Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.964 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0461

In 2022 is een destijds 81-jarige vrouw na een hersenoperatie in het ziekenhuis uit haar bed gevallen. Daarna is bij haar een hersenbloeding geconstateerd. Volgens de vrouw heeft het ziekenhuis zijn zorgplicht geschonden. Het ziekenhuis zou volgens haar geen of onvoldoende maatregelen hebben genomen om de val uit bed te voorkomen of de gevolgen ervan te beperken, terwijl er een verhoogd risico op valincidenten was. De vrouw is van mening dat de hersenbloeding is veroorzaakt door de val. Verder had het ziekenhuis volgens haar na de operatie en na ontdekking van de hersenbloeding verder onderzoek moeten doen en met een adequate behandeling de gevolgen van de hersenbloeding moeten voorkomen. Door dat na te laten is een delay in de behandeling ontstaan en heeft de vrouw schade geleden. De rechtbank merkt als eerste op dat zij er begrip voor heeft dat de echtgenoot van de vrouw boos en wantrouwend is over het feit dat hij niet over de val uit bed is geïnformeerd en niet meteen de relevante stukken heeft gekregen. Hier gaat de procedure echter niet over. De rechtbank concludeert dat niet is gebleken dat het bed van de vrouw niet in de juiste stand stond en ook niet dat het ziekenhuis specifieke andere valpreventiemaatregelen had moeten nemen. Dat de vrouw uit bed is gevallen is heel verdrietig, maar de rechtbank kan niet vaststellen dat dit het gevolg is van een fout van het ziekenhuis. Of de val de hersenbloeding heeft veroorzaakt kan gelet op het voorgaande strikt genomen in het midden blijven. Ten overvloede overweegt de rechtbank daarover nog dat niet kan worden vastgesteld dat de hersenbloeding het gevolg was van de val. Verder staat ook niet vast dat de behandelend artsen voor een andere behandeling (zoals drukverlaging) zouden hebben gekozen als zij de CAA en de hersenbloeding al voor de val uit bed hadden ontdekt. Dit betekent dat niet vaststaat dat er een delay in de behandeling van de hersenbloeding is ontstaan. De vorderingen van de vrouw worden afgewezen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 14-10-2026

Rechtspraak

PS 2026-0459

Deelgeschil. In 2025 is een fietser na afloop van een bedrijfsuitje geraakt door een dalende slagboom. Hij heeft als gevolg van dit ongeval ernstig letsel opgelopen (o.a. gebitsschade, gecompliceerde kaakfracturen, scheefstand van de neus, een gat tussen neus en mond en een hersenschudding). De fietser verzoekt nu een verklaring voor recht dat de Gemeente aansprakelijk is voor de schade die hij door het ongeval heeft geleden en nog zal lijden. Primair legt hij aan dit verzoek ten grondslag dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW, subsidiair stelt hij dat de slagboom is aan te merken als een gebrekkige opstal waarvoor de Gemeente als bezitter ex artikel 6:174 BW aansprakelijk is. De Gemeente voert verweer. De rechtbank gaat de Kelderluik-criteria langs en komt tot de conclusie dat de Gemeente de op haar rustende maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden door een situatie in het leven te roepen die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, terwijl de Gemeente heeft nagelaten voldoende veiligheidsmaatregelen te treffen. De slagboom stond urenlang continu open en is plotseling gedaald. Het is onduidelijk of de rode waarschuwingslichten van de slagboom werkten. Ten tijde van het ongeval klonk geen waarschuwingsgeluid. De Gemeente had ervoor moeten zorgen dat het geluidssignaal functioneerde, aangezien waarschuwende lichtsignalen in combinatie met een duidelijk hoorbaar geluidssignaal afdoende maatregelen zijn. De Gemeente is aansprakelijk, het verzoek van de fietser wordt toegewezen.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 26-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0458

