Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.705 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0202

Strafrecht. De verdachte wordt veroordeeld voor doodslag op zijn moeder en het wegmaken van haar onderbenen door deze af te zagen. Verschillende personen hebben zich gevoegd als benadeelde partij. Sommigen hebben shockschade gevorderd. De rechtbank stelt vast dat alle benadeelde partijen psychische klachten hebben, waarvoor een behandeling aangewezen is. Op grond van de door de benadeelde partijen overgelegde stukken kan echter niet worden vastgesteld wat de precieze ernst en het beloop van het geestelijk letsel is. Zo is onduidelijk hoelang de behandelingen zullen duren en wat de verwachte prognose is met betrekking tot het (eventuele) herstel van het opgelopen geestelijk letsel. Los van de vraag of het geestelijk letsel het gevolg is geweest van een hevige emotionele schok zoals bedoeld in de wet, hebben benadeelde partijen op dit moment niet duidelijk gemaakt wat de grondslag van de hoogte van het schadebedrag is. Daarvoor is nader onderzoek vereist. Reeds om deze reden moeten de benadeelde partijen in hun vordering tot vergoeding van schokschade niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat dit strafproces zich niet leent voor dit nadere onderzoek. De benadeelde partijen kunnen dit deel van hun vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Een stiefkind van het overleden slachtoffer vordert affectieschade. De rechtbank merkt op dat de omstandigheden (de benadeelde partij leefde van zijn 16e tot zijn 24e in gezinsverband met het overleden slachtoffer) aantonen dat de benadeelde partij in een bijzondere relatie tot het slachtoffer stond, maar dat ze onvoldoende zijn om te concluderen dat sprake is van een zodanig nauwe persoonlijke relatie ex artikel 6:108 lid 4 sub g BW. Ook een vriend van het overleden slachtoffer doet een beroep op de hardheidsclausule. Dit slaagt ook niet.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 28-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0201

Strafrecht. Net als de rechtbank veroordeelt het hof verdachte voor doodslag op zijn 7 weken oude zoontje. Niet aannemelijk is geworden dat het zeer ernstige hersenletsel waaraan de baby is overleden een andere oorzaak kan hebben dan dat dit door verdachte aan hem is toegebracht. De moeder van het overleden slachtoffer heeft zich gevoegd als benadeelde partij. Zij vordert onder andere € 20.000 aan affectieschade en € 35.000 aan shockschade. Het hof stelt dat uit het dossier en de onderbouwing van de vordering volgt dat de vrouw direct is geconfronteerd met het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan. In 2020 werd zij namelijk gewekt door de verdachte die haar vertelde dat hun zoontje niet meer reageerde. Voordat de hulpdiensten arriveerden heeft de vrouw haar zoon op instructie van de meldkamer gereanimeerd en een hartmassage gegeven. De hulpdiensten namen de reanimatie van haar over. Zij heeft toen toegekeken. Later is in het ziekenhuis de behandeling gestaakt. Het jongetje lag op bij zijn moeder op de borst toen de slangetjes eruit gingen. Hij begon vreselijk te gieren, een geluid waar ze heel erg van is geschrokken. Toen kwam hij te overlijden. De vrouw heeft haar zoontje nog ongeveer 2 uur op haar borst gehouden. Later heeft zij haar zoontje ook nog gewassen in het mortuarium, waarbij zij heeft gezien dat zijn lichaam overal is opengesneden. Dit alles is voor de vrouw zeer ingrijpend geweest en heeft geleid tot geestelijk letsel, te weten PTSS, zoals blijkt uit de overgelegde verklaring van een psychiater. De benadeelde partij heeft flashbacks en herbelevingen. Ze ondergaat hiervoor traumabehandelingen. De psychiater verklaart dat psychotherapie hoogstwaarschijnlijk jaren nodig zal zijn. Naar het oordeel van het hof is op basis van het voorgaande sprake van grond voor toekenning van een schadevergoeding wegens shockschade. Dat de stukken van de psychiater dateren uit 2021 maakt dat niet anders. Het hof zal de vordering integraal toewijzen en ziet geen reden de vordering te matigen, zoals verzocht door de verdediging.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 24-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0199

