Naar boven ↑
8.742 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0317

Strafrecht. Beslissing na terugwijzing Hoge Raad. De Hoge Raad ging eerder (PS 2025-0590) in op de vraag of een persoon die een latrelatie met het overleden slachtoffer had kan worden aangemerkt als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108 lid 4 sub g BW. Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij niet als levensgezel in de zin van artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder b BW kan worden beschouwd, omdat zij niet duurzaam met het slachtoffer een gemeenschappelijke huishouding voerde, maar dat zij wel in een latrelatie stond met het slachtoffer. Volgens het hof heeft zij ‘daarmee’ in voldoende mate aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was, dat zij als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder g BW kan worden aangemerkt. Dit oordeel is volgens de Hoge Raad niet toereikend gemotiveerd. In dit geval had het hof aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden – in het bijzonder de onderbouwing door de benadeelde partij van de in de wetsgeschiedenis bedoelde duur en hechtheid van de relatie – in voldoende mate zijn komen vast te staan. Het cassatiemiddel slaagt. Dat brengt mee dat ook oplegging van de schadevergoedingsmaatregel niet in stand kan blijven. In de omstandigheid dat het hof bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding van schokschade rekening heeft gehouden met de hoogte van vergoeding van affectieschade, ziet de Hoge Raad aanleiding om zaak ook terug te wijzen ten aanzien van de beslissing over vergoeding van de schokschade. Na terugverwijzing oordeelt het hof dat sprake is van een langdurige hechte latrelatie, zodat benadeelde partij als naaste wordt aangemerkt (in de zin van artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder g BW). Ter onderbouwing van de aard, de duur en de intensiteit van de relatie heeft de benadeelde partij, in aanvulling op de eerder ingediende onderbouwing op de vordering, in WhatsApp met het slachtoffer gevoerde gesprekken over de periode van zo’n 3,5 jaar alsmede een aantal foto’s van haar met het slachtoffer overgelegd. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep op 18 juni 2026 is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat tussen de benadeelde partij en het slachtoffer gedurende meerdere jaren sprake was van een hechte affectieve relatie. Ten aanzien van de aard van de relatie is niet betwist dat het een affectieve relatie betrof. Ten aanzien van de intensiteit van deze relatie was sprake van dagelijks – al dan niet telefonisch, via WhatsApp of FaceTime – contact tussen de benadeelde en het slachtoffer; zij onderhielden (vrijwel) dagelijks contact met elkaar. Met betrekking tot de aard, de duur en de intensiteit van de relatie acht het hof voorts van belang dat uit de inhoud van de WhatsApp-gesprekken en de door de benadeelde partij gegeven toelichting blijkt dat tussen haar en het slachtoffer sprake was van een liefdesrelatie die verder ging dan een vriendschappelijke relatie. Er was sprake van wederzijdse affectie en intimiteit, zij verbleven meerdere malen per week bij elkaar en zij namen een belangrijke plaats in elkaars leven in. Ze waren elkaars steun en toeverlaat, aldus de benadeelde partij. Naar het oordeel van het hof wijzen deze omstandigheden op een hechte affectieve relatie over ten minste een periode van drieënhalf jaar. Voorts vindt het bestaan van een affectieve relatie steun in de overgelegde brief, opgesteld door [naam diagnostisch medewerker], mede namens [naam psychiater], waarin wordt gesproken over behandeling, gericht op trauma- en rouwklachten over het verlies van haar partner.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 08-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0314

De vrouw heeft voor de eerste keer bloed gedoneerd op de afnamelocatie van Sanquin. Zij is na afloop naar het donorcafé gegaan samen met een vrijwilligster. De vrouw is flauwgevallen op enig moment nadat zij is gaan zitten in het café. Zij is vervolgens met stoel en al omgevallen. Hierbij heeft zij een incomplete dwarslaesie opgelopen. Aan het verzoek heeft de vrouw – samengevat – ten grondslag gelegd dat Sanquin niet heeft voldaan aan haar zorgplicht, namelijk de plicht om het risico voor donoren zo klein mogelijk te maken. Volgens Sanquin c.s. is sprake geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat van Sanquin mag worden verwacht dat zij voldoende toezicht houdt op de donoren nadat de donatie heeft plaatsgevonden en dat zij voldoende maatregelen neemt om ongevallen te voorkomen, ondanks het feit dat het flauwvallen in de donorruimte minder vaak voorkomt dan direct na de donatie en de gevolgen van het flauwvallen over het algemeen niet zo ernstig zijn als in deze zaak. Partijen zijn het erover eens dat de vrijwilligster de taak heeft om ‘op te letten’, maar het is de vraag of dat in voldoende mate is gedaan. Beoordeeld moet worden of Sanquin meer had kunnen en moeten doen dan ze nu gedaan heeft, zodat het ongeval dat heeft plaatsgevonden mogelijk voorkomen had kunnen worden. De rechtbank komt tot het oordeel dat Sanquin tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht jegens de vrouw. Zij is aansprakelijk op grond van artikel 6:74 BW, omdat geen sprake is van een behandelrelatie.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Assen), 07-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0312