Strafrecht. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van dertien jaar wegens poging tot moord. De verdachte heeft meerdere malen op korte afstand met een vuurwapen voorzien van een geluiddemper gericht op het slachtoffer geschoten. Door het handelen van de verdachte is het slachtoffer ernstig gewond geraakt. Hij heeft een schotwond in het linkerbovenbeen en de kogel is operatief verwijderd. Het slachtoffer heeft tijdens de zitting gebruikgemaakt van zijn spreekrecht en daaruit bleek dat het slachtoffer nog steeds nadelige lichamelijke en psychische gevolgen van het incident ervaart en dat het grote gevolgen heeft voor hem en zijn gezin. Het slachtoffer heeft geen vordering benadeelde partij ingediend. De officier van justitie verzoekt de rechtbank om ambtshalve de schadevergoedingsmaatregel op te leggen omdat duidelijk is dat hij schade heeft geleden en dat hij deze schade vergoed wenst te zien. In dat kader heeft de officier van justitie de rechtbank meegegeven dat er onder de verdachte conservatoir beslag is gelegd op € 22.000. De verdediging voert verweer. De rechtbank overweegt dat zij geen mogelijkheid ziet om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Het slachtoffer heeft ter zitting toegelicht dat hij geen vordering benadeelde partij heeft ingediend omdat hij onbekend is met het Nederlandse straf(proces)recht en hij gelet op de aard van de zaak en de voor hem genomen veiligheidsmaatregelen geen juridische bijstand heeft kunnen vinden. Het slachtoffer heeft om deze reden een verzoek om aanhouding gedaan om alsnog met behulp van een advocaat als benadeelde partij een verzoek om schadevergoeding in te dienen. De rechtbank heeft dit verzoek ter zitting afgewezen. Het slachtoffer heeft vervolgens aangegeven dat het zijn voorkeur heeft om met professionele rechtsbijstand via een civiele procedure zijn schade te verhalen op de verdachte. Het slachtoffer heeft verteld over de mentale toestand van zijn vrouw, over de angst die is ontstaan bij alle gezinsleden, dat de schotwond goed is genezen maar zijn spieren zijn beschadigd en dat er bij hem enorm veel psychische schade is ontstaan. Het slachtoffer heeft niet verder uiteengezet waar zijn schade precies uit bestaat en ook geen informatie verschaft over eventuele blijvende beperkingen als gevolg van het door hem opgelopen (lichamelijke en/of geestelijke) letsel. Dat is voorstelbaar, nu het slachtoffer geen juridische bijstand heeft, maar het gevolg is dat de rechtbank hierdoor geen enkele indicatie heeft van de hoogte van de door het slachtoffer geleden schade. Het is aannemelijk dat de schade hoger is dan € 22.000, maar de rechtbank heeft onvoldoende informatie om in te schatten om welk bedrag het minstens zal gaan. Nu ieder aanknopingspunt voor de hoogte van het schadebedrag ontbreekt zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel niet opleggen.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 15-10-2026

Rechtspraak

PS 2026-0457

In augustus 2021 heeft een huisarts visite afgelegd bij een patiënte in verband met een geïnfecteerde wond aan het rechteronderbeen. Tijdens het met een schaar verwijderen van een verband om dat onderbeen, heeft de huisarts twee wondjes veroorzaakt. In januari 2022 is de patiënte overleden als gevolg van een bloeding. De dochter van de patiënte heeft onder meer de huisarts aansprakelijk gesteld. Zij stelt dat de huisarts in strijd met de professionele standaard heeft gehandeld door het verband op het rechteronderbeen van haar moeder met een ‘gewone’ schaar te verwijderen in plaats van het verband los te weken of een verbandschaar te gebruiken. Volgens haar is de fatale bloeding uit de door de huisarts veroorzaakte wond ontstaan. Subsidiair stelt zij dat haar moeder is overleden door gebrek aan nazorg. Zij verzoekt nu onder meer dat een voorlopig deskundigenonderzoek zal worden verricht. De huisarts voert verweer. Het verzoek om deskundigen te benoemen zou prematuur zijn, omdat partijen fundamenteel van mening verschillen over de feitelijke toedracht. De rechtbank wijst het verzoek om een deskundigenbericht te gelasten door een huisartsgeneeskundige toe. De dochter heeft voldoende belang bij toewijzing van dit verzoek. Het verzoek om een vaatchirurg als deskundige te benoemen, op voorwaarde dat de huisarts in strijd met de professionele standaard heeft gehandeld, zal worden afgewezen. In onderhavige zaak is tussen partijen in geschil welke schaar de huisarts heeft gebruikt bij het verwijderen van het verband bij patiënte en of hij daarmee in strijd heeft gehandeld met de professionele standaard. Zolang nog niet vaststaat of de huisarts in strijd heeft gehandeld met de professionele standaard, acht de rechtbank dit verzoek prematuur. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat als zou blijken dat de huisarts bij het verwijderen van het verband onzorgvuldig heeft gehandeld, dit nog niet zonder meer maakt dat hij (mede)aansprakelijk is voor de schade van de dochter als gevolg van het overlijden van haar moeder. Op het eerste gezicht lijken bij het – zeer onfortuinlijke – overlijden van patiënte immers vele factoren een rol te hebben gespeeld. Of de dochter onder aan de streep veel baat heeft bij het deskundigenonderzoek valt om die reden te betwijfelen, maar dat is een afweging die zij zelf – mede in het licht van de met dat onderzoek gemoeide kosten – zal dienen te maken.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 09-10-2026

