Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0186

als gevolg van een verkeersongeval in 2018. In november 2023 is er tussen partijen overeenstemming bereikt over een slotbetaling van € 32.500. Over een vergoeding van de buitengerechtelijke kosten is geen overeenstemming bereikt omdat de belangenbehartiger een vergoeding aan buitengerechtelijke kosten verlangt van € 17.844,53. Dit bedrag kan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW volgens de verzekeraar niet doorstaan. Een factor die daarbij relevant is, is de Regeling Buitengerechtelijke kosten Belangenbehartigers 2021 (BKB). Op grond van de BKB-staffel 2024 zou een bedrag van € 8.227 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten in dit geval redelijk zijn. De verzekeraar stelt daar bovenuit te willen gaan maar zij acht maximaal een bedrag van € 13.175,31 in deze zaak redelijk. In dit deelgeschil vordert zij dan ook dat de kantonrechter het bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten matigt tot dit bedrag. Met betrekking tot de inhoud van het verzoek voert de belangenbehartiger aan dat de gevraagde vergoeding aan buitengerechtelijke kosten van € 17.844,53 in dit geval redelijk is. Hij wijst erop dat zijn belangenbehartiger sinds 2019 ervaring heeft met de behandeling van letselschadezaken en de Grotius-opleiding en NIVRE-basisopleiding bijna heeft afgerond. Verder wijst hij er onder meer op dat van de zijde van de verzekeraar meerdere keren is gewisseld van schadebehandelaar wat tot extra kosten heeft geleid. De kantonrechter bespreekt het verzoek inhoudelijk. De kantonrechter overweegt dat de zaak niet omvangrijk is en ook niet complex. In zaken die niet complex zijn, dient de verhouding tussen de schade-uitkering en het bedrag aan buitengerechtelijke kosten redelijk te zijn. Dat is bij een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 17.844,53 zoals verzocht door de belangenbehartiger bij een schade-uitkering van € 32.500 (55%) niet het geval. Ook het gehanteerde uurtarief dat varieert tussen de € 235 en € 255 exclusief btw per uur oordeelt de kantonrechter in dit geval te hoog en daarom niet redelijk. Dergelijke tarieven worden doorgaans toelaatbaar geacht bij in letselschadezaken gespecialiseerde advocaten met ruime ervaring. De belangenbehartiger is geen advocaat, heeft geen (afgeronde) specialisatieopleiding en slechts een aantal jaar ervaring bij de behandeling van letselschadezaken. Met de verzekeraar is de kantonrechter van oordeel dat een uurtarief van € 150 in dat geval meer dan passend is. Verder valt op dat een deel van de in rekening gebrachte uren betrekking heeft op administratieve handelingen waarvoor het volle uurtarief is gerekend, terwijl er bovendien een opslag voor kantoorkosten in rekening is gebracht. Ook dat kan de redelijkheidstoets niet doorstaan. Het verzoek van de verzekeraar wordt toegewezen.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 14-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0185

Een man is in 2023 met zijn auto betrokken geweest bij een verkeersongeval. Hij stelt hierdoor materiële en immateriële schade te hebben geleden. In deze procedure vordert de man dat zijn SVI-verzekeraar op grond van de verzekeringsovereenkomst de schade in behandeling moet nemen en de schade moet vergoeden. De verzekeraar betwist dit. Volgens de verzekeraar hoeft zij de schade van de man niet te vergoeden, omdat hij geen premie heeft betaald. Daarnaast zou hij het ongeval in scène hebben gezet. De verzekeraar vordert daarom in reconventie vergoeding van de schade die zij hierdoor heeft geleden. De rechtbank wijst de vorderingen van de man af en de vorderingen van de verzekeraar toe. Anders dan de man stelt was er geen definitieve toezegging van dekking. Het in een brief vermelden dat de schade ‘in behandeling’ werd genomen betekent alleen dat de claim beoordeeld zou worden, niet dat er al een definitief besluit was genomen. De rechtbank overweegt verder dat op grond van de Algemene Voorwaarden de verzekeraar dekking mocht weigeren omdat de premie niet was betaald. Dit is niet in strijd met artikel 7:934 BW, omdat afwijking van dit artikel mogelijk is indien de verzekeringnemer de verzekering afsluit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, wat in casu is gebeurd. Het versturen van een aanmaning was dus niet nodig om verzuim te laten intreden. De man heeft geen conclusie van antwoord in reconventie ingediend en is ook niet ter zitting verschenen. De stellingen en vorderingen van de verzekeraar zijn dus niet weersproken. Dit terwijl de verzekeraar stellingen voldoende (gemotiveerd) heeft onderbouwd aan de hand van twee rapportages. De rechtbank houdt het er daarom voor dat sprake is van een door de man geënsceneerd ongeval. De man moet de behandelingskosten, onderzoekskosten en schade aan de auto betalen aan de verzekeraar. Daarnaast wordt hij veroordeeld in de wettelijke proceskosten.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Lelystad), 24-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0184

