Een moeder heeft in 1988 een behandeling ondergaan in een ziekenhuis waarbij met de behandelend gynaecoloog was afgesproken dat de moeder zou worden geïnsemineerd met het zaad van haar toenmalige echtgenoot. De gynaecoloog heeft echter niet het zaad van de echtgenoot gebruikt, maar zijn eigen zaad en heeft de moeder en haar toenmalige echtgenoot daarover niet ingelicht. Als gevolg van de behandeling zijn de drie kinderen (een drieling) geboren. De moeder en de kinderen houden het ziekenhuis aansprakelijk voor de gevolgen. Zij stellen dat jegens de moeder is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelovereenkomst en dat door het schenden van deze overeenkomst het ziekenhuis ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens de kinderen. De rechtbank heeft de vorderingen van de moeder en kinderen afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering tot vergoeding van de schade als gevolg van de inseminatie met het eigen zaad van de gynaecoloog, is verjaard. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het ziekenhuis buiten de contractuele verhouding tussen de moeder en de gynaecoloog stond en daarom van een tekortschieten door het ziekenhuis in de nakoming ervan dan wel van onrechtmatig handelen, geen sprake kan zijn. Volgens het gerechtshof slaagt het hoger beroep van de moeder en kinderen grotendeels. Op basis van de gang van zaken en de aldus in het onderzoek en de KIE-behandeling van de moeder besloten liggende verklaringen en gedragingen van het ziekenhuis is het hof van oordeel dat de moeder in de gegeven omstandigheden er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij (ook) met het ziekenhuis een overeenkomst sloot voor de behandeling. Dat de gynaecoloog als vrijgevestigd medisch specialist in 1980, zoals in die tijd veelvuldig in perifere ziekenhuizen voorkwam, een toelatingsovereenkomst met het ziekenhuis heeft gesloten, niet in loondienst was van het ziekenhuis en dat in deze situatie in ieder geval een behandelovereenkomst tot stand komt met de arts voor de specifieke behandeling, doet hieraan niet af. Het gerechtvaardigd vertrouwen van de moeder is later alleen maar versterkt nadat de handelwijze van de gynaecoloog in 2020 bekend werd. Het ziekenhuis heeft toen niet aan de moeder en de kinderen kenbaar gemaakt dat zij niet juridisch verantwoordelijk was voor de gebeurtenissen die plaatsvonden voor 1 april 1995 (de datum van de invoering van de WGBO), omdat het ziekenhuis geen contractuele relatie had met de getroffen patiënten. Als professionele partij had het op haar weg gelegen daarover tijdig duidelijkheid te verschaffen, maar dat heeft zij nagelaten. Daar komt bij dat het ziekenhuis in de door haarzelf opgestelde verklaring van 3 november 2021 schrijft dat het belang van de gedupeerde ouders en kinderen vooropstaat, dat zij excuses maakt voor het handelen van de gynaecoloog en dat het ziekenhuis er alles aan zal doen om de schade en het leed van de mensen zoveel mogelijk te beperken. Het ziekenhuis schrijft verder dat het handelen van de gynaecoloog primair zijn verantwoordelijkheid was, maar dat het ziekenhuis destijds ook niet geheel vrij van blaam was. Met deze verklaring heeft het ziekenhuis eveneens het gerechtvaardigd vertrouwen van de moeder versterkt dat het ziekenhuis zich ook juridisch verantwoordelijk achtte voor het handelen van de gynaecoloog. Naar het oordeel van het hof is het beroep op verjaring door het ziekenhuis in dit specifieke geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Bij de afweging van de te onderscheiden gezichtspunten weegt voor het hof zwaar dat het hier een ernstig verwijtbaar handelen van de gynaecoloog betreft, dat is verricht in de uitvoering van de overeenkomst met de gynaecoloog en het ziekenhuis inzake de infertiliteitsbehandeling van de moeder. Het handelen door de gynaecoloog is heimelijk gebeurd, tegen de gemaakte afspraken met de moeder in en met ingrijpende gevolgen voor de moeder en de kinderen waarbij fundamentele rechten van hen zijn geschonden. Het feit dat nu pas duidelijk is met welk zaad de moeder in 1988 daadwerkelijk is geïnsemineerd en van wie de kinderen biologisch afstammen, betekent een zeer ingrijpende wijziging in deze fase van hun leven. Met het ernstig