Naar boven ↑
8.544 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0038

Strafrecht. Verdachte heeft een brand aangestoken bij het huis van zijn ex-partner. Op het moment van de brand waren er vijf personen in de woning aanwezig: de ex-partner en haar vier kinderen. Twee kinderen is het gelukt om uit de woning te vluchten. Een ander kind is door de brandweer uit zijn slaapkamer aan de voorzijde van het huis gered. De ex-partner en haar jongste zoon zijn in een slaapkamer aan de achterzijde van de woning ingesloten geraakt door het vuur. Zij hebben beiden ernstige brandwonden opgelopen en zijn ternauwernood door de brandweer met een ladder uit de woning gered. De moeder en haar vier kinderen hebben zich gevoegd als benadeelde partij. De moeder heeft in hoger beroep haar vordering aan immateriële schade verlaagd naar een bedrag van € 60.000. Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten tweede- en derdegraads brandwonden op negen procent van de lichaamsoppervlakte. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. De vordering is niet betwist tot een bedrag van € 35.000. Het hof zal de vordering toewijzen tot dat bedrag. Daarnaast voegt ook haar kind die brandwonden heeft opgelopen zich als benadeelde partij. Deze vordering bestaat uit een bedrag van € 60.420 aan immateriële schade. Naar het oordeel van het hof is hier ook komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten brandwonden met een gemengd karakter, variërend van oppervlakkig tot diep, die tien procent van de lichaamsoppervlakte beslaan. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, als bedoeld in artikel 6:106 BW. De vordering is niet betwist tot een bedrag van € 25.000. Het hof zal de vordering toewijzen tot dat bedrag. De overige drie kinderen hebben vorderingen ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade telkens tot een bedrag van € 10.000. Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partijen als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde op andere wijze in de persoon zijn aangetast als bedoeld artikel 6:106 aanhef en onder b BW. Weliswaar hebben de benadeelde partijen dat niet met concrete gegevens onderbouwd, maar het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschendingen meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het hof acht het gevorderde billijk.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 19-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0035

Het geschil gaat over de afwikkeling van schade van een verkeersongeval dat de man in 2008 is overkomen met zijn auto in Polen. De oplegger van een trekker-opleggercombinatie is op (onder andere) de auto van de man terechtgekomen waardoor hij tegen een andere auto is aangebotst. De man woonde ten tijde van het ongeval in Tsjechië. De WAM-verzekeraar van de bestuurder van de trekker-opleggercombinatie, die het ongeval heeft veroorzaakt, heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. De rechtbank heeft geoordeeld dat zij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen en dat het Pools recht van toepassing is op de vorderingen van de man. De rechtbank heeft de vorderingen van de man vervolgens afgewezen omdat de vorderingen naar Pools recht zijn verjaard. De man gaat hiertegen in hoger beroep. Net als de rechtbank oordeelt het hof dat in dit geval een verjaringstermijn van drie jaar geldt vanaf het moment waarop de man bekend was met de aansprakelijke persoon en de schade. De conclusie luidt dat niet is gebleken van eerdere stuitingshandelingen dan de telefonische mededeling van de man aan de verzekeraar op 2 januari 2012 dat hij een claim zal indienen. De vraag of de man de verjaring daarmee heeft gestuit voor het verstrijken van de termijn van drie jaar, hangt af van het aanvangsmoment van de verjaring waarover het hof na uitlating van partijen verder zal oordelen. Het hof stelt vast dat, uitgaande van het door de verzekeraar gestelde aanvangsmoment, in welk geval de stuiting op 2 januari 2012 ongeveer een half jaar na het verstrijken van de verjaringstermijn heeft plaatsgevonden, er sprake is van een geringe overschrijding van de verjaringstermijn. De man heeft het standpunt ingenomen dat het beroep op verjaring van de verzekeraar in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dan wel dat de verzekeraar haar recht heeft verwerkt om een beroep op verjaring te mogen doen. In de door beide partijen overgelegde legal opinions is niet ingegaan op de vraag of er naar Pools recht een wettelijke grondslag is om het beroep op verjaring te passeren. Het hof verzoekt partijen om met legal opinions hun standpunt hierover te onderbouwen en daarbij uitdrukkelijk de geschetste omstandigheden te (laten) betrekken. De zaak wordt verwezen naar de rol voor akte uitlating aan de zijde van de verzekeraar, gevolgd door een antwoordakte aan de zijde van de man.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 01-04-2025

Rechtspraak

PS 2026-0033

Deelgeschil. Er heeft een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een scooterrijder en een automobilist. De scooterrijder heeft daarbij letsel aan zijn duim, been, enkel en voet opgelopen. Volgens de scooterrijder is de automobilist aansprakelijk voor het ongeval. Hij reed met een snelheid van ongeveer 15 km per uur rechtdoor op zijn scooter en was voornemens om linksaf het fietspad op te rijden. Voordat hij dit kon doen belandde de automobilist – die vanuit de scooterrijder gezien van rechts kwam – met haar auto op zijn weghelft doordat zij de bocht naar links afsneed. Volgens de automobilist zag de scooterrijder haar niet en is de scooterrijder daarom, met hoge snelheid, tegen haar auto aangereden. De verzekeraar van de automobilist heeft de aansprakelijkheid afgewezen. De rechtbank stelt vast dat niet is aangetoond dat de automobilist tijdens het nemen van de bocht op de weghelft van de scooterrijder terecht is gekomen. Er was volgens de rechtbank voldoende ruimte voor de scooterrijder om de automobilist te laten passeren en vervolgens zijn eigen weg te vervolgen. Daarnaast acht de rechtbank het scenario dat de scooterrijder te hard heeft gereden en daarom de automobilist niet heeft gezien aannemelijk. Indien de scooterrijder– zoals hij op het aanrijdingsformulier en ter zitting heeft verklaard – maximaal 15 km per uur reed, dan had hij er ongeveer 10 seconden over gedaan om de plek van de aanrijding te bereiken. De rechtbank overweegt dat de automobilist de bocht in dat scenario dan al ruim door zou zijn voordat de scooterrijder daar aan zou zijn gekomen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat hij een stuk harder moet hebben gereden dan 15 km per uur. De rechtbank wijst het verzoek van de scooterrijder af en neemt geen aansprakelijkheid van de automobilist aan.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 24-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0031