Rechtspraak

PS 2026-0456

Een stichting stelt dat een grote groep vrouwen gezondheidsklachten ervaart door een permanente sterilisatiemethode middels een implantaat en spreekt de producent aan. In een eerder tussenvonnis heeft de rechtbank geconcludeerd dat zij meer informatie nodig heeft om te kunnen beslissen of de klachten van de vrouwen veroorzaakt worden door het implantaat of dat het implantaat gebrekkig is. De rechtbank benoemt in dit tussenvonnis een commissie van deskundigen. Deze bestaat uit twee klinisch epidemiologen, twee gynaecologen en een immunoloog. De rechtbank zal de commissie vragen haar te informeren over de (methodologische) kwaliteit, zeggingskracht en relevantie van de verschillende onderzoeken die de vrouwen en de producent hebben aangehaald. Ook wil de rechtbank laten toetsen of de producent meer en andere onderzoeken had kunnen laten doen naar (de veiligheid van) het implantaat dan die zij heeft verricht. Tot slot zal de commissie in meer algemene zin worden gevraagd of er nog andere zaken uit het dossier relevant zijn voor de vraag of en in welke mate het implantaat bepaalde gezondheidsklachten veroorzaakt. De rechtbank heeft in het tussenvonnis aangekondigd welke vragen zij aan de commissie zou willen stellen. Partijen hebben daarop gereageerd en hebben wijzigingen en aanvullingen voorgesteld. De rechtbank past enkele vragen aan. Voor zover partijen de vragen ruimer, beperkter, gedetailleerder of andersluidend hebben voorgesteld, gaat de rechtbank daaraan voorbij. De beantwoording van de hiervoor genoemde vragen is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om de gewenste voorlichting en informatie te krijgen. De commissie heeft binnen het kader van de hiervoor genoemde vragen voldoende ruimte en gelegenheid om de rechtbank naar beste weten te kunnen voorlichten. De vrouwen krijgen niet de mogelijkheid om te reageren op het groot aantal nieuwe stukken die de producent heeft ingediend. Het is aan de commissie om de vrouwen op een geschikt moment, bijvoorbeeld in de reactie op het conceptrapport, de gelegenheid te geven om te reageren op (een deel van) de nieuwe stukken, voor zover deze betrekking hebben op het onderzoek en daarvoor relevant zijn. De rechtbank bepaalt voor nu dat het mededelingenverbod ex artikel 28 Rv voor zover nodig enkel wordt opgeheven, in die zin dat de bestuurders en de leden van de raad van toezicht van de stichting, haar advocaten en eventuele (medische) partijdeskundigen kennis mogen nemen van de documenten, mits geheimhouding door hen gewaarborgd is door afspraken daarover met de stichting. Zij mogen deze documenten en de inhoud daarvan niet delen met andere derden, waaronder bijvoorbeeld haar achterban, en/of daarover mededelingen doen. Zodra de commissie het onderzoek heeft afgerond, kan de stichting desgewenst opnieuw een verzoek doen om het mededelingenverbod op te heffen voor zover bepaalde documenten, die de producent heeft overgelegd, zodanig van belang zijn (geweest) dat zij anderen wil informeren. De rechtbank overweegt dat de commissie zelf regie mag voeren over het onderzoek en mag bepalen wat zij nodig en efficiënt acht. Daarbij moet zij wel de Leidraad deskundigen in Civiele zaken in acht nemen. Tot slot zal de rechtbank op voorhand geen termijnen vaststellen voor (de voortgang van) het deskundigenonderzoek.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 19-08-2026

