Naar boven ↑
8.767 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0342

Een destijds 17-jarig meisje heeft zelfmoord gepleegd. Het meisje heeft voor haar dood regelmatig contact gehad met haar huisartsenpraktijk. De gemeente heeft het overlijden van het meisje als calamiteit gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. De inspectie heeft haar bevindingen neergelegd in een onderzoekrapport. Hierin wordt geconcludeerd dat de zorg en ondersteuning aan het meisje gedeeltelijk passend was. De vader verzoekt de rechtbank om de huisartsenpraktijk te bevelen een kopie van het medisch dossier van zijn dochter af te geven voor zover dat in verband staat met de zelfdoding en/of de psychische gesteldheid van zijn dochter. Daarnaast verzoekt hij de rechtbank om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten. De rechtbank stelt voorop dat het overlijden van het meisje een uiterst verdrietige gebeurtenis is, die vanzelfsprekend een grote weerslag heeft op de vader en de andere nabestaanden. Vanuit menselijk oogpunt valt alleszins te begrijpen dat de nabestaanden van het meisje op zoek zijn naar antwoorden. Ook anderen die bij het meisje betrokken waren, zijn door haar zelfdoding geraakt. Dit laat echter onverlet dat het verzoek van de vader tot afgifte van de gegevens van zijn dochter langs een juridische lat moet worden gelegd. De rechtbank overweegt dat er twijfel is of de huisartsenpraktijk de zorg aan het meisje naar behoren heeft verleend. Aan de hand van het dossier kan inzichtelijk worden welke signalen wanneer en met wie zijn gedeeld en op welke wijze de huisartsenpraktijk daarmee vervolgens is omgegaan. De vader heeft aannemelijk gemaakt dat hij een zwaarwegend belang heeft bij inzage in het medisch dossier van zijn dochter. Het inzageverzoek wordt toegewezen op grond van artikel 7:458a lid 1 sub c BW. De rechtbank volgt het standpunt van de huisartsenpraktijk niet dat de enige wettelijke toegestane route inzage is door een onafhankelijke arts ex artikel 7:458b BW. Deze regeling biedt de verzoekende partij een extra voorziening, maar de verzoekende partij wordt niet verplicht om van deze voorziening gebruik te maken. Dat de vader deze weg niet heeft bewandeld staat niet in de weg aan toewijzing van het inzageverzoek. Het feit dat de dochter tijdens haar leven niet wilde dat haar ouders werden geïnformeerd over haar medische situatie zorgt er ook niet voor dat het inzageverzoek moet worden afgewezen. De dochter heeft niet uitdrukkelijk uitgesproken dat zij niet wenste dat haar ouders te allen tijde, en specifiek na haar overlijden, inzage in of afschrift van gegevens uit haar medisch dossier zouden krijgen en dat deze wens elektronisch of schriftelijk is vastgelegd. Ook het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen. Het verzoek voldoet aan de daarvoor geldende vereisten. De vader heeft bij zijn verzoek een in rechte te respecteren belang en de verweren van de huisartsenpraktijk bieden op zichzelf en in onderlinge samenhang onvoldoende grond om het verzoek af te wijzen.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 12-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0341

