Naar boven ↑
8.838 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0413

Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag en aan wapen- en munitiebezit. Op klaarlichte dag heeft hij met een vuurwapen gericht op het slachtoffer geschoten en hem daarbij in zijn arm geraakt. Daardoor is bij het slachtoffer gecompliceerd armletsel ontstaan. Het slachtoffer houdt hier in ieder geval een aanzienlijk litteken aan over en het is nog onduidelijk of de functionaliteit van zijn arm volledig zal herstellen. Het slachtoffer vordert € 75.000 aan immateriële schade. De kogel heeft aanzienlijke schade bij de benadeelde partij aangericht, waardoor hij twee keer moest worden geopereerd en aan een lang hersteltraject moest beginnen. Het psychische letsel ten gevolge hiervan is aannemelijk en ook voldoende onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat het slachtoffer recht heeft op smartengeld. De rechtbank gaat daarbij uit van een bedrag van € 27.000 wegens het ontstaan van middelzwaar armletsel (categorie 5.7.b). Omdat niet vaststaat dat het hierbij om blijvend letsel gaat, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een verhoging van 25% vanwege de jonge leeftijd van het slachtoffer, nu dit – gezien de aanbeveling – geldt bij blijvend letsel. Wel zal de rechtbank een verhoging van 10% (€ 2.700) toepassen wegens ernstig verwijtbaar handelen van de verdachte, waarbij de rechtbank is uitgegaan van voorwaardelijk opzet bij de verdachte. De rechtbank komt tot een vergoeding van € 10.000 wegens het ontstaan van middelzwaar geestelijk letsel (traumaklachten) en sluit daarbij aan bij de categorie ‘middelzwaar’ omdat ook in dit geval niet vaststaat dat er sprake is van blijvende beperkingen (categorie 14.1.c). Ten slotte komt de rechtbank tot een bedrag van € 10.000 wegens het ontstaan van middelzware littekenvorming (categorie 10.b) en daarbovenop een verhoging van 25% (€ 2.500), vanwege de jonge leeftijd van het slachtoffer, omdat dit letsel naar verwachting blijvend is. Bij beide laatstgenoemde bedragen zal de rechtbank een verhoging van 10% (€ 2.250) toepassen wegens ernstig verwijtbaar handelen van de verdachte. De rechtbank komt tot de conclusie dat het slachtoffer recht heeft op vergoeding van € 54.450 aan immateriële schade.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 03-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0412

Strafrecht. Verdachte heeft met een scherp voorwerp zwaar lichamelijk letsel toegebracht aan het rechterbovenbeen van zijn toenmalige vriendin, als gevolg waarvan zij is komen te overlijden. Ten tijde van het incident was de dochter van het slachtoffer aanwezig in de woning. Daarnaast heeft de verdachte zich op een eerder moment schuldig gemaakt aan huisvredebreuk. De moeder van het slachtoffer heeft € 27.500 aan immateriële schade gevorderd, waarvan € 17.500 aan affectieschade en € 10.000 aan shockschade. De rechtbank wijst de gevorderde affectieschade toe. Daarnaast wijst de rechtbank de gevorderde shockschade ook toe. Uit de stukken volgt dat de moeder onverwacht te horen heeft gekregen dat haar dochter in het ziekenhuis was opgenomen met levensbedreigende verwondingen en in comateuze toestand verkeerde. Tevens heeft zij in het ziekenhuis moeten aanschouwen hoe de pogingen van het medisch personeel om haar dochter in leven te houden uiteindelijk tevergeefs waren. Uit het verslag van de huisarts volgt ook dat zij is verwezen naar een psycholoog vanwege PTSS-klachten. Nu de vordering is onderbouwd, niet gemotiveerd is betwist en de rechtbank het gevorderde bedrag redelijk vindt, wijst de rechtbank de vordering in zijn geheel toe. De dochter en de zoon van het slachtoffer hebben zich ook als benadeelde partij gevoegd. De dochter vordert € 50.000 aan vergoeding van immateriële schade, deze omvat € 20.000 aan affectieschade en € 30.000 aan shockschade. De zoon heeft € 38.500 aan vergoeding van immateriële schade gevorderd, waarvan € 20.000 aan affectieschade en € 18.500 aan shockschade. De rechtbank zal de vorderingen van de affectieschade toewijzen tot een bedrag van elk € 20.000. De rechtbank is van oordeel dat ook de vordering tot schokschade voldoende is onderbouwd. In het geval van de dochter geldt dat zij aanwezig was in de woning toen het feit heeft plaatsgevonden en heeft zij haar moeder toen nog gezien. Zowel de dochter als de zoon hebben hun moeder in het ziekenhuis gezien. Daarnaast heeft een gedragswetenschapper naar voren gebracht dat wat hem betreft vaststaat dat de kinderen psychische schade hebben opgelopen als direct gevolg van het overlijden van hun moeder. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gevorderde schokschade kan worden toegewezen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 10-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0411