In 2022 heeft een man in een huurauto meerdere verkeersovertredingen begaan. Daarnaast heeft een verkeersongeval plaatsgevonden toen de huurauto werd bestuurd door een vriend van de man, met letselschade van een tweetal personen als gevolg. Tussen partijen is onder andere in geschil of de man de facturen van het verhuurbedrijf moet betalen die zien op de schade van het verhuurbedrijf als gevolg van de aanrijding. De kantonrechter overweegt dat uit het huurcontract blijkt dat de man ervoor had moeten zorgen dat het voertuig niet door een ander werd bestuurd. De man wist dat hij de enige toegestane bestuurder van de auto was. De man stelt dat zijn vriend zonder zijn medeweten de autosleutel uit zijn jaszak heeft gepakt en met de auto is gaan rijden. De kantonrechter overweegt dat de man de sleutel op een andere plek dichter bij hem, zoals in zijn broekzak, had kunnen bewaren. Door de sleutel in zijn jaszak te laten en die kennelijk elders en buiten zijn zichtveld op te hangen, heeft hij zijn zorgplicht geschonden. Om die reden is de veroorzaakte schade aan hem toerekenbaar. Van overmacht is geen sprake. Het huurcontract bepaalt dat de huurder aansprakelijk is voor het doen of nalaten van derden die het voertuig besturen. Dit geldt ook als deze derde het voertuig zonder toestemming van de huurder heeft gebruikt. De schadebedragen die het verhuurbedrijf heeft betaald zijn onderbouwd. De man moet een bedrag van € 32.283,25 betalen aan het verhuurbedrijf.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 01-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0181

Strafrecht. De verdachte heeft na een periode in detentie waarin hij de overtuiging had gekregen dat zijn partner ontrouw aan hem was zich in een tijdsbestek van minder dan drie maanden schuldig gemaakt aan meerdere zeer ernstige geweldsfeiten jegens zijn partner, vaak onder invloed van alcohol en MDMA en in sommige gevallen in het bijzijn van minderjarige kinderen. Deze periode van emotionele en lichamelijke gruwelijke mishandelingen kwam op 1 oktober 2023 in de woonkamer van het slachtoffer tot een triest dieptepunt, toen de verdachte het slachtoffer meerdere malen in de nek stak. De verdachte wordt onder andere veroordeeld voor poging tot doodslag. Het slachtoffer heeft zich als benadeelde partij gevoegd en heeft naast de materiële schade een bedrag van € 100.000 aan immateriële schade gevorderd. De verdachte heeft gedurende een aantal maanden herhaaldelijk een ernstige inbreuk gemaakt op de psychische en lichamelijke integriteit van de benadeelde, als gevolg waarvan zij een complexe PTSS (diagnose door een arts) en vele verwondingen heeft opgelopen. De fysieke en emotionele gevolgen zal de benadeelde partij vermoedelijk voor de rest van haar leven ervaren. Het hof verwijst op dit punt naar hetgeen daaromtrent in de strafmotivering is overwogen. De benadeelde kan dus zowel op – kort gezegd – de grond ‘lichamelijk letsel’, als de grond ‘aantasting in persoon op andere wijze’ (als bedoeld in art. 6:106 lid 2 BW) aanspraak maken op een schadevergoeding. Alles afwegend stelt het hof de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vast op € 50.000. De dochter van het slachtoffer heeft zich ook gevoegd als benadeelde partij en vordert € 45.000 aan immateriële schade bestaande uit schokschade, dan wel aantasting in de persoon anderszins. De advocaat van de dochter heeft, hoewel daartoe uitdrukkelijk door het hof uitgenodigd, geen stukken overgelegd van een arts of andere deskundige die het gestelde geestelijk letsel van de dochter kunnen onderbouwen. De overgelegde Start- en afsluitbrieven over het IHV-traject kunnen in elk geval deze leemte niet opvullen, nu die brieven – waarin slechts in zeer algemene bewoordingen wordt geschreven over ‘intensieve hulpverlening’ – geen blijk geven van het bestaan van in voldoende mate objectiveerbaar geestelijk letsel bij de dochter. Nu het aanhouden van de behandeling de zaak ter nadere onderbouwing van de vordering leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding komt het hof tot de slotsom dat de dochter gelet op het voorgaande niet in de vordering kan worden ontvangen en dat zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof komt tot dezelfde conclusie voor de andere twee dochters en de zoon van het slachtoffer.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 19-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0179