Een destijds 17-jarig meisje heeft zelfmoord gepleegd. Het meisje heeft voor haar dood regelmatig contact gehad met jongerenwerkers van een welzijnsorganisatie: zowel telefonisch, in persoon en via WhatsApp. De gemeente heeft het overlijden van het meisje als calamiteit gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. De inspectie heeft haar bevindingen neergelegd in een onderzoekrapport. Hierin wordt geconcludeerd dat de zorg en ondersteuning aan het meisje gedeeltelijk passend was. De advocaat van de vader van het meisje heeft de welzijnsorganisatie verzocht om inzage in en kopie van alle stukken die betrekking hebben op de ondersteuning die de organisatie en haar jongerenwerkers hebben geboden aan het meisje. De welzijnsorganisatie weigert dit. Zij stelt dat de jongerenwerkers een geheimhoudingsplicht hebben en dat niet is gebleken van een zwaarwegend belang van de vader dat tot doorbreking van die geheimhoudingsplicht kan leiden. De vader verzoekt nu de rechtbank om de organisatie te bevelen tot afgifte van de stukken en een voorlopig getuigenverhoor te gelasten. De rechtbank stelt voorop dat het overlijden van het meisje een uiterst verdrietige gebeurtenis is, die vanzelfsprekend een grote weerslag heeft op de vader en de andere nabestaanden. Vanuit menselijk oogpunt valt alleszins te begrijpen dat de nabestaanden van het meisje op zoek zijn naar antwoorden. Ook anderen die bij het meisje betrokken waren, zijn door haar zelfdoding geraakt. Dit laat echter onverlet dat het verzoek van de vader tot afgifte van de gegevens van zijn dochter langs een juridische lat moet worden gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat tussen de vader en de organisatie een rechtsbetrekking in de zin van artikel 194 Rv omdat hij (gemotiveerd en met stukken onderbouwd) stelt dat de organisatie haar zorgplicht heeft geschonden en hij wil onderzoeken of de organisatie jegens hem verplicht is tot vergoeding van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat zoals bedoeld in artikel 6:108 lid 3 BW. De gevraagde gegevens zijn voldoende bepaald. De vader heeft voldoende belang bij inzage. Er is naar het oordeel van de rechtbank gegronde reden voor twijfel dat de begeleiding van de organisatie naar behoren is verleend, gelet op het rapport van de inspectie. Gesteld nog gebleken is dat op jongerenwerkers een wettelijke geheimhoudingsplicht rust. Evenmin komt hen een wettelijk verschoningsrecht toe. Hoewel de rechtbank zonder meer aanneemt dat jongerenwerkers op deze wijze zinvol en maatschappelijk relevant werk verrichten waaraan een vertrouwensrelatie met de jongere bijdraagt, is daarmee nog niet aannemelijk dat met het effectief kunnen uitoefenen van het beroep van jongerenwerker zwaarwegende maatschappelijke belangen zijn gemoeid, laat staan dat deze belangen aanmerkelijk zouden kunnen worden geschaad zonder het aanvaarden van het verschoningsrecht en dat het algemeen belang van de waarheidsvinding daarvoor moet wijken. Ten slotte hebben zij ook geen afgeleid verschoningsrecht ten aanzien van de informatie die betrekking heeft op zorg door de huisarts en diens praktijkondersteuners. De jongerenwerkers en/of de organisatie hebben immers geen werkzaamheden voor de huisarts(enpraktijk en -ondersteuners) verricht uit hoofde waarvan hen informatie bekend is. De rechtbank wijst ook het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor toe. Het verzoek voldoet aan de daarvoor geldende vereisten. De vader heeft bij zijn verzoek een in rechte te respecteren belang en de verweren van de organisatie bieden op zichzelf en in onderlinge samenhang onvoldoende grond om het verzoek af te wijzen.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 12-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0340

