In 2024 is een man, nadat hij probeerde weg te vluchten uit zijn woning tijdens een woningoverval, in het ziekenhuis opgenomen met ernstig letsel aan beide knieën, waaraan hij moest worden geopereerd. Na de knieoperatie zijn complicaties opgetreden, waaraan hij in het ziekenhuis is overleden. De overvaller is strafrechtelijk veroordeeld voor (onder meer) de beroving en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer, maar niet voor zijn dood, omdat de rechtbank van oordeel was dat de dood niet redelijkerwijs kon worden toegerekend aan het handelen van de overvaller. In deze civiele procedure vorderen de dochters vergoeding van schade die hun vader en zij door het overlijden hebben geleden. De ex-echtgenote van het slachtoffer vordert schadevergoeding voor het wegvallen van de partneralimentatie die hij haar betaalde. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde in civielrechtelijke zin tegenover het slachtoffer aansprakelijk is voor diens overlijden, en dat gedaagde tegenover de nabestaanden van het slachtoffer gehouden is tot het vergoeden van de met het overlijden verband houdende (overlijdens)schade. Er is sprake van een causaal verband: als de overvaller de man niet had beroofd, had de man niet hoeven vluchten en als de overvaller tijdens die vlucht niet aan de man had getrokken, had hij de man niet ten val gebracht en was er geen operatie nodig geweest om het knieletsel te herstellen. Zonder de operatie zouden de complicaties niet zijn opgetreden die het – bovengemiddeld kwetsbare – slachtoffer uiteindelijk fataal zijn geworden. Iemand die een ander zwaar lichamelijk letsel toebrengt, kan weten dat er een risico is dat het slachtoffer een operatie nodig zal hebben. Het is algemeen bekend dat operaties risico’s op complicaties meebrengen. Dat het slachtoffer de opgetreden complicaties mogelijk wel had kunnen overleven als hij geen zwakke gezondheid had gehad, kan het slachtoffer en zijn nabestaanden niet worden tegengeworpen. Volgens vaste rechtspraak komt een zwakke gesteldheid van een slachtoffer in het civiele recht voor rekening van de dader. De overvaller moet elk van de dochters € 17.500 aan affectieschade betalen. Aan een van de dochters moet hij ook de gemaakte uitvaartkosten vergoeden. Zij hebben geen recht op vererfd smartengeld. De man is na de operatie nog bewust en bij zinnen geweest en heeft toen niet kenbaar gemaakt dat hij aanspraak wilde maken op de vergoeding van smartengeld. De vordering van de ex-echtgenote wijst de rechtbank af, omdat haar schade niet valt onder de schade die een dader op grond van de wet aan anderen dan het slachtoffer moet vergoeden.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 20-05-2026