De man heeft een boottocht gemaakt. Tijdens de tocht zit de man op een zitplaats met een verhoogde ondergrond waar zijn voeten op rusten. Verder is zijn zitplaats, anders dan de andere zitplaatsen in de boot, niet voorzien van een stalen beugel om zich aan vast te houden. Als de boot op hoge snelheid vaart, raakt de man los van zijn zitplaats, komt ten val en breekt een ruggenwervel. Sindsdien kampt hij met zenuwpijn aan beide benen. Deze pijn heeft impact op zowel zijn werkende als privéleven. Ten tijde van het ongeval was het boottochtbedrijf verzekerd. Deze zaak gaat over de vraag of de verzekeraar zich namens zijn verzekerde, het boottochtbedrijf, kan beroepen op de wettelijke limiet die geldt voor de aansprakelijkheid van de vervoerder van personen over binnenwateren. De rechtbank oordeelt dat dit inderdaad het geval is. De reden hiervoor is dat het boottochtbedrijf als vervoerder in de zin van de wet moet worden beschouwd. Verder kan niet worden vastgesteld dat het boottochtbedrijf bewust roekeloos heeft gehandeld, is er geen sprake van rechtsverwerking aan de zijde van de verzekeraar en is het beroep op deze limiet ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Daarnaast gaat deze zaak over de vraag of de man aanspraak heeft op vergoeding van buitengerechtelijke kosten en van wettelijke rente over het bedrag van de limiet. De rechtbank oordeelt dat de man geen recht heeft op vergoeding van buitengerechtelijke kosten maar wel op vergoeding van wettelijke rente.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 26-08-2026