De patiënt heeft bij de huisarts schildkliermedicatie gekregen. De patiënt en haar partner verwijten de huisarts dat hij ten onrechte deze medicatie heeft voorgeschreven en onvoldoende heeft onderzocht waar de klachten vandaag kwamen. Daarnaast stellen de eisers dat er geen sprake is geweest van informed consent. Tot slot heeft de huisarts volgens de eisers ten onrechte geen contact met de patiënt opgenomen na haar suïcidepoging. Omtrent het eerste verwijt oordeelt de rechtbank dat er bij het voorschrijven van de schildkliermedicatie volgens de geldende NHG-Standaard Schildklieraandoeningen niet geïndiceerd was. Dit enkele feit – het afwijken van de NHG-Standaard – maakt niet al dat er sprake is van het schenden van de zorgplicht door de huisarts. De NHG-Standaard geeft de huisarts een richtlijn, maar heeft niet de status van een dwingend voorschrift. De huisarts kan goede redenen hebben om anders te handelen dan de NHG-Standaard tot uitgangspunt neemt. Daar is in deze situatie naar het oordeel van de rechtbank sprake van. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de huisarts het verwijt dat er niet is voldaan aan de informed consent voldoende gemotiveerd heeft weersproken. Ook het laatste verwijt leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een schending van de zorgplicht die de huisarts in acht moest nemen. De conclusie luidt dat geen van de verwijten die de eisers de huisarts maken leidt tot het oordeel dat de huisarts haar zorgplicht heeft geschonden. Dat betekent dat de gevorderde verklaring voor recht dat de huisarts aansprakelijk is wordt afgewezen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 17-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0311

Ongeval waarbij minderjarig kind (ernstig) letsel heeft opgelopen. Tussen de verzekeraar en de ouders van het kind is een conflict dan wel impasse ontstaan over het schaderegelingstraject. De verzekeraar heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek tot een deelgeschil. De ouders voeren aan dat dit deelgeschil zich er niet voor leent de buitengerechtelijke afwikkeling van de letselschade te bevorderen. Dit verweer volgt de rechtbank niet. De ouders voeren verder aan dat de zaak zich niet leent voor een beperkte behandeling in deelgeschil. In dit verband wijzen de ouders erop dat de kern van het geschil niet alleen de schadeafwikkeling binnen het kader van de WAM is, maar ook het institutioneel en moreel falen van ASR. In dit deelgeschil kan de rechtbank niet beoordelen of de verwijten die de ouders de verzekeraar maken over de wijze waarop het dossier is behandeld terecht zijn. Dat staat echter niet in de weg aan de beoordeling van de verzoeken die de verzekeraar in dit deelgeschil doet. Er is namelijk geen sprake van een onlosmakelijke samenhang tussen de ongevalsgerelateerde schade en de wijze van institutionele behandeling van de zaak door de verzekeraar. Het meest verstrekkende standpunt van de verzekeraar is dat de rechtbank een bijzondere curator benoemt. De ouders zijn het daarmee niet eens. Zij voeren aan dat er geen sprake is van een tegenstrijdig belang tussen ouders en kind. Doordat de schadeafwikkeling in een impasse is geraakt lukt het de verzekeraar niet om het schadetraject weer op te pakken omdat de medewerking van de ouders nodig voor onder meer het verstrekken van inlichtingen en het inschakelen van deskundigen. Hoewel de rechtbank ziet dat de ouders daaraan tot op heden onvoldoende meewerken en dit de belangen van de minderjarige kan schaden, zal zij geen bijzondere curator benoemen. Dit vindt de rechtbank (vooralsnog) een te vergaande maatregel en (nog) niet noodzakelijk. De rechtbank benadrukt dat zij hun verwijten over het institutioneel en moreel falen van de verzekeraar zullen moeten scheiden van de stappen die moeten worden gezet om te komen tot een (reguliere) afwikkeling van de schade. De rechtbank oordeelt dat de ouders moeten meewerken aan het inschakelen van een zorgregisseur. Deze zorgregisseur mag door de ouders worden gekozen.
Rechtbank Noord-Holland, 12-11-2025