Deelgeschil. In 2016 vond een kettingbotsing plaats waarbij een automobiliste letsel heeft opgelopen. De automobiliste was ten tijde van het ongeval werkzaam als apotheker, maar is nu volledig arbeidsongeschikt verklaard. Zij ervaart nog steeds klachten. De WAM-verzekeraar van de auto die de kettingbotsing veroorzaakte heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. Op gezamenlijk verzoek van partijen heeft een neurologische expertise plaatsgevonden. Deze neuroloog komt in zijn rapport tot de conclusie dat de huidige klachten van pijn in de nek en het achterhoofd redelijkerwijs als het gevolg van het ongeval moeten worden beschouwd. De WAM-verzekeraar blijft zich echter op het standpunt stellen dat er geen causaal verband is en baseert dit oordeel op het advies van haar eigen medisch adviseur. In geschil is tussen partijen of de rapportage van de neuroloog kan dienen als uitgangspunt voor de juridische beoordeling van de verzoeken van de vrouw. De rechtbank oordeelt dat de WAM-verzekeraar geen zwaarwegende en steekhoudende bezwaren heeft. De WAM-verzekeraar is in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over en kanttekeningen te plaatsen bij het conceptrapport. De medisch adviseur van de WAM-verzekeraar heeft geen aanleiding gezien tot het stellen van (aanvullende) vragen. Gelet op de voormelde bezwaren van de WAM-verzekeraar had dat wel op de weg van de WAM-verzekeraar gelegen. Om die reden moeten de bevindingen van de neuroloog tussen partijen tot uitgangspunt worden genomen. De WAM-verzekeraar kan niet achteraf, als de uitkomsten van de gezamenlijke rapportage van 2021 haar niet bevallen en er pas in 2023 een onderzoek is uitgevoerd naar de impact van het ongeval, alsnog aanvullende vragen stellen en dan in dit stadium nog verlangen dat er aanvullend psychologisch en neurologisch onderzoek wordt gedaan of verder onderzoek wordt gedaan naar de impact van het ongeval. Dat had de WAM-verzekeraar allemaal kunnen aankaarten in het kader van de gezamenlijke expertise en dat heeft zij niet gedaan. Van een redelijk handelend verzekeraar mag onder deze omstandigheden worden verwacht dat zij zich conformeert aan het rapport van een in gezamenlijk overleg ingeschakelde deskundige. Op basis van de verschillende door de vrouw overgelegde medische rapporten die zijn opgesteld en het rapport van de neuroloog is de rechtbank van oordeel dat de vrouw heeft aangetoond dat haar klachtenpatroon plausibel is en dan mogen aan het bewijs van het oorzakelijk verband geen al te hoge eisen worden gesteld, in die zin dat het ontbreken van een specifieke, medisch aantoonbare verklaring voor de klachten niet in de weg staat aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband geleverd is. De vrouw toont een consistent, consequent en samenhangend klachtenpatroon. Een alternatieve (zelfstandige) verklaring voor de klachten is onvoldoende aannemelijk geworden. Het causaal verband wordt aangenomen. Het verzoek van de vrouw om voor recht te verklaren dat (een deel van) de door haar beschreven symptomen en klachten leiden tot beperkingen bij haar als gevolg waarvan zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is wordt afgewezen. Een in opdracht van partijen uitgevoerd verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek heeft immers nog niet plaatsgevonden en het is niet aan de rechtbank om zonder dergelijk onderzoek zelf vast te stellen dat de met het ongeval causaal samenhangende klachten en symptomen leiden tot beperkingen die tot gevolg hebben dat de vrouw volledig en duurzaam arbeidsongeschikt moet worden geacht. Dat geldt zelfs in het geval dat dit voor de hand lijkt te liggen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 03-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0339

Tussenvonnis. In een eerder tussenvonnis is een deskundigenonderzoek bevolen over de looptijd van de door de eisende partij geleden en te lijden schade (het verlies aan verdienvermogen). De deskundige heeft de aan hem voorgelegde vragen beantwoord. De vraag die partijen verdeeld houdt is in hoeverre vervolgens rekening moet worden gehouden met het pre-existent letsel van de eisende partij en of hij al dan niet vanwege de aanwezigheid van een pensioenvoorziening eerder zou zijn gestopt met werken. De rechtbank acht, de goede en kwade kansen afwegend, aannemelijk dat de eisende partij in de hypothetische situatie tot aan het bereiken van zijn AOW-leeftijd (thans 67,5 jaar) zou hebben doorgewerkt in zijn onderneming. Dat betekent dat voor de berekening van zijn verlies aan verdienvermogen moet worden gerekend tot 30 maart 2034. De rechtbank kan zich voorstellen dat, nu er duidelijkheid is over het einde van de looptijd van deze schadepost, partijen in staat zijn in onderling overleg tot een berekening van de schade wegens het verlies aan verdienvermogen te komen. Wanneer dat in onderling overleg niet mogelijk blijkt, zal de rechtbank een deskundige benoemen, waarbij vooralsnog kan worden volstaan met één deskundige. Partijen zullen daarom in de gelegenheid worden gesteld zich in dat geval uit te laten over de persoon en de expertise van de te benoemen deskundige en de aan de deskundige te stellen vragen. De rechtbank noemt een potentiële deskundige bij naam.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 08-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0337

