Een man heeft in 2019 een ongeval veroorzaakt als bestuurder van een huurauto. De fietser die hij heeft aangereden heeft daarbij ernstig letsel opgelopen. De WAM-verzekeraar heeft de schade van de fietser vergoed en stelt zich nu op het standpunt dat het gedrag van de bestuurder dat leidde tot het ongeval als roekeloos in de zin van de polisvoorwaarden en artikel 7:952 BW heeft te gelden. Volgens de WAM-verzekeraar kan zij op grond van artikel 15 lid 1 WAM de schadevergoeding die zij aan het slachtoffer heeft betaald verhalen op de bestuurder. De rechtbank heeft de daarop gerichte vorderingen van de WAM-verzekeraar afgewezen. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis. Om aan te nemen dat het verkeersgedrag van de bestuurder roekeloos is geweest is vereist dat hij zich, in elk geval in zeker mate, bewust was van zijn handelen. Voldoende is dat de man zich van de aanmerkelijke kans op schade bewust had behoren te zijn. Uit de omstandigheden valt af te leiden dat de man ernstige verkeersfouten heeft gemaakt, die hem ook kunnen worden verweten. Deze fouten maken echter niet dat hij roekeloos heeft gehandeld. De man betwist dat hij zich bewust was van de gedragingen die hebben geleid tot het ongeval. Hij heeft verklaard dat hij ten tijde van het ongeval mentaal afwezig was en dat hij de kruising met de rode verkeerslichten niet heeft opgemerkt. De verklaring van de man komt het hof niet onaannemelijk voor. De WAM-verzekeraar heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen die erop wijzen dat de man zich wel bewust was van zijn handelen toen hij het kruispunt naderde. De omstandigheid dat de man bij het naderen van het kruispunt accelereerde geeft eerder steun aan zijn verklaring dat hij tijdelijk mentaal afwezig was. Voor iemand die zich bewust is van zijn handelen is het onlogisch om bij het naderen van een kruispunt te versnellen in plaats van te remmen of eenzelfde snelheid aan te houden. Hoezeer het de man ook kan worden verweten dat hij niet de vereiste oplettendheid heeft betracht tijdens het rijden, is dat niet voldoende voor roekeloosheid in de zin van artikel 7:952 BW. De – door de man betwiste – omstandigheid dat uit zijn medische informatie volgt dat hij sinds zijn jeugd een bril nodig heeft, leidt niet tot een ander oordeel. De man heeft toegelicht dat hij sinds zijn jeugd een pterygium heeft, waaraan hij in 2018 is geopereerd. Hij heeft nooit een bril gedragen. Na de operatie is hem in december 2019 geadviseerd om een bril te gaan dragen met een sterkte van +2 en -0,75. Uit die medische informatie volgt niet dat bij de man een dusdanige oogafwijking is vastgesteld, dat het rijden zonder bril ten tijde van het ongeval als roekeloos kan worden aangemerkt. Ook de omstandigheid dat de man voor zijn rijgedrag strafrechtelijk is veroordeeld leidt niet tot een ander oordeel. Het strafvonnis gaat ervan uit dat de man zich schuldig heeft gemaakt aan (ernstig) verwijtbaar verkeersgedrag. Het strafvonnis bevat echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat hij zich bewust was van zijn handelen. Het beroep van de WAM-verzekeraar op artikel 15 lid 1 WAM faalt dus.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 21-04-2026