verwijtbare handelen werd een inbreuk gepleegd op het recht van de moeder op onder meer lichamelijke en geestelijke integriteit. De moeder heeft, toen zij te weten kwam wat daadwerkelijk was gebeurd, de inseminatie ervaren als een verkrachting en, zoals zij tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaarde, achteraf het gevoel te hebben gehad dat zij door de gynaecoloog als een broedmachine is gebruikt. Vervolgens zag zij zich gesteld voor de opvoeding van drie kinderen met karaktertrekken die zij ten dele niet herkende. Voor de kinderen is het schrijnend dat zij in een belangrijke periode van hun leven waarin de basis wordt gelegd voor de vorming van hun identiteit, niet hebben geweten wie hun biologische vader was en waar bepaalde karaktertrekken vandaan kwamen. Zij werden geconfronteerd met verlies van genetische affiniteit met de opvoedvader. Met het ernstig verwijtbare handelen werd een inbreuk gepleegd op het zelfbeschikkingsrecht en de persoonlijkheidsrechten van de kinderen. Dat emotionele, psychische en vermogensschade voor de moeder en de kinderen het gevolg kan zijn, is voorzienbaar terwijl zij niet voor het verstrijken van de absolute verjaringstermijn een vordering tot vergoeding daarvan hebben kunnen instellen. Voor het verwijtbare handelen van de gynaecoloog, dat ook in strijd was met destijds geldende professionele richtlijnen en gedragsregels, is het ziekenhuis (mede) verantwoordelijk en kan aan haar worden toegerekend, terwijl haar ook zelf verwijten kunnen worden gemaakt wat betreft het gebrek aan bestuurlijk en juridisch toezicht op de fertiliteitsafdeling. Het hof acht verder van belang dat de onderhavige zaak zich afspeelt tussen de direct betrokkenen, te weten het verantwoordelijke ziekenhuis en de moeder en haar kinderen. Een schadevergoeding, indien toewijsbaar, zal volledig aan de moeder en de kinderen ten goede komen. Deze gezichtspunten die pleiten voor doorbreking van de verjaring worden ondersteund door het gezichtspunt dat de moeder en kinderen ter zake van de schade geen aanspraak kunnen maken op een uitkering uit anderen hoofde en dat zij na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijnen het ziekenhuis aansprakelijk hebben gesteld en een vordering tot schadevergoeding hebben ingesteld. Daarbij heeft het ziekenhuis verder ook de indruk en het vertrouwen gewekt zich in te zullen spannen voor het beperken van de schade en het leed van de betrokkenen. Hier staat weliswaar tegenover dat het ziekenhuis vóór het verstrijken van de verjaringstermijn geen rekening had behoeven te houden met de mogelijkheid van de vorderingen van de moeder en de kinderen, maar tegelijkertijd moet het voor het ziekenhuis, ondanks het tijdsverloop, in dit geval in redelijkheid mogelijk worden geacht inhoudelijk verweer te voeren en brengt het niet-verzekerd zijn als gevolg van de opzetclausule voor haar geen onevenredig nadeel met zich mee ten opzichte van een vordering die voor het verstrijken van de verjaringstermijn zou zijn ingesteld, omdat zij ook dan naar haar eigen stellingen niet verzekerd zou zijn geweest. Het hof verklaart voor recht dat het ziekenhuis aansprakelijk is voor de (im)materiële schade die de moeder en de kinderen lijden en hebben geleden. De gevorderde verklaring voor recht wat betreft de schending van de dossier- en informatieplicht jegens de moeder geldt alleen voor de periode dat zij nog onder behandeling was van de gynaecoloog. Het hof acht, gelet op de stellingen van de moeder en de kinderen, ten minste de mogelijkheid aannemelijk dat materiële en immateriële schade (geestelijk letsel) door de moeder is of zal worden geleden als gevolg van de toerekenbare tekortkomingen in de nakoming van de overeenkomst inzake haar behandeling. Het hof acht eveneens ten minste de mogelijkheid aannemelijk dat materiële en immateriële schade (geestelijk letsel) door ieder van de kinderen is of zal worden geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen jegens hen. Het debat over de omvang van de schade is echter amper gevoerd. Het hof zal dan ook de vordering tot verwijzing naar de schadestaat voor vaststelling van de omvang van de schade van de moeder en de kinderen toewijzen.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 13-01-2026