Een man stelt dat hij van een keukentrap is geduwd door een vrouw toen hij snoeiwerkzaamheden in de tuin van de vrouw aan het uitvoeren was. De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist. Zij heeft toegelicht dat de man zonder haar toestemming snoeiwerkzaamheden in haar tuin uitvoerde en dat zij hem daarop heeft aangesproken en heeft verzocht te stoppen. Omdat hij niet stopte met snoeien, heeft zij de politie gebeld. Ook daarna ging de man door. Volgens de vrouw heeft zij de trap wel kort vastgepakt, maar niet op het moment dat de man opnieuw de trap opklom en ook niet op het moment dat hij zou zijn gevallen. De man heeft vervolgens zijn stellingen niet nader onderbouwd terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. Weliswaar zijn er door hem beelden in het geding gebracht, maar daarop is de vermeende duw (en val) juist niet te zien. Wel is te zien en te horen dat er een vervelende sfeer en discussie ontstond over de snoeiwerkzaamheden, zoals de vrouw ook beschrijft. De man heeft dus niet voldaan aan zijn stelplicht, waardoor niet kan worden vastgesteld dat sprake is van onrechtmatig handelen door de vrouw. Daar komt bij dat de man ook zijn gestelde schade en het causaal verband onvoldoende heeft onderbouwd. De man stelt dat hij een handfractuur heeft opgelopen en € 385 aan eigen risico moest betalen, maar uit de stukken blijkt niet dat sprake is van een handfractuur. Uit het verslag van het ziekenhuis blijkt juist dat is vastgesteld dat er géén sprake van een handfractuur was. Een betalingsbewijs van het eigen risico ontbreekt bovendien ook. Het gestelde loonverlies van € 2.060 is ook niet onderbouwd. Uit de overgelegde stukken volgt niet dat de man op het moment van het voorval nog werkzaam was, integendeel: de plaatsingsbevestiging van het uitzendbureau heeft een einddatum van 15 juni 2025, terwijl het voorval op 16 juni 2025 heeft plaatsgevonden. Ook ten aanzien van de gestelde schade aan de broek is niet aangetoond dat deze als gevolg van de val is beschadigd. Op de videobeelden is geen kapotte broek zichtbaar. Verder is de gestelde immateriële schade van € 2.500 op geen enkele wijze onderbouwd.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 08-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0195

Eindvonnis. Cosmetische behandeling. Een vrouw heeft een cosmetische behandeling ondergaan bestaande uit lipofilling en liposuctie. Na de ingreep is geconstateerd dat de achterkant van het rechterbovenbeen van de vrouw een inkeping vertoont. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis geoordeeld dat zij het voorlopig bewezen acht dat liposuctie op de plek waar de inkeping is ontstaan niet tussen partijen is overeengekomen. De rechtbank heeft de kliniek in de gelegenheid gesteld om daarvan tegenbewijs te leveren. De rechtbank oordeelt dat kliniek niet is geslaagd in het leveren van dat tegenbewijs. De kliniek heeft onrechtmatig gehandeld jegens de vrouw door de eis van ‘informed consent’ te schenden. Uit de verklaringen kan namelijk niet worden afgeleid dat de vrouw bij het aftekenen of daarvoor toestemming heeft gegeven om liposuctie uit te voeren van de onderrand van de billen. De kliniek moet een (beperkt) aantal schadeposten vergoeden. Bij het vaststellen van het smartengeld zoekt de rechtbank aansluiting bij de Rotterdamse schaal. De rechtbank vindt in dit geval een bedrag bovenaan de bandbreedte passend. Het gaat om een duidelijk zichtbaar litteken dat het uiterlijk in enige mate aantast. De vrouw heeft aannemelijk gemaakt dat het letsel een weerslag heeft op haar (werkzame) leven en dat zij er psychisch onder gebukt gaat, te meer nu het gaat om een gevolg van een medische behandeling waarvoor zij geen toestemming heeft gegeven en deze dus voorkomen had kunnen worden. Door het blijvende litteken wordt zij nog dagelijks met de gevolgen geconfronteerd. Ook door de reacties daarop van anderen wordt zij aan het feit herinnerd. Zij voelde zich genoodzaakt om zich door een plastisch chirurg in het buitenland te laten opereren, wat tot haar verdriet geen volledig herstel heeft opgeleverd. De rechtbank begroot de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op € 5.000.
Rechtbank Noord-Holland, 25-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0193

