Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0029

Tussenbeschikking. In 2019 heeft er zich een medische fout voorgedaan bij de behandeling van een vrouw in een ziekenhuis. In 2020 heeft de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar namens het ziekenhuis aansprakelijkheid erkend voor een verwijtbaar delay in de juiste diagnosestelling en behandeling. Op gezamenlijk verzoek van partijen heeft een neurochirurgisch onderzoek plaatsgevonden. Op grond van dit rapport hebben het ziekenhuis en de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar het standpunt ingenomen dat weliswaar een aanvullende scan/MRI gemaakt had moeten worden, maar dat het nalaten daarvan geen gevolgen voor de verdere beloop heeft gehad. De procespartijen zijn het erover eens dat een onafhankelijk deskundigenonderzoek door een neuroloog moet worden bevolen. Bij de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de te stellen vragen. Het verzoek van de vrouw dat het eerdere onderzoeksrapport niet naar de deskundige zal worden verstuurd wordt niet ingewilligd. De rechtbank zal niet bepalen dat de te benoemen deskundige het rapport als uitgangspunt dient te nemen voor het onderzoek. De rechtbank acht echter wel van belang dat de te benoemen deskundige kennisneemt van het rapport. Het ziekenhuis en de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar moeten het procesdossier als het medisch dossier naar de deskundige versturen. De deskundige zal bij afzonderlijke beschikking worden benoemd.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 03-12-2024

Rechtspraak

PS 2025-0025

Kort geding. Een man is in 2024 betrokken geraakt bij een verkeersongeval. De verzekeraar van de tegenpartij heeft aansprakelijkheid voor de als gevolg van het verkeersongeval geleden schade erkend. De verzekeraar heeft tot nu toe in totaal € 15.000 aan voorschotten op de schade aan de man betaald. De man is van mening dat zijn schade groter is dan de voorschotten die hij tot nu toe heeft ontvangen en vordert dat de voorzieningenrechter de verzekeraar veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis een aanvullend voorschot op de schade te betalen. De man vindt dat hij hier een spoedeisend belang bij heeft omdat hij al maandenlang geen inkomsten meer heeft terwijl hij een gezin heeft, hoofdkostwinnaar is en kosten moet maken voor medische behandelingen. De verzekeraar is het hier niet mee eens. Volgens de voorzieningenrechter is er sprake van een juridisch causaal verband tussen het verkeersongeval en in ieder geval de nekklachten van de man. Dat de degeneratieve afwijkingen van de man wellicht uiteindelijk zouden hebben kunnen leiden tot de nekklachten en een deel van de overige gezondheidsklachten doet hier niet aan af. Voor juridische causaliteit is namelijk niet noodzakelijk dat klachten een direct gevolg zijn van het ongeval. De voorzieningenrechter ziet verder geen aanleiding om het causaal verband tussen ongeval en de schade bestaande uit onder meer verlies van arbeidsvermogen doorbroken te achten wegens de enkele omstandigheid dat de man na het ongeval nog een periode substantieel heeft doorgewerkt. De voorzieningenrechter wijst een aanvullend voorschot toe van € 13.000. Voor toewijzing van een hoger bedrag is op dit moment onvoldoende grond. Een belangenafweging maakt dat het belang van de man bij voldoening van dit voorschot in de gegeven situatie zwaarder weegt dan het door de verzekeraar gestelde restitutierisico. De voorzieningenrechter geeft de verzekeraar een termijn van twee weken om het aanvullende voorschot te betalen.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 18-12-2024

Rechtspraak

PS 2025-0022

Tussenvonnis. In 2006 is een toen 16-jarige jongen op zijn bromfiets aangereden door een auto. De WAM-verzekeraar van de auto heeft aansprakelijkheid erkend. Het slachtoffer ervaart sinds het ongeval (lage) rugklachten. Meerdere deskundigen hebben een expertise verricht. Tot op heden heeft de WAM-verzekeraar een bedrag van € 51.000 bij wege van voorschot betaald aan het slachtoffer. De WAM-verzekeraar vordert nu dat de rechtbank voor recht verklaart dat de WAM-verzekeraar volledig heeft voldaan aan zijn schadevergoedingsplicht jegens het slachtoffer. Volgens de WAM-verzekeraar is er geen sprake van blijvende klachten en beperkingen als gevolg van het ongeval bij het slachtoffer. Het slachtoffer lijdt aan niet-ongevalsgerelateerde rugklachten, waaraan volgens de WAM-verzekeraar ten onrechte door een van de deskundigen beperkingen zijn toegeschreven. De WAM-verzekeraar heeft zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen twee rapporten en acht zich hieraan niet gebonden. Het slachtoffer vordert een vergoeding van alle schade, waaronder verlies aan het verdienvermogen. De rechtbank overweegt dat vaststaat dat er bij het slachtoffer sprake is van pre-existente rugproblematiek en dat de WAM-verzekeraar gemotiveerd heeft aangevoerd dat hiermee rekening moet worden gehouden bij de looptijd van de schade met betrekking tot onder meer het verlies aan verdienvermogen. De vraag of de pre-existente rugklachten mogelijk op langere termijn wel tot extra klachten en of beperkingen zouden kunnen leiden is niet door de deskundigen onderzocht. De rechtbank geeft partijen de mogelijkheid om zich uit te laten over de wenselijkheid van een aanvullend deskundigenbericht, over de te benoemen deskundige en over de voor te leggen vragen.
Rechtbank Gelderland, 23-02-2022