als gevolg van een verkeersongeval in 2018. In november 2023 is er tussen partijen overeenstemming bereikt over een slotbetaling van € 32.500. Over een vergoeding van de buitengerechtelijke kosten is geen overeenstemming bereikt omdat de belangenbehartiger een vergoeding aan buitengerechtelijke kosten verlangt van € 17.844,53. Dit bedrag kan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW volgens de verzekeraar niet doorstaan. Een factor die daarbij relevant is, is de Regeling Buitengerechtelijke kosten Belangenbehartigers 2021 (BKB). Op grond van de BKB-staffel 2024 zou een bedrag van € 8.227 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten in dit geval redelijk zijn. De verzekeraar stelt daar bovenuit te willen gaan maar zij acht maximaal een bedrag van € 13.175,31 in deze zaak redelijk. In dit deelgeschil vordert zij dan ook dat de kantonrechter het bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten matigt tot dit bedrag. Met betrekking tot de inhoud van het verzoek voert de belangenbehartiger aan dat de gevraagde vergoeding aan buitengerechtelijke kosten van € 17.844,53 in dit geval redelijk is. Hij wijst erop dat zijn belangenbehartiger sinds 2019 ervaring heeft met de behandeling van letselschadezaken en de Grotius-opleiding en NIVRE-basisopleiding bijna heeft afgerond. Verder wijst hij er onder meer op dat van de zijde van de verzekeraar meerdere keren is gewisseld van schadebehandelaar wat tot extra kosten heeft geleid. De kantonrechter bespreekt het verzoek inhoudelijk. De kantonrechter overweegt dat de zaak niet omvangrijk is en ook niet complex. In zaken die niet complex zijn, dient de verhouding tussen de schade-uitkering en het bedrag aan buitengerechtelijke kosten redelijk te zijn. Dat is bij een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 17.844,53 zoals verzocht door de belangenbehartiger bij een schade-uitkering van € 32.500 (55%) niet het geval. Ook het gehanteerde uurtarief dat varieert tussen de € 235 en € 255 exclusief btw per uur oordeelt de kantonrechter in dit geval te hoog en daarom niet redelijk. Dergelijke tarieven worden doorgaans toelaatbaar geacht bij in letselschadezaken gespecialiseerde advocaten met ruime ervaring. De belangenbehartiger is geen advocaat, heeft geen (afgeronde) specialisatieopleiding en slechts een aantal jaar ervaring bij de behandeling van letselschadezaken. Met de verzekeraar is de kantonrechter van oordeel dat een uurtarief van € 150 in dat geval meer dan passend is. Verder valt op dat een deel van de in rekening gebrachte uren betrekking heeft op administratieve handelingen waarvoor het volle uurtarief is gerekend, terwijl er bovendien een opslag voor kantoorkosten in rekening is gebracht. Ook dat kan de redelijkheidstoets niet doorstaan. Het verzoek van de verzekeraar wordt toegewezen.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 14-04-2026