Naar boven ↑
8.615 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0190

Kort geding. In 2024 is een man betrokken geraakt bij een verkeersongeval. De verzekeraar heeft aansprakelijkheid voor dit ongeval erkend en ongeveer € 14.000 aan voorschotten op schadevergoeding uitgekeerd. Volgens de man is zijn schade substantieel hoger dan deze voorschotten. Hij vordert daarom € 30.000 als aanvullend voorschot op de schadevergoeding. De verzekeraar betwist dit. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de man inderdaad een spoedeisend belang bij zijn vorderingen. Hij heeft voldoende onderbouwd dat hij, als hij geen aanvullend voorschot ontvangt, verder in de financiële problemen zal komen en daardoor mogelijk zijn huurwoning zal moeten verlaten en medische behandelingen zal moeten staken. Echter is in de procedure niet gebleken dat de schade die de man als gevolg van het ongeval lijdt de betaalde voorschotten substantieel overschrijdt. De voorzieningenrechter heeft onvoldoende informatie: er bestaat onzekerheid over het verdienvermogen van de man voorafgaand aan het ongeval en over zijn te verwachten verdienvermogen als het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden. Ook is niet voldoende aannemelijk dat zijn klachten uitsluitend zijn te herleiden tot het ongeval. Een belangenafweging maakt dit oordeel niet anders. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het eens zijn over nader medisch onderzoek. Van de verzekeraar mag verwacht worden dat zij hier een initiatief toe neemt en daar voortvarend werk van maakt, om te voorkomen dat de afwikkeling van de schade lang duurt en zoals thans het geval lijkt helemaal stil komt te liggen. De verzekeraar kan zich – anders dan zij doet – niet beroepen op het ontbreken van onafhankelijk deskundigenonderzoek omdat het vanwege de door haar erkende aansprakelijkheid ook aan haar is om dat de faciliteren. Hoewel zij heeft aangevoerd dat zij nog medische informatie mist, lijkt dat op het eerste gezicht slechts in beperkte mate het geval te zijn. En voor zover zij meent onvoldoende informatie van de man te hebben, is het aan haar om hem daar duidelijk om te verzoeken. Het is niet gebleken dat zij dat heeft gedaan. Tegelijkertijd is niet gebleken dat de verzekeraar de man volledig heeft geïnformeerd over de door haar ingewonnen medische adviezen. Uit het dossier blijkt dat de manier waarop de man en zijn medisch adviseur zich in deze zaak opstellen constructief is en dat hij zich inspant om de verzekeraar in voldoende mate te informeren. Aldus bezien meent de voorzieningenrechter dat de lange duur van de afwikkeling van deze letselschadezaak en de gevolgen die dat voor de man heeft, in overwegende mate ook te wijten zijn aan de verzekeraar. Dit leidt ertoe dat de man ondanks de afwijzing van de vordering de proceskosten van de verzekeraar niet hoeft te betalen, maar partijen hun eigen kosten dragen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Lelystad), 23-03-2026

Rechtspraak

PS 2026-0189

De rechtbank blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis. In dat tussenvonnis is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de eisende partij omver is gelopen door de hond van de wederpartij en niet door haar eigen hond. Op grond van artikel 6:179 jo. 6:180 BW is de wederpartij aansprakelijk voor de schade die zij als gevolg daarvan lijdt. In verband met een geslaagd beroep van de wederpartij op eigen schuld van de eisende partij heeft de rechtbank verder overwogen dat de wederpartij gehouden is 60% van de ten gevolge van het incident door de vrouw geleden schade te vergoeden. De eisende partij heeft een akte genomen en aanvullende producties overgelegd. Bij deze akte heeft zij ook haar eis gewijzigd. Zij vordert nu aan schadevergoeding een bedrag van € 97.582 + PM. De rechtbank acht de eiswijziging toelaatbaar. Zolang nog geen eindvonnis is gewezen, kan de eisende partij in beginsel haar eis nog wijzigen, mits dat niet in strijd is met de goede procesorde. De wederpartij heeft voldoende gelegenheid gehad om tegen de nieuw gevorderde schadeposten verweer te voeren en heeft dat ook gedaan bij antwoordakte. De wijziging van eis is dan ook niet in strijd met de goede procesorde. De rechtbank beoordeelt in dit tussenvonnis verschillende schadeposten, maar neemt geen eindbeslissing. De rechtbank heeft namelijk behoefte aan nadere opheldering, onder andere over het verlies aan verdienvermogen en het overlegde huisartsenjournaal. De rechtbank begroot al wel de schadeposten omtrent de huishoudelijke hulp en de medische kosten. De vrouw heeft ook € 30.000 aan economische kwetsbaarheid gevorderd. Dit wijst de rechtbank af. Onvoldoende is vast komen te staan dat een knieprothese ten gevolge van het door het incident opgelopen beenletsel medisch noodzakelijk zal zijn, hoe groot de kans hierop is en evenmin op welke termijn die noodzaak zou bestaan. Daarmee heeft de vrouw onvoldoende gesteld om toe te komen aan een afweging van goede en kwade kansen als bedoeld in artikel 6:105 BW. Dat betekent niet alleen dat deze schadepost niet toewijsbaar is maar ook dat bij het begroten van overige schadeposten, zoals de immateriële schade, geen rekening ermee gehouden zal worden dat de vrouw in de toekomst mogelijkerwijs nog een knieprothese nodig zal hebben zoals zij stelt. Gelet hierop wordt bij de gevorderde immateriële schade dan ook geen aansluiting gezocht bij categorie II a ‘zeer ernstig knieletsel’ van de Rotterdamse schaal waarnaar de vrouw verwijst, maar sluit de rechtbank aan bij de categorie ‘minder ernstig beenletsel’.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 08-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0186

