Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0141

Conclusie advocaat-generaal Hofstee. Het middel dat klaagt dat niet aan het mededelingsvereiste van artikel 6:95 lid 2 BW is voldaan slaagt volgens de advocaat-generaal. Het hof heeft in de voorliggende zaak niet vastgesteld dat de benadeelde partij zijn wens omtrent de vordering tot ‘vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade’ (immateriële schade) eerder kenbaar heeft gemaakt. Slachtoffer heeft voorafgaand aan overlijden enkele weken in coma gelegen als gevolg van het bewezen verklaarde feit. De advocaat-generaal meent op grond van de wettekst en de wetsgeschiedenis dat dit wetstechnische probleem niet zonder meer kan worden ondervangen doordat een advocaat – kennelijk op verzoek van de nabestaanden, maar dit blijkt niet uit de overwegingen van het hof – nog tijdens het leven van de benadeelde partij de verdachte en zijn medeverdachte aansprakelijk heeft gesteld voor de door hem geleden schade, waaronder kennelijk ook de immateriële schade. De advocaat-generaal heeft hierbij in aanmerking genomen dat de wetgever nog betrekkelijk recentelijk op dit terrein heeft benadrukt dat gelet op het persoonlijke karakter van smartengeld het aangewezen is dat de benadeelde zelf beslist of hij hierop aanspraak wenst te maken, dat deze keuze niet zonder meer aan zijn nabestaanden toekomt en dat ten aanzien van vertegenwoordiging van de benadeelde in dit verband een grote mate van terughoudendheid moet worden betracht.
Parket bij de Hoge Raad, 18-02-2025

Rechtspraak

PS 2025-0137

Een man heeft tijdens het paintballen verf uit een paintball in het rechteroog gekregen. Hij heeft het zicht in dat oog grotendeels verloren. Volgens de man is het paintballcentrum aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval omdat het door haar beschikbaar gestelde veiligheidsmasker niet voldeed. Hij vordert daarom dat voor recht wordt verklaard dat het paintballcentrum aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen. Volgens de rechtbank is de door hem gestelde toedracht van het ongeval niet vast komen te staan. In een tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat het, anders dan de rechtbank, ervan uitgaat dat de man wel een masker droeg toen hij door een paintball werd geraakt en dat balletje in zijn rechteroog kwam. Het scenario dat de man het maker niet droeg toen hij het balletje in het oog kreeg kan dus worden uitgesloten. Het hof heeft een deskundige benoemd om onderzoek te doen naar de vraag of het masker onder alle omstandigheden bescherming biedt tegen verf uit paintballen en of, en zo ja, onder welke omstandigheden, het mogelijk is dat als het masker correct gedragen wordt toch verf achter het masker en in het oog van de drager ervan terechtkomt. Het hof komt op basis van het onderzoek tot de conclusie dat de man een masker droeg dat niet voor hem geschikt was en dat het paintballcentrum zijn zorgplicht jegens hem heeft geschonden door hem met dit masker te laten paintballen, maar dat deskundigenonderzoek nodig is naar de vraag of het oogletsel van de man veroorzaakt is door de verf en/of resten van de paintball die achter het masker zijn terechtgekomen.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11-02-2025

Rechtspraak

PS 2025-0132

In 2019 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden tussen twee auto’s op de afrit van een snelweg waarbij de auto van de eisende partij van achteren is geraakt door de wederpartij. De partijen zijn het niet eens over de toedracht. Volgens de eisende partij vond het ongeval plaats omdat hij wat vaart minderde bij het uitvoegen en de wederpartij onvoldoende afstand hield. Volgens de wederpartij trapte de eisende partij uit het niets en zonder enige noodzaak hard op de rem en is hij daardoor tegen de auto aangereden. In 2023 heeft een deelgeschilprocedure plaatsgevonden waarbij de eisende partij een verklaring voor recht heeft gevraagd dat de verzekeraar van de wederpartij zijn schade moet vergoeden. Dit verzoek is afgewezen. De eisende partij vraagt nu om verlof om tussentijds in hoger beroep te gaan tegen deze uitspraak. Hij is van mening dat de deelgeschilrechter door het uitspreken van een mondelinge uitspraak onvoldoende de materie tot zich heeft kunnen nemen om een feitelijk en juridisch juist oordeel te kunnen vormen. In de dagvaarding heeft hij toegelicht dat naar zijn mening de deelgeschilrechter ofwel ten onrechte verklaringen van de verzekerde als vaststaand heeft beschouwd ofwel dat de deelgeschilrechter onjuiste conclusies trekt uit de diverse verklaringen. Verder voert hij aan dat de uitspraak van de deelgeschilrechter over dat de deelgeschilprocedure ten onrechte is ingesteld maar wel geschikt is voor een deelgeschilprocedure innerlijk tegenstrijdig is en nadere toetsing rechtvaardigt. Het verlof wordt verleend.
Rechtbank Midden-Nederland, 11-12-2024