Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0195

Eindvonnis. Cosmetische behandeling. Een vrouw heeft een cosmetische behandeling ondergaan bestaande uit lipofilling en liposuctie. Na de ingreep is geconstateerd dat de achterkant van het rechterbovenbeen van de vrouw een inkeping vertoont. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis geoordeeld dat zij het voorlopig bewezen acht dat liposuctie op de plek waar de inkeping is ontstaan niet tussen partijen is overeengekomen. De rechtbank heeft de kliniek in de gelegenheid gesteld om daarvan tegenbewijs te leveren. De rechtbank oordeelt dat kliniek niet is geslaagd in het leveren van dat tegenbewijs. De kliniek heeft onrechtmatig gehandeld jegens de vrouw door de eis van ‘informed consent’ te schenden. Uit de verklaringen kan namelijk niet worden afgeleid dat de vrouw bij het aftekenen of daarvoor toestemming heeft gegeven om liposuctie uit te voeren van de onderrand van de billen. De kliniek moet een (beperkt) aantal schadeposten vergoeden. Bij het vaststellen van het smartengeld zoekt de rechtbank aansluiting bij de Rotterdamse schaal. De rechtbank vindt in dit geval een bedrag bovenaan de bandbreedte passend. Het gaat om een duidelijk zichtbaar litteken dat het uiterlijk in enige mate aantast. De vrouw heeft aannemelijk gemaakt dat het letsel een weerslag heeft op haar (werkzame) leven en dat zij er psychisch onder gebukt gaat, te meer nu het gaat om een gevolg van een medische behandeling waarvoor zij geen toestemming heeft gegeven en deze dus voorkomen had kunnen worden. Door het blijvende litteken wordt zij nog dagelijks met de gevolgen geconfronteerd. Ook door de reacties daarop van anderen wordt zij aan het feit herinnerd. Zij voelde zich genoodzaakt om zich door een plastisch chirurg in het buitenland te laten opereren, wat tot haar verdriet geen volledig herstel heeft opgeleverd. De rechtbank begroot de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op € 5.000.
Rechtbank Noord-Holland, 25-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0193

Een man heeft in 2019 een ongeval veroorzaakt als bestuurder van een huurauto. De fietser die hij heeft aangereden heeft daarbij ernstig letsel opgelopen. De WAM-verzekeraar heeft de schade van de fietser vergoed en stelt zich nu op het standpunt dat het gedrag van de bestuurder dat leidde tot het ongeval als roekeloos in de zin van de polisvoorwaarden en artikel 7:952 BW heeft te gelden. Volgens de WAM-verzekeraar kan zij op grond van artikel 15 lid 1 WAM de schadevergoeding die zij aan het slachtoffer heeft betaald verhalen op de bestuurder. De rechtbank heeft de daarop gerichte vorderingen van de WAM-verzekeraar afgewezen. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis. Om aan te nemen dat het verkeersgedrag van de bestuurder roekeloos is geweest is vereist dat hij zich, in elk geval in zeker mate, bewust was van zijn handelen. Voldoende is dat de man zich van de aanmerkelijke kans op schade bewust had behoren te zijn. Uit de omstandigheden valt af te leiden dat de man ernstige verkeersfouten heeft gemaakt, die hem ook kunnen worden verweten. Deze fouten maken echter niet dat hij roekeloos heeft gehandeld. De man betwist dat hij zich bewust was van de gedragingen die hebben geleid tot het ongeval. Hij heeft verklaard dat hij ten tijde van het ongeval mentaal afwezig was en dat hij de kruising met de rode verkeerslichten niet heeft opgemerkt. De verklaring van de man komt het hof niet onaannemelijk voor. De WAM-verzekeraar heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen die erop wijzen dat de man zich wel bewust was van zijn handelen toen hij het kruispunt naderde. De omstandigheid dat de man bij het naderen van het kruispunt accelereerde geeft eerder steun aan zijn verklaring dat hij tijdelijk mentaal afwezig was. Voor iemand die zich bewust is van zijn handelen is het onlogisch om bij het naderen van een kruispunt te versnellen in plaats van te remmen of eenzelfde snelheid aan te houden. Hoezeer het de man ook kan worden verweten dat hij niet de vereiste oplettendheid heeft betracht tijdens het rijden, is dat niet voldoende voor roekeloosheid in de zin van artikel 7:952 BW. De – door de man betwiste – omstandigheid dat uit zijn medische informatie volgt dat hij sinds zijn jeugd een bril nodig heeft, leidt niet tot een ander oordeel. De man heeft toegelicht dat hij sinds zijn jeugd een pterygium heeft, waaraan hij in 2018 is geopereerd. Hij heeft nooit een bril gedragen. Na de operatie is hem in december 2019 geadviseerd om een bril te gaan dragen met een sterkte van +2 en -0,75. Uit die medische informatie volgt niet dat bij de man een dusdanige oogafwijking is vastgesteld, dat het rijden zonder bril ten tijde van het ongeval als roekeloos kan worden aangemerkt. Ook de omstandigheid dat de man voor zijn rijgedrag strafrechtelijk is veroordeeld leidt niet tot een ander oordeel. Het strafvonnis gaat ervan uit dat de man zich schuldig heeft gemaakt aan (ernstig) verwijtbaar verkeersgedrag. Het strafvonnis bevat echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat hij zich bewust was van zijn handelen. Het beroep van de WAM-verzekeraar op artikel 15 lid 1 WAM faalt dus.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 21-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0191