als gevolg van een verkeersongeval in 2018. In november 2023 is er tussen partijen overeenstemming bereikt over een slotbetaling van € 32.500. Over een vergoeding van de buitengerechtelijke kosten is geen overeenstemming bereikt omdat de belangenbehartiger een vergoeding aan buitengerechtelijke kosten verlangt van € 17.844,53. Dit bedrag kan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW volgens de verzekeraar niet doorstaan. Een factor die daarbij relevant is, is de Regeling Buitengerechtelijke kosten Belangenbehartigers 2021 (BKB). Op grond van de BKB-staffel 2024 zou een bedrag van € 8.227 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten in dit geval redelijk zijn. De verzekeraar stelt daar bovenuit te willen gaan maar zij acht maximaal een bedrag van € 13.175,31 in deze zaak redelijk. In dit deelgeschil vordert zij dan ook dat de kantonrechter het bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten matigt tot dit bedrag. Met betrekking tot de inhoud van het verzoek voert de belangenbehartiger aan dat de gevraagde vergoeding aan buitengerechtelijke kosten van € 17.844,53 in dit geval redelijk is. Hij wijst erop dat zijn belangenbehartiger sinds 2019 ervaring heeft met de behandeling van letselschadezaken en de Grotius-opleiding en NIVRE-basisopleiding bijna heeft afgerond. Verder wijst hij er onder meer op dat van de zijde van de verzekeraar meerdere keren is gewisseld van schadebehandelaar wat tot extra kosten heeft geleid. De kantonrechter bespreekt het verzoek inhoudelijk. De kantonrechter overweegt dat de zaak niet omvangrijk is en ook niet complex. In zaken die niet complex zijn, dient de verhouding tussen de schade-uitkering en het bedrag aan buitengerechtelijke kosten redelijk te zijn. Dat is bij een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 17.844,53 zoals verzocht door de belangenbehartiger bij een schade-uitkering van € 32.500 (55%) niet het geval. Ook het gehanteerde uurtarief dat varieert tussen de € 235 en € 255 exclusief btw per uur oordeelt de kantonrechter in dit geval te hoog en daarom niet redelijk. Dergelijke tarieven worden doorgaans toelaatbaar geacht bij in letselschadezaken gespecialiseerde advocaten met ruime ervaring. De belangenbehartiger is geen advocaat, heeft geen (afgeronde) specialisatieopleiding en slechts een aantal jaar ervaring bij de behandeling van letselschadezaken. Met de verzekeraar is de kantonrechter van oordeel dat een uurtarief van € 150 in dat geval meer dan passend is. Verder valt op dat een deel van de in rekening gebrachte uren betrekking heeft op administratieve handelingen waarvoor het volle uurtarief is gerekend, terwijl er bovendien een opslag voor kantoorkosten in rekening is gebracht. Ook dat kan de redelijkheidstoets niet doorstaan. Het verzoek van de verzekeraar wordt toegewezen.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 14-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0185

Een man is in 2023 met zijn auto betrokken geweest bij een verkeersongeval. Hij stelt hierdoor materiële en immateriële schade te hebben geleden. In deze procedure vordert de man dat zijn SVI-verzekeraar op grond van de verzekeringsovereenkomst de schade in behandeling moet nemen en de schade moet vergoeden. De verzekeraar betwist dit. Volgens de verzekeraar hoeft zij de schade van de man niet te vergoeden, omdat hij geen premie heeft betaald. Daarnaast zou hij het ongeval in scène hebben gezet. De verzekeraar vordert daarom in reconventie vergoeding van de schade die zij hierdoor heeft geleden. De rechtbank wijst de vorderingen van de man af en de vorderingen van de verzekeraar toe. Anders dan de man stelt was er geen definitieve toezegging van dekking. Het in een brief vermelden dat de schade ‘in behandeling’ werd genomen betekent alleen dat de claim beoordeeld zou worden, niet dat er al een definitief besluit was genomen. De rechtbank overweegt verder dat op grond van de Algemene Voorwaarden de verzekeraar dekking mocht weigeren omdat de premie niet was betaald. Dit is niet in strijd met artikel 7:934 BW, omdat afwijking van dit artikel mogelijk is indien de verzekeringnemer de verzekering afsluit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, wat in casu is gebeurd. Het versturen van een aanmaning was dus niet nodig om verzuim te laten intreden. De man heeft geen conclusie van antwoord in reconventie ingediend en is ook niet ter zitting verschenen. De stellingen en vorderingen van de verzekeraar zijn dus niet weersproken. Dit terwijl de verzekeraar stellingen voldoende (gemotiveerd) heeft onderbouwd aan de hand van twee rapportages. De rechtbank houdt het er daarom voor dat sprake is van een door de man geënsceneerd ongeval. De man moet de behandelingskosten, onderzoekskosten en schade aan de auto betalen aan de verzekeraar. Daarnaast wordt hij veroordeeld in de wettelijke proceskosten.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Lelystad), 24-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0184