Een man heeft in 2019 een ongeval veroorzaakt als bestuurder van een huurauto. De fietser die hij heeft aangereden heeft daarbij ernstig letsel opgelopen. De WAM-verzekeraar heeft de schade van de fietser vergoed en stelt zich nu op het standpunt dat het gedrag van de bestuurder dat leidde tot het ongeval als roekeloos in de zin van de polisvoorwaarden en artikel 7:952 BW heeft te gelden. Volgens de WAM-verzekeraar kan zij op grond van artikel 15 lid 1 WAM de schadevergoeding die zij aan het slachtoffer heeft betaald verhalen op de bestuurder. De rechtbank heeft de daarop gerichte vorderingen van de WAM-verzekeraar afgewezen. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis. Om aan te nemen dat het verkeersgedrag van de bestuurder roekeloos is geweest is vereist dat hij zich, in elk geval in zeker mate, bewust was van zijn handelen. Voldoende is dat de man zich van de aanmerkelijke kans op schade bewust had behoren te zijn. Uit de omstandigheden valt af te leiden dat de man ernstige verkeersfouten heeft gemaakt, die hem ook kunnen worden verweten. Deze fouten maken echter niet dat hij roekeloos heeft gehandeld. De man betwist dat hij zich bewust was van de gedragingen die hebben geleid tot het ongeval. Hij heeft verklaard dat hij ten tijde van het ongeval mentaal afwezig was en dat hij de kruising met de rode verkeerslichten niet heeft opgemerkt. De verklaring van de man komt het hof niet onaannemelijk voor. De WAM-verzekeraar heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen die erop wijzen dat de man zich wel bewust was van zijn handelen toen hij het kruispunt naderde. De omstandigheid dat de man bij het naderen van het kruispunt accelereerde geeft eerder steun aan zijn verklaring dat hij tijdelijk mentaal afwezig was. Voor iemand die zich bewust is van zijn handelen is het onlogisch om bij het naderen van een kruispunt te versnellen in plaats van te remmen of eenzelfde snelheid aan te houden. Hoezeer het de man ook kan worden verweten dat hij niet de vereiste oplettendheid heeft betracht tijdens het rijden, is dat niet voldoende voor roekeloosheid in de zin van artikel 7:952 BW. De – door de man betwiste – omstandigheid dat uit zijn medische informatie volgt dat hij sinds zijn jeugd een bril nodig heeft, leidt niet tot een ander oordeel. De man heeft toegelicht dat hij sinds zijn jeugd een pterygium heeft, waaraan hij in 2018 is geopereerd. Hij heeft nooit een bril gedragen. Na de operatie is hem in december 2019 geadviseerd om een bril te gaan dragen met een sterkte van +2 en -0,75. Uit die medische informatie volgt niet dat bij de man een dusdanige oogafwijking is vastgesteld, dat het rijden zonder bril ten tijde van het ongeval als roekeloos kan worden aangemerkt. Ook de omstandigheid dat de man voor zijn rijgedrag strafrechtelijk is veroordeeld leidt niet tot een ander oordeel. Het strafvonnis gaat ervan uit dat de man zich schuldig heeft gemaakt aan (ernstig) verwijtbaar verkeersgedrag. Het strafvonnis bevat echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat hij zich bewust was van zijn handelen. Het beroep van de WAM-verzekeraar op artikel 15 lid 1 WAM faalt dus.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 21-04-2026