Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0078

Strafrecht. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de moord op het slachtoffer. De verdachte krijgt een gevangenisstraf van twintig jaar opgelegd. De dochter, zoon en echtgenote van het slachtoffer krijgen een bedrag aan affectieschade conform het Besluit vergoeding affectieschade toegekend. De zoon en echtgenote van het slachtoffer vorderen ieder een bedrag van € 30.000 wegens shockschade. Zij stellen dat zij geestelijk letsel hebben opgelopen doordat zij op de plaats delict zijn geconfronteerd met het ernstig toegetakelde lichaam van het slachtoffer. De rechtbank stelt naar billijkheid het bedrag aan shockschade vast op een bedrag van € 20.000 per persoon. Het betoog van de verdediging dat er sprake is van samenloop als zowel affectie- als shockschade wordt toegekend en dat het toe te wijzen bedrag aan affectieschadevergoeding in mindering moet worden gebracht op het bedrag aan shockschadevergoeding gaat niet op. Het verdriet en de rouw om het verlies van het slachtoffer valt niet onder shockschade en deze zijn dan ook niet meegenomen bij de bepaling van het shockschadebedrag. De schoondochter van het slachtoffer vordert € 25.000 aan shockschade. De rechtbank kent haar een bedrag van € 10.000 toe, gelet op de omstandigheid dat na een traumabehandeling de schoondochter haar leven weer grotendeels heeft kunnen hervatten.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 24-01-2025

Rechtspraak

PS 2025-0077

Deelgeschil. In 2023 heeft een man zijn bestelbus, met de alarmlichten aan, geparkeerd op het fietspad. Een fietsster fietste op het fietspad en is om de bestelbus te kunnen passeren door het grasveld langs het fietspad gefietst. Toen zij het fietspad weer op wilde gaan is zij in aanraking gekomen met een opstaande rand, waardoor zij ten val is gekomen. De kantonrechter is van oordeel dat artikel 185 WVW niet van toepassing is, omdat niet aan alle vereisten ter zake is voldaan. Het beroep van de fietsster op de omkeringsregel slaagt. Daarvoor is redengevend dat het uit artikel 6 WVW jo. artikel 10 RVV voortvloeiende verbod om een motorvoertuig te parkeren op een fietspad strekt ter voorkoming van een specifiek gevaar, namelijk dat zich een verkeersongeval voortdoet. Door de bestelbus op het fietspad te parkeren wordt het gevaar dat bij een andere weggebruiker schade ontstaat in het algemeen aanmerkelijk vergroot, in dit geval heeft dat specifieke gevaar zich verwezenlijkt. Er is niet gesteld noch aannemelijk gemaakt dat het ongeval ook zou zijn ontstaan als de bestelbus niet op het fietspad had gestaan. Dit betekent dat het ongeval mede is veroorzaakt door de bestuurder van de bestelbus en dat hij daarmee onrechtmatig jegens de fietsster heeft gehandeld. Er is deels sprake van eigen schuld bij de fietsster. Na beoordeling van alle omstandigheden van het geval oordeelt de kantonrechter dat de fietsster 40% van de schade zelf moet dragen, de overige 60% moet gedragen worden door de bestuurder van de bestelbus.
Rechtbank Overijssel, 24-10-2024

Rechtspraak

PS 2025-0073

Een nachtwaker bij een nachtopvang waar mensen verblijven met een dubbele aandoening (psychische diagnose en een verslaving) heeft zich in 2018 ziek gemeld. In 2019 is hij gediagnosticeerd met PTSS en een persisterende depressieve stoornis. Ook is er een autismespectrumstoornis vastgesteld. Na twee jaar ziekte is het dienstverband van de nachtwaker door middel van een vaststellingsovereenkomst beëindigd in 2021. In datzelfde jaar heeft de nachtwaker zijn werkgever aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden schade als gevolg van zijn werkzaamheden op grond van artikel 7:658 BW. Volgens hem heeft hij sinds 2011 te maken gehad met een forse toename van het aantal en ook de ernst van incidenten op het werk. Deze incidenten hebben een grote impact op hem gehad. Hoewel hij diverse meldingen heeft gedaan over de arbeidsomstandigheden en de klachten die hij ervoer heeft zijn werkgever nagelaten daarop adequaat te reageren. Naar het oordeel van de kanontrechter is voldoende komen vast te staan dat de nachtwaker is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke werkomstandigheden. Het causaal verband tussen de werkzaamheden en de PTSS en persisterende depressieve stoornis staat vooralsnog niet vast. De arbeidsrechtelijke omkeringsregel niet van toepassing. Er is nader onderzoek nodig naar het verband tussen de psychische klachten en de arbeidsomstandigheden. De kantonrechter geeft de werkgever echter eerst de kans om te bewijzen dat hij proactief nazorg heeft aangeboden aan de nachtwaker en hem voor zijn ziekmelding een aanbod voor andere werkzaamheden heeft gedaan. Slaagt de werkgever in het opgedragen bewijs dan moet worden aangenomen dat hij voldaan heeft aan zijn zorgplicht. Slaagt de werkgever hier niet in dan moet een deskundigenonderzoek worden gelast naar het verband tussen de klachten en de werkomstandigheden.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 17-01-2025

Rechtspraak

PS 2025-0072

In 2007 heeft een zelfstandige ondernemer een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten. In 2015 heeft de zelfstandige ondernemer twee epileptische aanvallen gehad. Hij stelt door deze aanvallen arbeidsongeschikt te zijn geraakt. Hij heeft dan ook een schadeaangifte arbeidsongeschiktheids- en ongevallenverzekering bij de verzekeraar ingediend. In 2017 is er een onafhankelijk verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. Mede op basis van dit rapport kwam men tot de conclusie dat de zelfstandige ondernemer voor 80-100% arbeidsongeschikt is. Daarop heeft de verzekeraar uitkeringen onder de polis aan de zelfstandige ondernemer verstrekt. In 2020 is een nieuw verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. Deze verzekeringsarts kwam tot de conclusie dat de vraag of de zelfstandige ondernemer beperkingen voor het verrichten van arbeid als rechtstreeks en medisch objectiveerbaar gevolg van ziekte of ongeval heeft, ontkennend beantwoord dient te worden. De verzekeraar heeft op basis van dit rapport de arbeidsongeschiktheidsuitkering beëindigd. De zelfstandige ondernemer heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Partijen zijn in onderhandeling getreden over een medische herbeoordeling. De vraag die partijen verdeeld houdt is of er op voorhand een neuropsychologisch onderzoek verricht moet worden. Daarnaast bestaat er discussie over de aan de deskundige voor te leggen vragen. De rechtbank willigt het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht te gelasten in. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen ermee ingestemd dat in eerste instantie alleen een neuroloog wordt benoemd en dat het aan de neuroloog wordt overgelaten om op basis van zijn bevindingen te beoordelen of een neuropsychologisch onderzoek geïndiceerd is. De rechtbank wijst een deskundige toe en stelt een vraagstelling vast.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 19-12-2024