Op een gelijkwaardige kruising zijn de automobilist en de bromfietser met elkaar in botsing gekomen. De bromfietser kwam voor de automobilist van rechts. De bromfietser had daar echter niet in die richting mogen rijden op zijn bromfiets. De straat is een eenrichtingsweg. Daarop mag niet in zuidelijke richting worden gereden, behalve door fietsers. De automobilist heeft pijnklachten in de nek aan het ongeval overgehouden. De WAM-verzekeraar van de bromfietser heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. Buiten rechte hebben partijen onderhandeld over de vraag of de automobilist eigen schuld heeft aan het ontstaan van het ongeval. Daarover kon geen overeenstemming worden bereikt, de automobilist eist daarom in deze zaak volledige aansprakelijkheid aan de kant van de bromfietser. Van de uitzonderingen uit artikel 15 lid 2 RVV 1990 is in deze zaak geen sprake. Omdat de bromfietser van rechts kwam had de automobilist hem de ruimte moeten laten om voorlangs te rijden. Uit de bewegende beelden van de aanrijding volgt dat de automobilist dat niet heeft gedaan. Hij is te ver de kruising opgereden. Dat de bromfietser niet uit die richting mocht komen doet er niet aan af dat de automobilist hem voorrang had moeten verlenen. Dit volgt uit het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1384, waarin eigen schuld werd aangenomen van een bestuurder die geen voorrang verleende aan een bestelbus die in de verboden rijrichting reed. De schade van de automobilist is het gevolg van drie verkeersfouten, waarvan er twee aan de bromfietser zijn toe te rekenen en een aan de automobilist. Evenredige vermindering van de vergoedingsplicht brengt dan mee dat deze tot twee derde wordt verminderd, echter acht de kantonrechter door de ernst van de fouten van de bromfietser een vergoedingsplicht van drie vierde billijk. De kantonrechter oordeelt dat de bromfietser en zijn WAM-verzekeraar aansprakelijk zijn en dat zij 75% van de schade moeten vergoeden.
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 03-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0030

In 2023 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden als gevolg waarvan een man is overleden. De dochter van de overleden man heeft een aansprakelijkstelling gezonden aan de verzekeraars van de bij het verkeersongeval betrokken twee voertuigen. De regelende verzekeraar heeft laten weten dat zij bereid is om de affectieschade aan de nabestaanden te betalen. Hierbij heeft de regelende verzekeraar verzocht om de complete bankgegevens en een kopie van de bankpassen van de rekeningen van de nabestaanden. Het schadebureau heeft laten weten dat de regelende verzekeraar conform de Gedragscode de uitkeringen kan overboeken naar de derdenrekening van het schadebureau. Het schadebureau vordert nu op grond van artikel 7:954 lid 1 BW betaling door de verzekeraar. De verzekeraar heeft erkend dat de dochter aanspraak heeft op een vergoeding wegens affectieschade van € 15.000. De dochter heeft haar aanspraak gecedeerd aan het schadebureau. De verzekeraar voert aan dat zij het bedrag niet wil betalen aan het schadebureau omdat zij zich afvraagt of het bedrag dan ook echt bij de dochter terechtkomt. Zij wijst erop dat zij het recht van de dochter al geruime tijd geleden (al voor de ontvangst van de akte van cessie) heeft erkend. Als de verzekeraar de door haar gevraagde gegevens omtrent de bankrekening van de dochter had ontvangen, dan had zij de vergoeding al aan de dochter betaald. Omdat de verzekeraar steeds heeft willen betalen, is er geen goede reden voor de cessie. De verzekeraar heeft ook twijfels over de akte van cessie; zij wijst erop dat deze geen titel of koopprijs bevat en dat de handtekening van de dochter op die akte er anders uitziet dan haar handtekening op haar identiteitsbewijs. Ook vraagt het schadebureau de verzekeraar te betalen op een rekening die geen derdengeldenrekening is. De kantonrechter overweegt dat het schadebureau voldoende heeft onderbouwd dat de dochter haar rechten aan het bureau heeft gecedeerd. De overige door de verzekeraar genoemde omstandigheden, kunnen wellicht leiden tot vragen over nut en noodzaak van deze cessie maar staan er niet aan in de weg dat sprake is van een rechtsgeldige akte van cessie en is voldaan aan het eerste vereiste van artikel 3:94 BW. Met de door het bureau voorafgaand aan de mondelinge behandeling in het geding gebrachte stukken is vast komen te staan dat aan beide vereisten van artikel 3:94 BW is voldaan (akte van cessie en mededeling) en er een rechtsgeldige overdracht van de vordering van dochter op de verzekeraar heeft plaatsgevonden aan het schadebureau. Het gevolg daarvan is dat de verzekeraar aan het schadebureau een bedrag van € 15.000 dient te betalen zijnde de aan de dochter toekomende vergoeding wegens affectieschade.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 11-12-2025