Een stichting stelt dat een grote groep vrouwen gezondheidsklachten ervaart door een permanente sterilisatiemethode middels een implantaat en spreekt de producent aan. In een eerder tussenvonnis heeft de rechtbank geconcludeerd dat zij meer informatie nodig heeft om te kunnen beslissen of de klachten van de vrouwen veroorzaakt worden door het implantaat of dat het implantaat gebrekkig is. De rechtbank benoemt in dit tussenvonnis een commissie van deskundigen. Deze bestaat uit twee klinisch epidemiologen, twee gynaecologen en een immunoloog. De rechtbank zal de commissie vragen haar te informeren over de (methodologische) kwaliteit, zeggingskracht en relevantie van de verschillende onderzoeken die de vrouwen en de producent hebben aangehaald. Ook wil de rechtbank laten toetsen of de producent meer en andere onderzoeken had kunnen laten doen naar (de veiligheid van) het implantaat dan die zij heeft verricht. Tot slot zal de commissie in meer algemene zin worden gevraagd of er nog andere zaken uit het dossier relevant zijn voor de vraag of en in welke mate het implantaat bepaalde gezondheidsklachten veroorzaakt. De rechtbank heeft in het tussenvonnis aangekondigd welke vragen zij aan de commissie zou willen stellen. Partijen hebben daarop gereageerd en hebben wijzigingen en aanvullingen voorgesteld. De rechtbank past enkele vragen aan. Voor zover partijen de vragen ruimer, beperkter, gedetailleerder of andersluidend hebben voorgesteld, gaat de rechtbank daaraan voorbij. De beantwoording van de hiervoor genoemde vragen is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om de gewenste voorlichting en informatie te krijgen. De commissie heeft binnen het kader van de hiervoor genoemde vragen voldoende ruimte en gelegenheid om de rechtbank naar beste weten te kunnen voorlichten. De vrouwen krijgen niet de mogelijkheid om te reageren op het groot aantal nieuwe stukken die de producent heeft ingediend. Het is aan de commissie om de vrouwen op een geschikt moment, bijvoorbeeld in de reactie op het conceptrapport, de gelegenheid te geven om te reageren op (een deel van) de nieuwe stukken, voor zover deze betrekking hebben op het onderzoek en daarvoor relevant zijn. De rechtbank bepaalt voor nu dat het mededelingenverbod ex artikel 28 Rv voor zover nodig enkel wordt opgeheven, in die zin dat de bestuurders en de leden van de raad van toezicht van de stichting, haar advocaten en eventuele (medische) partijdeskundigen kennis mogen nemen van de documenten, mits geheimhouding door hen gewaarborgd is door afspraken daarover met de stichting. Zij mogen deze documenten en de inhoud daarvan niet delen met andere derden, waaronder bijvoorbeeld haar achterban, en/of daarover mededelingen doen. Zodra de commissie het onderzoek heeft afgerond, kan de stichting desgewenst opnieuw een verzoek doen om het mededelingenverbod op te heffen voor zover bepaalde documenten, die de producent heeft overgelegd, zodanig van belang zijn (geweest) dat zij anderen wil informeren. De rechtbank overweegt dat de commissie zelf regie mag voeren over het onderzoek en mag bepalen wat zij nodig en efficiënt acht. Daarbij moet zij wel de Leidraad deskundigen in Civiele zaken in acht nemen. Tot slot zal de rechtbank op voorhand geen termijnen vaststellen voor (de voortgang van) het deskundigenonderzoek.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 19-08-2026