Deelgeschil. In 2021 is een vrouw als passagier betrokken geraakt bij een aanrijding toen de bestuurder van de auto op enig moment de macht over het stuur verloren is. Als gevolg van dit ongeval heeft de vrouw ernstig letsel opgelopen. Zij verzoekt de rechtbank onder meer voor recht te verklaren dat de WAM-verzekeraar van de auto waar zij in zat volledig aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg daarvan lijdt. De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend, maar voert aan dat aan de vrouw een percentage eigen schuld (25%) moet worden toegerekend: enerzijds omdat zij tijdens het ongeval geen gordel droeg en anderzijds omdat zij is ingestapt bij een bestuurder die onder invloed van alcohol verkeerde. De rechtbank is van oordeel dat aan de vrouw een percentage eigen schuld moet worden toegerekend. De vrouw had drie minuten de tijd om haar gordel om te doen. Dat zij dus geen enkele gelegenheid zou hebben gehad om haar gordel om te doen is niet aannemelijk. Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat het dragen van een gordel de kans op ernstig letsel bij aanrijdingen aanzienlijk vermindert. Dat het in dit specifieke geval anders zou zijn, zoals de vrouw stelt, heeft zij niet onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er voldoende momenten geweest waarop de vrouw en de bestuurder dicht bij elkaar in de buurt zijn geweest. Gelet op het hoge alcoholpromillage in het bloed van de bestuurder kan het niet anders dan dat de bestuurder uiterlijke kenmerken vertoonde waardoor voor anderen, en dus ook voor de vrouw, kenbaar was dat hij onder invloed van een zodanige hoeveelheid alcohol was, dat hij geen auto meer mocht (en kon) besturen. Dit had de vrouw ervan moeten weerhouden bij hem in de auto te stappen. De rechtbank is wel van oordeel dat bij de causaliteitsafweging geldt dat aan de bestuurder een aanzienlijk groter deel van de omstandigheden moet worden toegerekend. De bestuurder is namelijk onder invloed van alcohol en zonder dat hij over een geldig rijbewijs beschikte, met een snelheid van ongeveer 100 km/u (terwijl 50 was toegestaan) over een in het midden van de weg gelegen groenstrook gereden waardoor hij op de andere weghelft in botsing kwam met een tegenligger. Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat er sprake is van een percentage eigen schuld van 40%. Een billijkheidscorrectie is op zijn plaats. Er is sprake van een zeer ernstig verkeersongeval. Als gevolg van het ongeval heeft de vrouw ernstig letsel opgelopen, waaronder een gecompliceerde heupfractuur, een heupluxatie, een dijbeenfractuur en een armfractuur. De vrouw heeft als gevolg van het letsel gedurende langere tijd moeten revalideren. Daarbij geldt dat zij ook nu nog altijd klachten ervaart en dat zij niet verzekerd is voor haar schade. Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat een billijkheidscorrectie van 15% passend is. De schadevergoedingsverplichting van de verzekeraar bedraagt 75%.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 15-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0336