In 2022 heeft een man in een huurauto meerdere verkeersovertredingen begaan. Daarnaast heeft een verkeersongeval plaatsgevonden toen de huurauto werd bestuurd door een vriend van de man, met letselschade van een tweetal personen als gevolg. Tussen partijen is onder andere in geschil of de man de facturen van het verhuurbedrijf moet betalen die zien op de schade van het verhuurbedrijf als gevolg van de aanrijding. De kantonrechter overweegt dat uit het huurcontract blijkt dat de man ervoor had moeten zorgen dat het voertuig niet door een ander werd bestuurd. De man wist dat hij de enige toegestane bestuurder van de auto was. De man stelt dat zijn vriend zonder zijn medeweten de autosleutel uit zijn jaszak heeft gepakt en met de auto is gaan rijden. De kantonrechter overweegt dat de man de sleutel op een andere plek dichter bij hem, zoals in zijn broekzak, had kunnen bewaren. Door de sleutel in zijn jaszak te laten en die kennelijk elders en buiten zijn zichtveld op te hangen, heeft hij zijn zorgplicht geschonden. Om die reden is de veroorzaakte schade aan hem toerekenbaar. Van overmacht is geen sprake. Het huurcontract bepaalt dat de huurder aansprakelijk is voor het doen of nalaten van derden die het voertuig besturen. Dit geldt ook als deze derde het voertuig zonder toestemming van de huurder heeft gebruikt. De schadebedragen die het verhuurbedrijf heeft betaald zijn onderbouwd. De man moet een bedrag van € 32.283,25 betalen aan het verhuurbedrijf.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 01-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0181

Strafrecht. De verdachte heeft na een periode in detentie waarin hij de overtuiging had gekregen dat zijn partner ontrouw aan hem was zich in een tijdsbestek van minder dan drie maanden schuldig gemaakt aan meerdere zeer ernstige geweldsfeiten jegens zijn partner, vaak onder invloed van alcohol en MDMA en in sommige gevallen in het bijzijn van minderjarige kinderen. Deze periode van emotionele en lichamelijke gruwelijke mishandelingen kwam op 1 oktober 2023 in de woonkamer van het slachtoffer tot een triest dieptepunt, toen de verdachte het slachtoffer meerdere malen in de nek stak. De verdachte wordt onder andere veroordeeld voor poging tot doodslag. Het slachtoffer heeft zich als benadeelde partij gevoegd en heeft naast de materiële schade een bedrag van € 100.000 aan immateriële schade gevorderd. De verdachte heeft gedurende een aantal maanden herhaaldelijk een ernstige inbreuk gemaakt op de psychische en lichamelijke integriteit van de benadeelde, als gevolg waarvan zij een complexe PTSS (diagnose door een arts) en vele verwondingen heeft opgelopen. De fysieke en emotionele gevolgen zal de benadeelde partij vermoedelijk voor de rest van haar leven ervaren. Het hof verwijst op dit punt naar hetgeen daaromtrent in de strafmotivering is overwogen. De benadeelde kan dus zowel op – kort gezegd – de grond ‘lichamelijk letsel’, als de grond ‘aantasting in persoon op andere wijze’ (als bedoeld in art. 6:106 lid 2 BW) aanspraak maken op een schadevergoeding. Alles afwegend stelt het hof de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vast op € 50.000. De dochter van het slachtoffer heeft zich ook gevoegd als benadeelde partij en vordert € 45.000 aan immateriële schade bestaande uit schokschade, dan wel aantasting in de persoon anderszins. De advocaat van de dochter heeft, hoewel daartoe uitdrukkelijk door het hof uitgenodigd, geen stukken overgelegd van een arts of andere deskundige die het gestelde geestelijk letsel van de dochter kunnen onderbouwen. De overgelegde Start- en afsluitbrieven over het IHV-traject kunnen in elk geval deze leemte niet opvullen, nu die brieven – waarin slechts in zeer algemene bewoordingen wordt geschreven over ‘intensieve hulpverlening’ – geen blijk geven van het bestaan van in voldoende mate objectiveerbaar geestelijk letsel bij de dochter. Nu het aanhouden van de behandeling de zaak ter nadere onderbouwing van de vordering leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding komt het hof tot de slotsom dat de dochter gelet op het voorgaande niet in de vordering kan worden ontvangen en dat zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof komt tot dezelfde conclusie voor de andere twee dochters en de zoon van het slachtoffer.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 19-02-2026