Rechtspraak

PS 2026-0455

Een man is tijdens een skiles op een indoor skibaan gevallen. Hij droeg geen helm en heeft door de val ernstig hersenletsel opgelopen, waarvoor hij de eigenaren van de indoor skibaan aansprakelijk houdt. In de deelgeschilprocedure heeft de rechtbank beslist dat de eigenaren onrechtmatig hebben gehandeld door onvoldoende toezicht te houden op de naleving van hun advies om tijdens de les een helm te dragen en aansprakelijk zijn voor de volledige geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade van de man. De eigenaren zijn het hier niet mee eens en hebben in de bodemprocedure bij de rechtbank gevorderd de bindende beslissingen te herzien, dan wel om toestemming te verlenen om tegen de beslissing in het deelgeschil tussentijds hoger beroep in te stellen. De rechtbank heeft deze toestemming verleend. Het hof komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De eigenaren hebben hun contractuele zorgplicht geschonden. Zij hadden, gelet op het risico van skiën op een indoor skibaan waarmee een aanzienlijke snelheid wordt bereikt, bedacht moeten zijn op het gevaar van hoofdletsel na een val met daardoor mogelijk ingrijpende gevolgen. Ter voorkoming daarvan hadden de eigenaren op de skibaan minimaal actief moeten bevorderen dan wel dringend moeten adviseren dat het in hun algemene voorwaarden opgenomen advies een helm te dragen werd opgevolgd en hun cursisten bij aanvang van de les daadwerkelijk en actief moeten aanbevelen een helm te dragen. Eenvoudig te nemen maatregelen zijn evenwel niet ingezet. Dat de man in de gegeven omstandigheden, waarin niemand een helm droeg, heeft besloten ook geen helm te dragen, ontslaat hen niet van de nakoming van hun eigen contractuele zorgplicht. Er is dus toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst (en nakoming blijvend onmogelijk). Het hof overweegt dat of het handelen ook onrechtmatig is, onbesproken kan blijven. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat geen sprake is van eigen schuld. Dat sprake is van een sport waarbij het risico op vallen door een eigen fout inherent aanwezig is, en waaraan de man vrijwillig op contractuele basis deelneemt, levert nog geen eigen schuld op. Een fout bij het (indoor) skiën waarbij de skiër ten val komt is inherent aan het (indoor) skiën, dat de skiër daarbij ernstig hersenletsel oploopt doordat hij geen helm draagt, is niet inherent aan het skiën. En juist op dit punt hebben de eigenaren de zorgplicht geschonden. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat juist bij risicovolle sporten, zoals skiën op een mechanisch voortgedreven skibaan, mag worden verwacht dat alle mogelijke voorzorgsmaatregelen worden getroffen om ongelukken en daaruit voortvloeiend letsel te voorkomen. De door de man geleden schade dient dan ook volledig te worden toegerekend aan het feit dat de eigenaren niet hebben voldaan aan de contractuele zorgplicht.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 13-10-2026

Rechtspraak

PS 2026-0454

Incidentvonnis. In 2024 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden. De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid van de verzekerde erkend jegens de wederpartij. De wederpartij heeft sedert het ongeval fysieke en psychische klachten en werkt sinds het ongeval niet meer. Hij was als zelfstandig ondernemer werkzaam in de bouw. Partijen verschillen van mening of een vaststellingovereenkomst was gesloten met finale kwijting. De rechtbank heeft in een tussenbeschikking geoordeeld dat geen vaststellingovereenkomst is gesloten en dat door de wederpartij geen finale kwijting is verleend. De verzekeraar is het niet eens met de tussenbeschikking en verzoekt toestemming om tussentijds hoger beroep in te mogen stellen tegen de tussenbeschikking. De rechtbank wijst dit verzoek toe (art. 1019cc Rv.). De beslissing in deelgeschil brengt, in combinatie met de erkenning van aansprakelijkheid, mee, dat in deze bodemprocedure zal moeten worden vastgesteld in hoeverre de klachten/beperkingen die de wederpartij noemt veroorzaakt zijn door het ongeval en vervolgens welke schadevergoeding de verzekeraar aan hem dient te betalen. Gelet op het debat in het deelgeschil zoals dat blijkt uit de gewezen eindbeschikking zullen daartoe eerst nadere medische gegevens nodig zijn en – vermoedelijk – een deskundigenbericht op medisch gebied, en mogelijk vervolgens nader debat met bewijslevering over de omvang van de schade wegens verlies aan verdienvermogen. Dit alles zal geruime tijd duren en is niet noodzakelijk als het hof van oordeel zou zijn dat er wel een vaststellingsovereenkomst is gesloten.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 14-10-2026