hoge snelheid. Hij is in verband hiermee strafrechtelijk veroordeeld. De WAM-verzekeraar van de Mercedes heeft schadevergoeding betaald aan de nabestaanden van de beide inzittenden van de Opel. De WAM-verzekeraar vordert nu onder meer een verklaring voor recht dat de bestuurder van de Mercedes aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het ongeval en veroordeling van de bestuurder tot betaling van aan de nabestaanden betaalde bedragen. De bestuurder van de Mercedes vordert op zijn beurt ongedaanmaking van de registratie van zijn persoonsgegevens in verschillende verwijzingsregisters. In eerste aanleg is geoordeeld dat de aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de nabestaanden beperkt is tot de overlijdensschade op grond van artikel 6:108 BW. Het hof is het hier niet mee eens. Met de WAM-verzekeraar is het hof van oordeel dat ingevolge het bepaalde in artikel 15 lid 1 WAM het verhaalsrecht ontstaat als de verzekeraar ingevolge deze wet de schade van een benadeelde geheel of ten dele vergoedt. In artikel 1 WAM zijn benadeelden gedefinieerd als degenen die schade hebben geleden, alsmede hun rechtsverkrijgenden. Dit betekent dat het verhaalsrecht van artikel 15 lid 1 WAM zich ook uitstrekt tot de bedragen die zijn uitgekeerd aan de erfgenamen als rechtsverkrijgenden van de slachtoffers. Het hof gaat per post langs of de WAM-verzekeraar voor de betaalde bedragen verhaal recht heeft op de bestuurder. De gevorderde vergoeding affectieschade ten aanzien van meerderjarige kinderen ex artikel 6:108 lid 3 BW wordt toewijsbaar geacht in het licht van de normbedragen in het Besluit vergoeding affectieschade. Aan de broer van de overledene is eveneens een bedrag voor affectieschade toegekend op grond van artikel 6:108 lid 4 onder g BW. De notariskosten die betrekking hebben op de afwikkeling van de nalatenschap van de overledene zijn niet als kosten van lijkbezorging als bedoeld in artikel 6:108 lid 2 BW toewijsbaar. Evenmin betreft het verhaal van schade in verband met een vordering die de nabestaanden in hun hoedanigheid van erfgenamen op de bestuurder hebben verkregen. In eerste aanleg is verder de vordering van de bestuurder tot ongedaanmaking toegewezen. Het hof oordeelt dat de registraties in de verwijzingsregisters die volgens de WAM-verzekeraar betrekking hebben op de gebrekkige moraliteit van de bestuurder, zijn roekeloos rijgedrag en het bagatelliseren van drankgebruik niet kwalificeren als een incident in de zin van het Protocol. Datzelfde geldt voor de gestelde leugenachtige verklaringen van de bestuurder ten aanzien van de gereden snelheid en het drankgebruik. De grief van de WAM-verzekeraar tegen het oordeel van de rechtbank faalt.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 15-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0382

Hoge Raad. Het onderdeel klaagt dat het hof heeft gehandeld in strijd met artikel 6 EVRM, dan wel met de eisen van een goede procesorde, door niet ambtshalve een mondelinge behandeling te gelasten. Het onderdeel voert aan dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij in de strafprocedure niet kan worden beschouwd als een volwaardige mondelinge behandeling in de zin van artikel 131 Rv of artikel 88 lid 1 Rv en/of artikel 89 lid 1 Rv en dat daar nog bij komt dat die vordering geen schadevergoeding voor de vernieling van de toonbank omvatte. Gezien de omstandigheid dat in afwijking van artikel 131 Rv nog geen mondelinge behandeling had plaatsgevonden en het hof in wezen de eerste instantie is die volwaardig naar de feiten in het licht van het partijdebat kon kijken, had het hof gebruik moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid om ambtshalve een mondelinge behandeling te gelasten (artikel 87 Rv), aldus het middel. De Hoge Raad overweegt dat er een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. De vordering tot vergoeding van immateriële schade is tijdens de strafzitting bij de rechtbank behandeld, waarbij tegen die vordering verweer is gevoerd. Artikel 6 EVRM noch de eisen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter in hoger beroep ambtshalve een mondelinge behandeling moet gelasten indien het gaat om een vordering die in eerste aanleg op een strafzitting is behandeld als een vordering benadeelde partij. Dit geldt ook in een geval waarin in hoger beroep de eis wordt vermeerderd en in zoverre nog geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden.
Hoge Raad, 18-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0381