Eindvonnis. Whiplash. De rechtbank blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in haar eerdere tussenvonnissen. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat de vervoersorganisatie onrechtmatig heeft gehandeld omdat de buschauffeur onvoldoende afstand van de eisende partij heeft gehouden. Hierdoor was de buschauffeur niet in staat de bus tijdig tot stilstand te brengen op het moment dat de eisende partij afremde. In datzelfde vonnis is ook overwogen dat een schuldverdeling bij helfte gerechtvaardigd is. In een ander tussenvonnis is overwogen dat een beslissing op het beroep van de vervoersorganisatie omtrent schending van de schadebeperkingsplicht zal worden aangehouden totdat bij eindvonnis zal worden beslist. De vervoersorganisatie heeft in dat kader aangevoerd dat de eisende partij onvoldoende behandelingen heeft ondergaan. De eisende partij stelt dat hij er alles aan heeft gedaan om zijn klachten te beperken en betwist dat sprake is van een schending van de schadebeperkingsplicht. Naar het oordeel van de rechtbank leidt het gestelde niet tot een vermindering van de vergoedingsplicht en slaagt het verweer van de vervoersorganisatie dus niet. Voor whiplashgerelateerde klachten bestaat geen vaststaand of uniform behandeltraject, zoals dat bij een duidelijk objectiveerbare aandoening zoals bijvoorbeeld een botbreuk, wel het geval is. De behandeling wordt doorgaans afgestemd op het individuele klachtenpatroon en het beloop van de klachten. De eisende partij is vrij in de keuze van zijn therapeuten en heeft door de jaren heen diverse (para)medische behandelingen ondergaan, waaronder bij de fysiotherapeut, acupuncturist en chiropractor. Het enkele feit dat de eisende partij enkele jaren niet onder behandeling is geweest, lijdt er niet toe dat hij zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden. De rechtbank zal dus voor recht verklaren dat de vervoersorganisatie aansprakelijk is voor de schade, met dien verstande dat de vervoersorganisatie voor 50% aansprakelijk is. De rechtbank gaat dan de verschillende schadeposten langs. Omtrent de hoogte van het smartengeld slaat de rechtbank acht op de ANWB Smartengeldgids en de Rotterdamse schaal in samenhang met de Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld. Een bedrag van € 12.500 (na correctie) zou redelijk zijn, maar in dit geval ziet de rechtbank aanleiding om dit bedrag te verhogen tot € 20.000. De vervoersorganisatie heeft pas na ruim 19 maanden aansprakelijkheid erkend en heeft lange tijd het bestaan van de dashboardcamerabeelden ontkend. Deze beelden waren voor de beslechting van de discussie over de toedracht zeer relevant. Voor het achterhouden van deze beelden heeft de vervoersorganisatie geen deugdelijke reden gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze opstelling van de vervoersorganisatie geleid tot een vertraging in de afhandeling van de schade van de eisende partij. Ook is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest van redelijke bevoorschotting. Gelet op de inhoud van diverse tussenvonnissen had de vervoersorganisatie naar het oordeel van de rechtbank duidelijk moeten zijn dat het bedrag dat zij aan schade zal moeten vergoeden het door haar aan voorschotten uitgekeerde bedrag ruimschoots zou overschrijden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de wijze van behandeling van de vervoersorganisatie van dit dossier onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig is jegens de eisende partij. Op deze aanvullende schade wordt geen correctie wegens eigen schuld toegepast.
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 15-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0190

