Tussenvonnis. In een eerder tussenvonnis is een deskundigenonderzoek bevolen over de looptijd van de door de eisende partij geleden en te lijden schade (het verlies aan verdienvermogen). De deskundige heeft de aan hem voorgelegde vragen beantwoord. De vraag die partijen verdeeld houdt is in hoeverre vervolgens rekening moet worden gehouden met het pre-existent letsel van de eisende partij en of hij al dan niet vanwege de aanwezigheid van een pensioenvoorziening eerder zou zijn gestopt met werken. De rechtbank acht, de goede en kwade kansen afwegend, aannemelijk dat de eisende partij in de hypothetische situatie tot aan het bereiken van zijn AOW-leeftijd (thans 67,5 jaar) zou hebben doorgewerkt in zijn onderneming. Dat betekent dat voor de berekening van zijn verlies aan verdienvermogen moet worden gerekend tot 30 maart 2034. De rechtbank kan zich voorstellen dat, nu er duidelijkheid is over het einde van de looptijd van deze schadepost, partijen in staat zijn in onderling overleg tot een berekening van de schade wegens het verlies aan verdienvermogen te komen. Wanneer dat in onderling overleg niet mogelijk blijkt, zal de rechtbank een deskundige benoemen, waarbij vooralsnog kan worden volstaan met één deskundige. Partijen zullen daarom in de gelegenheid worden gesteld zich in dat geval uit te laten over de persoon en de expertise van de te benoemen deskundige en de aan de deskundige te stellen vragen. De rechtbank noemt een potentiële deskundige bij naam.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 08-07-2026