Een snorfietser heeft een ernstig ongeluk gekregen doordat hij tegen een door de Gemeente geplaatst schrikhek reed dat – bij stormachtig weer – was omgewaaid. De verzekeraar heeft de ziektekosten van de snorfietser vergoed en vordert als gesubrogeerd verzekeraar vergoeding daarvan door de Gemeente. Volgens de verzekeraar was sprake van een gevaarzettende situatie waarvoor de Gemeente jegens de snorfietser aansprakelijk is. Het hof is, net zoals de rechtbank, van oordeel dat sprake was van een gevaarzettende situatie die maakt dat de Gemeente aansprakelijk is voor de schade. Het gaat hier om een door de Gemeente zelf geplaatst schrikhek, dat niet was verzwaard met zandzakken of anderszins, terwijl aan de Gemeente duidelijk was of in ieder geval moest zijn dat dergelijke hekken bij harde wind of storm kunnen omwaaien. Daarnaast is van belang dat het schrikhek waar het in deze zaak om gaat midden op een weg was geplaatst waarvan (snor)fietsers nog gebruik konden maken. De Gemeente heeft aangevoerd dat er sprake is van eigen schuld omdat de snorfiets zou zijn opgevoerd. Het hof heeft overwogen dat ervan moet worden uitgegaan dat de bestuurder niet harder reed dan 25 km/h. Dat betekent dus dat het feit dat de snorfiets was opgevoerd, geen rol heeft gespeeld bij het ontstaan van het ongeval. Dat geldt ook als juist is, zoals de Gemeente bij de mondelinge behandeling nog heeft betoogd, dat een opgevoerde snorfiets eigenlijk niet de weg op mag. De Gemeente voert verder nog aan dat de bestuurder stapvoets had moeten rijden vanwege het stormachtige weer en dat hij de fietsstrook had moeten gebruiken en niet het middendeel van de weg. Deze betogen falen. Er zijn geen aanwijzingen dat de bestuurder niet de normale oplettendheid in acht heeft genomen of dat hij in de gegeven omstandigheden niet op het middeldeel van de weg had mogen rijden. Het hoger beroep van de Gemeente slaagt niet en het hof bekrachtigt het vonnis.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 08-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0380

Deelgeschil. De vrouw is voor de voordeur van een woning die zij wilde bezoeken in een gat gevallen dat daar was gegraven in verband met werkzaamheden aan de gasleidingen. Zij spreekt de aannemer en onderaannemer aan voor vergoeding van haar letselschade. De rechter oordeelt dat op grond van artikel 6:171 jo. 6:170 BW de onderaannemer aansprakelijk is. Echter hebben er met de onderaannemer nog geen onderhandelingen plaatsgevonden voorafgaand aan het indienen van het onderhavige verzoek tot deelgeschil. Het verzoek van de vrouw om een deelbeslissing van de rechtbank in het geschil met de onderaannemer is naar het oordeel van de rechtbank dan ook te snel ingesteld, omdat geen sprake was van in een impasse geraakte onderhandelingen met de onderaannemer, die met een deelbeslissing van de rechtbank vlot getrokken zouden kunnen worden. Dit levert volgens de rechtbank een grond op voor afwijzing van het verzoek tot deelgeschil. Daarnaast is er nog een andere (zelfstandige) grond om het verzoek af te wijzen. Partijen zijn het er niet over eens of sprake is geweest van onrechtmatige gevaarzetting door de werknemers van de onderaannemer. De toedracht van het ongeval staat dus nog niet vast; hiervoor dienen getuigen te worden gehoord. Het horen van getuigen verdraagt zich niet met het uitgangspunt dat de deelgeschilprocedure eenvoudig, snel en efficiënt moet zijn. Deze twee gronden hebben als gevolg dat het verzoek tot een deelgeschil dient worden afgewezen.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 24-06-2025

Rechtspraak

PS 2025-0377

Tussenvonnis na deskundigenbericht. Werknemer stelt PTSS en een burn-out te hebben opgelopen als gevolg van werkzaamheden in de zorg. Zoals reeds in het vonnis van 1 maart 2023 is overwogen, is de werkgever op grond van artikel 7:658 lid 2 BW jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij zij aantoont dat zij de zorgplicht als bedoeld in artikel 6:658 lid 1 BW niet heeft geschonden. Om de aansprakelijkheid te kunnen vast te stellen is een deskundige benoemd. De vraag ligt voor of het deskundigenbericht gevolgd kan worden ter vaststelling van de medische klachten van de werknemer en de oorzaak daarvan. Uit het deskundigenbericht volgt dat sprake is van PTSS en dat het niet aannemelijk is dat er een PTSS zou zijn ontstaan wanneer werknemer niet bij de werkgever had gewerkt. De werkgever heeft bezwaren tegen het deskundigenbericht. Deze bezwaren worden niet door de kantonrechter gedeeld en zij vindt dat de conclusie van de deskundige logischerwijs volgt uit haar bevindingen. De kantonrechter oordeelt ook dat de werknemer als gevolg van de PTSS schade heeft geleden. De werkgever stelt dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht. Omdat het incident voortkwam uit de beperking van de betreffende cliënt wordt bij de beoordeling uitgegaan van ‘bij door medewerkers en cliënten als bedreigend ervaren gedrag van cliënten ten gevolge van hun handicap’, en niet van het algemene agressieprotocol. Vast is komen staan dat de werknemer niet is ingegaan op de hulp die is aangebonden op basis van dit protocol. Echter heeft de werkgever onvoldoende onderbouwd dat zij heeft voldaan aan het andere protocol ‘Opvang na schokkende en traumatische ervaringen’. Daarbij heeft de werknemer voldoende betwist dat de gevolgde trainingen in de praktijk toepasbaar waren. De werknemer heeft daarom voldoende betwist dat er niet aan de zorgplicht is voldaan. Het is aan de werkgever om te bewijzen dat zij wel aan de zorgplicht heeft voldaan, zij zal worden toegelaten tot het leveren van bewijs waaruit blijkt dat zij de op haar rustende zorgplicht heeft nageleefd.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 28-05-2025