Kort geding. In 2024 is een man betrokken geraakt bij een verkeersongeval. De verzekeraar heeft aansprakelijkheid voor dit ongeval erkend en ongeveer € 14.000 aan voorschotten op schadevergoeding uitgekeerd. Volgens de man is zijn schade substantieel hoger dan deze voorschotten. Hij vordert daarom € 30.000 als aanvullend voorschot op de schadevergoeding. De verzekeraar betwist dit. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de man inderdaad een spoedeisend belang bij zijn vorderingen. Hij heeft voldoende onderbouwd dat hij, als hij geen aanvullend voorschot ontvangt, verder in de financiële problemen zal komen en daardoor mogelijk zijn huurwoning zal moeten verlaten en medische behandelingen zal moeten staken. Echter is in de procedure niet gebleken dat de schade die de man als gevolg van het ongeval lijdt de betaalde voorschotten substantieel overschrijdt. De voorzieningenrechter heeft onvoldoende informatie: er bestaat onzekerheid over het verdienvermogen van de man voorafgaand aan het ongeval en over zijn te verwachten verdienvermogen als het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden. Ook is niet voldoende aannemelijk dat zijn klachten uitsluitend zijn te herleiden tot het ongeval. Een belangenafweging maakt dit oordeel niet anders. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het eens zijn over nader medisch onderzoek. Van de verzekeraar mag verwacht worden dat zij hier een initiatief toe neemt en daar voortvarend werk van maakt, om te voorkomen dat de afwikkeling van de schade lang duurt en zoals thans het geval lijkt helemaal stil komt te liggen. De verzekeraar kan zich – anders dan zij doet – niet beroepen op het ontbreken van onafhankelijk deskundigenonderzoek omdat het vanwege de door haar erkende aansprakelijkheid ook aan haar is om dat de faciliteren. Hoewel zij heeft aangevoerd dat zij nog medische informatie mist, lijkt dat op het eerste gezicht slechts in beperkte mate het geval te zijn. En voor zover zij meent onvoldoende informatie van de man te hebben, is het aan haar om hem daar duidelijk om te verzoeken. Het is niet gebleken dat zij dat heeft gedaan. Tegelijkertijd is niet gebleken dat de verzekeraar de man volledig heeft geïnformeerd over de door haar ingewonnen medische adviezen. Uit het dossier blijkt dat de manier waarop de man en zijn medisch adviseur zich in deze zaak opstellen constructief is en dat hij zich inspant om de verzekeraar in voldoende mate te informeren. Aldus bezien meent de voorzieningenrechter dat de lange duur van de afwikkeling van deze letselschadezaak en de gevolgen die dat voor de man heeft, in overwegende mate ook te wijten zijn aan de verzekeraar. Dit leidt ertoe dat de man ondanks de afwijzing van de vordering de proceskosten van de verzekeraar niet hoeft te betalen, maar partijen hun eigen kosten dragen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Lelystad), 23-03-2026

Rechtspraak

PS 2026-0189

De rechtbank blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis. In dat tussenvonnis is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de eisende partij omver is gelopen door de hond van de wederpartij en niet door haar eigen hond. Op grond van artikel 6:179 jo. 6:180 BW is de wederpartij aansprakelijk voor de schade die zij als gevolg daarvan lijdt. In verband met een geslaagd beroep van de wederpartij op eigen schuld van de eisende partij heeft de rechtbank verder overwogen dat de wederpartij gehouden is 60% van de ten gevolge van het incident door de vrouw geleden schade te vergoeden. De eisende partij heeft een akte genomen en aanvullende producties overgelegd. Bij deze akte heeft zij ook haar eis gewijzigd. Zij vordert nu aan schadevergoeding een bedrag van € 97.582 + PM. De rechtbank acht de eiswijziging toelaatbaar. Zolang nog geen eindvonnis is gewezen, kan de eisende partij in beginsel haar eis nog wijzigen, mits dat niet in strijd is met de goede procesorde. De wederpartij heeft voldoende gelegenheid gehad om tegen de nieuw gevorderde schadeposten verweer te voeren en heeft dat ook gedaan bij antwoordakte. De wijziging van eis is dan ook niet in strijd met de goede procesorde. De rechtbank beoordeelt in dit tussenvonnis verschillende schadeposten, maar neemt geen eindbeslissing. De rechtbank heeft namelijk behoefte aan nadere opheldering, onder andere over het verlies aan verdienvermogen en het overlegde huisartsenjournaal. De rechtbank begroot al wel de schadeposten omtrent de huishoudelijke hulp en de medische kosten. De vrouw heeft ook € 30.000 aan economische kwetsbaarheid gevorderd. Dit wijst de rechtbank af. Onvoldoende is vast komen te staan dat een knieprothese ten gevolge van het door het incident opgelopen beenletsel medisch noodzakelijk zal zijn, hoe groot de kans hierop is en evenmin op welke termijn die noodzaak zou bestaan. Daarmee heeft de vrouw onvoldoende gesteld om toe te komen aan een afweging van goede en kwade kansen als bedoeld in artikel 6:105 BW. Dat betekent niet alleen dat deze schadepost niet toewijsbaar is maar ook dat bij het begroten van overige schadeposten, zoals de immateriële schade, geen rekening ermee gehouden zal worden dat de vrouw in de toekomst mogelijkerwijs nog een knieprothese nodig zal hebben zoals zij stelt. Gelet hierop wordt bij de gevorderde immateriële schade dan ook geen aansluiting gezocht bij categorie II a ‘zeer ernstig knieletsel’ van de Rotterdamse schaal waarnaar de vrouw verwijst, maar sluit de rechtbank aan bij de categorie ‘minder ernstig beenletsel’.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 08-04-2026