Er is schade ontstaan toen de man met zijn auto in botsing kwam met een tegenligger en die tegenligger daardoor tegen een geparkeerd staande auto reed. Bij een voorlopig ademonderzoek (blaastest) bleek de hoeveelheid alcohol in de adem van de man meer dan de toegestane hoeveelheid. Bij onherroepelijk vonnis is de man door de politierechter veroordeeld voor rijden onder invloed. De verzekeraar heeft de door beide derden geleden schade vergoed. Het gaat in deze zaak om de beantwoording van de vraag of de verzekeraar op de man een verhaalsrecht heeft voor schade die hij als WAM-verzekeraar aan derden heeft vergoed. De man stelt zich op het standpunt dat hij ‘telkens [heeft] gesteld dat mogelijk een onjuist resultaat uit de ademalcoholanalyse zou volgen, omdat hij voor het reinigen van zijn kunstgebit gebruik maakt van ontsmettingsalcohol en mondwater’. Welk ontsmettingsmiddel en wat voor mondwater de man precies heeft gebruikt en hoeveel tijd voorafgaand aan de aanrijding die middelen zijn gebruikt, heeft hij niet gesteld. Ook over de vraag of hij nu wel of niet daarnaast alcohol had genuttigd heeft hij zich niet uitgelaten. Het hof heeft een en ander niet aan de man kunnen vragen, omdat hij zonder (goede reden) niet op de mondelinge behandeling is verschenen. Dat daarmee onduidelijkheid bestaat komt voor rekening van de man. Op grond van het voorgaande moet wegens onvoldoende gemotiveerde betwisting door de man als vaststaand worden aangenomen dat hij tijdens de aanrijding onder invloed was van alcohol. Het hof bevestigt, net zoals de kantonrechter, de vraag of de WAM-verzekeraar een verhaalsrecht heeft en wijst de vordering van de WAM-verzekeraar toe.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 25-08-2026

Rechtspraak

PS 2026-0406

Strafrecht. De verdachte heeft zijn ex-partner in haar woning vermoord door haar met een dolk tientallen malen te steken. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van 6.255 kinderpornografische afbeeldingen en video’s. De vader, de moeder en de zus van het slachtoffer hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De vader en moeder vorderen beide € 17.500 aan immateriële schade (affectieschade). De zus vordert € 20.000 aan immateriële schade (shockschade). De rechtbank is van oordeel dat de vader en de moeder als ouders van het slachtoffer recht hebben op affectieschade als bedoeld in artikel 6:108 lid 3 BW. De rechtbank zal dan ook een bedrag van € 17.500 aan affectieschade toewijzen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat voor de shockschade aan alle criteria is voldaan. De zus heeft het slachtoffer moeten identificeren en zij is daardoor direct geconfronteerd met de schokkende wijze waarop het slachtoffer om het leven is gebracht. Dit is te meer invoelbaar nu het gaat om haar zus en zij blijkens het dossier een nauwe affectieve band met elkaar hadden. Verder is door de zus voldoende onderbouwd dat zij door de directe confrontatie met het verminkte lichaam van haar zus PTSS en een recidiverende depressieve stoornis heeft opgelopen. Ook heeft zij de woning van haar zus moeten opruimen en schoonmaken. De rechtbank wijst het gevorderde bedrag van € 20.000 volledig toe.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 07-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0404

De man heeft een boottocht gemaakt. Tijdens de tocht zit de man op een zitplaats met een verhoogde ondergrond waar zijn voeten op rusten. Verder is zijn zitplaats, anders dan de andere zitplaatsen in de boot, niet voorzien van een stalen beugel om zich aan vast te houden. Als de boot op hoge snelheid vaart, raakt de man los van zijn zitplaats, komt ten val en breekt een ruggenwervel. Sindsdien kampt hij met zenuwpijn aan beide benen. Deze pijn heeft impact op zowel zijn werkende als privéleven. Ten tijde van het ongeval was het boottochtbedrijf verzekerd. Deze zaak gaat over de vraag of de verzekeraar zich namens zijn verzekerde, het boottochtbedrijf, kan beroepen op de wettelijke limiet die geldt voor de aansprakelijkheid van de vervoerder van personen over binnenwateren. De rechtbank oordeelt dat dit inderdaad het geval is. De reden hiervoor is dat het boottochtbedrijf als vervoerder in de zin van de wet moet worden beschouwd. Verder kan niet worden vastgesteld dat het boottochtbedrijf bewust roekeloos heeft gehandeld, is er geen sprake van rechtsverwerking aan de zijde van de verzekeraar en is het beroep op deze limiet ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Daarnaast gaat deze zaak over de vraag of de man aanspraak heeft op vergoeding van buitengerechtelijke kosten en van wettelijke rente over het bedrag van de limiet. De rechtbank oordeelt dat de man geen recht heeft op vergoeding van buitengerechtelijke kosten maar wel op vergoeding van wettelijke rente.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 26-08-2026