De man stelt dat hij in de ochtend van 26 september 2023 ten val is gekomen door een uitstekende stoeptegel op de hoek van het trottoir bij de huisartsenpraktijk die hij kort daarvoor had bezocht. Hij stelt als gevolg daarvan onder andere een pijnlijke schouder en een afgebroken tand te hebben opgelopen. Hij meent dat sprake is van een gebrekkige opstal dan wel van onrechtmatig handelen van de gemeente. De gemeente betwist aansprakelijk te zijn. De kantonrechter oordeelt dat de toedracht van het ongeval niet is komen vast te staan. De man heeft niet de specifieke locatie van de val kunnen aantonen en de gemeente heeft betwist dat de man ten val is gekomen en heeft erop gewezen dat de man ook door bijvoorbeeld een verstapping of verzwikking ten val kan zijn gekomen. Ook als ervan wordt uitgegaan dat de man is gevallen door een uitstekende stoeptegel kan nog niet worden vastgesteld dat sprake is van een gebrekkige opstal of onrechtmatig handelen. Tussen partijen is niet in geschil dat de gemeente de beheerder is van het trottoir waarop de man is gevallen. Tussen partijen is niet in geschil dat het hoogteverschil van de stoeptegels op de plek waar de man ongeveer ten val moet zijn gekomen ten tijde van het ongeval twee centimeter, maar in elk geval niet meer dan drie centimeter was. Uit de CROW-richtlijn volgt dat dergelijke oneffenheden in de weg worden aangemerkt als matig. Uit een door de gemeente c.s. overgelegd inspectierapport blijkt onweersproken dat geen sprake is van oneffenheden die nopen tot klein onderhoud. De kantonrechter volgt de gemeente c.s. in haar standpunt dat van trottoir niet verwacht kan worden dat dit altijd volledig egaal is en voetgangers – met name in de buurt van bomen waar wortels omhoog kunnen komen – bedacht moeten zijn op enige hoogteverschillen. Van belang is ook dat uit de overgelegde foto’s blijkt dat sprake is van een breed en overzichtelijk trottoir met een duidelijk zicht op de stoeptegels. De conclusie is dat van een gebrekkige opstal geen sprake is. Van onrechtmatig handelen van de gemeente is ook geen sprake.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 25-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0178

De vrouw heeft zich op 15 mei 2022 bij de spoedeisende hulp van het ziekenhuis gemeld met pijnklachten in haar rechtervoet. Deze klachten had zij na de val van een barkruk. Zij is gezien en behandeld. Vervolgens is zij op 23 mei 2022 gezien op de gipskamer van het ziekenhuis en is het gips vervangen door loopgips. Op 10 juni 2022 is het gips eraf gehaald. Op 14 juni 2022 heeft de vrouw zich opnieuw bij deze gipskamer gemeld, omdat een zwelling onrust veroorzaakte (zonder pijn). De vrouw is daarna in september en oktober 2022 meerdere keren in het ziekenhuis geweest met klachten aan haar rechtervoet. Ook is een CT-scan van haar voet gemaakt op 11 oktober 2022. Op 25 januari 2024 heeft de advocaat van de vrouw het ziekenhuis aansprakelijk gesteld voor schade die het gevolg is van ‘het medisch onzorgvuldig handelen op de huisartsenpost/in het ziekenhuis, zoals dat plaatsvond vanaf 15 mei 2022’. Volgens de vrouw is in het ziekenhuis een breuk in de voet gemist. Het ziekenhuis heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen. De vrouw verzoekt om een voorlopig deskundigenbericht te bevelen uitgevoerd door de door haar gestelde deskundige en de door haar geformuleerde vragen voor te leggen. Daarnaast verzoekt zij dat de deskundige beschikking krijgt over het medisch dossier. De partijen hebben overeenstemming bereikt over de benoeming van een traumachirurg. De rechtbank heeft vervolgens na afloop van de mondelinge behandeling de (grotendeels) in gezamenlijk overleg tot stand gekomen vraagstelling in concept vastgesteld. In deze beschikking wordt de deskundige benoemd en de definitieve vraagstelling vastgesteld. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet dat het voorschot op de kosten van de deskundige in beginsel door de verzoekende partij moet worden gedeponeerd.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 02-04-2026