Rechtspraak

PS 2026-0310

Ongeval waarbij minderjarig kind (ernstig) letsel heeft opgelopen. Tussen de verzekeraar en de ouders van het kind is een conflict dan wel impasse ontstaan over het schaderegelingstraject. De verzekeraar heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek tot een deelgeschil. De ouders voeren aan dat dit deelgeschil zich er niet voor leent de buitengerechtelijke afwikkeling van de letselschade te bevorderen. Dit verweer volgt de rechtbank niet. De ouders voeren verder aan dat de zaak zich niet leent voor een beperkte behandeling in deelgeschil. In dit verband wijzen de ouders erop dat de kern van het geschil niet alleen de schadeafwikkeling binnen het kader van de WAM is, maar ook het institutioneel en moreel falen van ASR. In dit deelgeschil kan de rechtbank niet beoordelen of de verwijten die de ouders de verzekeraar maken over de wijze waarop het dossier is behandeld terecht zijn. Dat staat echter niet in de weg aan de beoordeling van de verzoeken die de verzekeraar in dit deelgeschil doet. Er is namelijk geen sprake van een onlosmakelijke samenhang tussen de ongevalsgerelateerde schade en de wijze van institutionele behandeling van de zaak door de verzekeraar. Het meest verstrekkende standpunt van de verzekeraar is dat de rechtbank een bijzondere curator benoemt. De ouders zijn het daarmee niet eens. Zij voeren aan dat er geen sprake is van een tegenstrijdig belang tussen ouders en kind. Doordat de schadeafwikkeling in een impasse is geraakt lukt het de verzekeraar niet om het schadetraject weer op te pakken omdat de medewerking van de ouders nodig voor onder meer het verstrekken van inlichtingen en het inschakelen van deskundigen. Hoewel de rechtbank ziet dat de ouders daaraan tot op heden onvoldoende meewerken en dit de belangen van de minderjarige kan schaden, zal zij geen bijzondere curator benoemen. Dit vindt de rechtbank (vooralsnog) een te vergaande maatregel en (nog) niet noodzakelijk. De rechtbank benadrukt dat zij hun verwijten over het institutioneel en moreel falen van de verzekeraar zullen moeten scheiden van de stappen die moeten worden gezet om te komen tot een (reguliere) afwikkeling van de schade. De rechtbank oordeelt dat de ouders moeten meewerken aan het inschakelen van een zorgregisseur. Deze zorgregisseur mag door de ouders worden gekozen.
Rechtbank Noord-Holland, 19-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0309

Partijen verschillen van mening over of er een oorzakelijk (csqn-)verband bestaat tussen een arbeidsongeval (verliezen linkerwijsvinger) uit 2020 en de val van een vlizotrap in de privésfeer in 2022 en, zo ja, of de nadelige gevolgen van die val op grond van artikel 6:98 BW toegerekend mogen worden aan het arbeidsongeval. De essentie van de stelling waarop de vrouw haar verzoeken heeft gebaseerd, is dat zij zonder het handletsel dat zij heeft opgelopen tijdens het eerste arbeidsongeval niet van de vlizotrap zou zijn gevallen. De kantonrechter vindt het echter niet voldoende waarschijnlijk dat zonder handletsel het tweede ongeval niet zou zijn gebeurd. Concrete aanknopingspunten om waarschijnlijk te kunnen achten dat de vrouw met een gezonde linkerhand haar val wel in voldoende mate had kunnen breken om letsel te voorkomen of aanzienlijk te beperken, ontbreken. De kantonrechter merkt de val van de vlizotrap aan als een zogenoemd huis-tuin-en-keukenongeluk dat valt binnen de risicosfeer van verzoekster. Het voorgaande betekent dat de kantonrechter van oordeel is dat de val van de trap niet in een csqn-verband staat met het eerste arbeidsongeval. Voor het aannemen van een vermoeden dat dit anders is, ziet de kantonrechter onvoldoende grond. Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de kantonrechter de kosten alleen begroten en de werkgever en de verzekeraar niet veroordelen tot betaling daarvan.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 15-06-2026