Deelgeschil. In 2016 is een automobilist van achteren aangereden door een andere auto. De WAM-verzekeraar van deze andere auto heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. De automobilist stelt dat hij als gevolg van het ongeval blijvend letsel heeft opgelopen, bestaande uit pijnklachten aan de nek, schouder en rug, hoofdpijnklachten, cognitieve klachten, psychische klachten en slaapproblemen. Ten tijde van het ongeval werkte de automobilist in loondienstverband als magazijnmedewerker en als zelfstandige in de avonduren als schoonmaker van scholen en kantoren. Na het ongeval is hij voor beide werkzaamheden uitgevallen. De WAM-verzekeraar heeft in de periode vanaf het ongeval tot medio 2020 in totaal een bedrag van € 56.000 op de materiële schade bevoorschot. Ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten heeft zij € 30.000 bevoorschot. De schaderegeling is vastgelopen. Partijen verschillen onder andere van mening over het eventuele verrekenen van de door de man ontvangen transitievergoeding (€ 20.866,37 bruto). Volgens de man is dat in deze zaak niet redelijk. De rechtbank overweegt dat er sprake is van causaal verband tussen het ongeval en het recht op transitievergoeding. Dat bij een later ontslag de transitievergoeding hoger zou zijn geweest, is geen omstandigheid die dit anders maakt. Indien de automobilist in dienst zou zijn gebleven, staat immers niet vast dat zijn dienstverband uiteindelijk zou zijn beëindigd door middel van een vaststellingsovereenkomst en het uitkeren van een transitievergoeding of door, bijvoorbeeld, het zelf opzeggen van de arbeidsovereenkomst. De vraag is vervolgens of sprake is van een verkregen voordeel. De rechtbank acht van belang dat de transitievergoeding naar haar aard strekt tot compensatie voor het ontslag en de kosten voor de transitie naar een andere baan. De vergoeding dekt dus deels eventuele schade bestaande uit verlies aan inkomen na het ontslag. Naar het oordeel van de rechtbank is er daarmee voldoende aanleiding deze te betrekken in de berekening van het verlies aan verdienvermogen bij de schadeafwikkeling. Anderzijds acht de rechtbank van belang dat de vergoeding wordt berekend op basis van de duur van het dienstverband en daarmee ook een tegemoetkoming is om de gevolgen van het ontslag voor de werknemer te verzachten. In die zin heeft de vergoeding, naar het oordeel van de rechtbank, ook iets in zich van een compensatie voor het verlies van een baan in bredere zin dan enkel in financieel opzicht. De rechtbank acht dan ook redelijk om over te gaan tot verrekening van 50% van de netto verkregen transitievergoeding. De rechtbank overweegt verder dat er geen sprake is van een onzorgvuldige of anderszins schadetoebrengende handelswijze aan de zijde van de WAM-verzekeraar.
Rechtbank Gelderland, 10-09-2025

Rechtspraak

PS 2026-0334

In 2020 heeft een destijds 21-jarige bestuurder van een auto een eenzijdig verkeersongeval veroorzaakt. Hij reed tegen een boom, waarbij hij ernstig letsel (incomplete dwarslaesie) heeft opgelopen, net als de andere drie inzittenden van de auto. De auto was in eigendom van een bv waar de vader van de bestuurder indirecte medeaandeelhouder en medebestuurder van was. De bestuurder reed met toestemming van zijn vader in de auto. De bestuurder wenst de door hem geleden en te lijden schade te verhalen op de WAM- en cascoverzekeraar van de auto. Deze verzekeraar wenst op haar beurt de door haar uitgekeerde schadebedragen te verhalen op de bestuurder. De rechtbank wijst de vordering van de bestuurder af. Het door de bestuurder weigeren van een bloedproef leidt in dit geval op grond van de polisvoorwaarden tot geen recht op uitkering. Het aanbod van de bestuurder om alsnog uitslagen van het ziekenhuis van een bloedafname, te weten zijn bloedwaardes van de bewuste avond, te overleggen leidt niet tot een ander oordeel. Dit maakt namelijk de eerdere weigering om mee te werken aan het bloedonderzoek niet ongedaan. De bestuurder heeft daarmee verhinderd dat de verzekeraar kon vaststellen of sprake was van alcohol- of drugsgebruik. De verzekeraar heeft onverschuldigde betalingen aan de bestuurder gedaan. Daarnaast mag de verzekeraar op grond van artikel 15 lid 1 WAM de uitkeringen die zij heeft gedaan aan de andere inzittenden verhalen op de bestuurder, omdat hij niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt. De door de verzekeraar betaalde cascoschade aan de auto komt ook voor rekening van de bestuurder.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 24-06-2026