Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0070

Overheidsaansprakelijkheid. Eisers zijn allen slachtoffers van het schietincident van 9 april 2011 in en rond het winkelcentrum ‘De Ridderhof’ te Alphen aan den Rijn. Het is in een andere procedure reeds vastgesteld dat de Politieregio Hollands Midden (de Politie) bij het verlenen van een wapenvergunning aan de schutter fouten heeft gemaakt, en om deze reden aansprakelijk is jegens de slachtoffers voor de gevolgen van het schietincident. Eisers hebben inmiddels een bedrag aan schadevergoeding ontvangen. Zij vinden dat hun schade nog niet geheel is vergoed en spreken de Staat tot vergoeding van deze restschade aan. De rechtbank komt tot het oordeel dat de Staat niet aansprakelijk is voor deze schade. De Politie had ten tijde van het schietincident rechtspersoonlijkheid. Daaruit volgt dat de Politie geen onderdeel was van de Staat en dat met de aansprakelijkheid van de Politie voor het schietincident niet zonder meer ook de aansprakelijkheid van de Staat is gegeven. Het enkele feit dat de korpschef het wapenverlof in dit geval ten onrechte heeft verleend brengt niet mee dat het wettelijke kader omtrent vuurwapenbezit niet aan de vereisten van artikel 2 EVRM voldoet. Om dezelfde reden is er niet sprake van een schending van artikel 3 en/of 8 EVRM. Dat de minister onrechtmatig heeft gehandeld door niet van de bevoegdheid gebruik te maken een individuele aanwijzing te geven om tot intrekking van de vergunning over te gaan blijkt uit niets. De Staat is verder ook niet aansprakelijk op grond van artikel 6:171 en 6:172 BW.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 15-01-2025

Rechtspraak

PS 2025-0066

Deelgeschil. In 2020 is een passagier van een bestelbus slachtoffer geworden van een eenzijdig verkeersongeval toen de bestuurder van de bestelbus in slaap viel, dan wel een black-out kreeg en de bestelbus tegen de muur van een viaduct is aangereden. De verzekeraar van het bedrijf waar de passagier en de bestuurder in dienst waren heeft jegens de passagier erkend dat het bedrijf aansprakelijk is voor het ontstaan van het verkeersongeval. De partijen zijn met elkaar in overleg getreden over de afwikkeling van de schade van de passagier als gevolg van het verkeersongeval. Gedurende deze onderhandelingen heeft de verzekeraar een bedrag van in totaal € 9.500 als voorschot op de schadevergoeding aan de passagier betaald. In 2020 en 2021 hebben verschillende medisch adviseurs adviezen uitgebracht. De passagier verzoekt nu de kantonrechter om onder andere te bepalen dat de verzekeraar een slotuitkering van € 11.250 aan hem zal voldoen en hem daarbij een bijstandsgarantie zal verstrekken. De kantonrechter wijst de verzoeken af. Het verzoek tot betaling van een slotuitkering is een verzoek om het gehele geschil te beslechten. Het beslechten van alle resterende geschilpunten is niet de bedoeling van een deelgeschilprocedure. Het mogelijk verlies van een deel van de bijstandsuitkering als gevolg van een eventuele slotbetaling is naar het oordeel van de kantonrechter geen schade die in zodanig verband staat met het verkeersongeval dat zij de verzekeraar kan worden toegerekend. De verzekeraar hoeft dan ook geen bijstandsgarantie te verstrekken.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 27-08-2024

Rechtspraak

PS 2025-0064

In 2009 is een man tijdens een zaalvoetbalwedstrijd in aanraking gekomen met de achterwand van de speelzaal, waarbij hij letsel heeft opgelopen aan zijn rechterelleboog. In een eerder deelgeschil tegen de eigenaar van de sporthal (de gemeente) is het beroep op artikel 6:181 BW gehonoreerd en de vordering op basis van artikel 6:174 BW (dus) afgewezen. De vordering ex artikel 6:162 BW is in die procedure ook afgewezen. De man vordert in onderhavige bodemprocedure een verklaring voor recht dat de gemeente en Sportfondsen (de exploitant van de sporthal) zowel gezamenlijk als hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door hem geleden en nog te lijden schade. Als grondslag voor zijn vorderingen stelt de man dat er sprake is van een gebrekkige opstal in de zin van artikel 6:174 BW en voorts dat er sprake is van een onrechtmatige daad. De vorderingen jegens de exploitant baseert de man tevens op wanprestatie. De rechtbank wijst de vorderingen jegens de gemeente af omdat in het eerdere deelgeschil een beslissing is genomen aangaande de materiële rechtsverhouding tussen partijen. Er is overigens ook geen reden om op die beslissing terug te komen. De rechtbank wijst de vorderingen jegens de exploitant ook af. De man was geen partij bij de huurovereenkomst, waardoor hem geen vorderingsrecht kan toekomen uit hoofde van wanprestatie. Er is geen sprake van een gebrekkige opstal in de zin van artikel 6:174 BW, waarvoor de exploitant als bedrijfsmatig gebruiker ex artikel 6:181 BW aansprakelijk is. De exploitant heeft niet onzorgvuldig of onrechtmatig gehandeld jegens de man, zodat hij ook niet op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de geleden schade.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 28-05-2014