Hoger beroep vrijwaring. Dodelijk ongeval tussen auto en trein op onbewaakte spoorwegovergang. Arriva vordert schadevergoeding van de WAM-verzekeraar van de auto. De rechtbank heeft de vordering van Arriva in de hoofdzaak toegewezen en in de vrijwaringszaak de vorderingen van de WAM-verzekeraar afgewezen en die van ProRail toegewezen. De WAM-verzekeraar heeft in het vonnis in de hoofdzaak berust. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen van de WAM-verzekeraar in de vrijwaringszaak alsnog worden toegewezen en de vordering van ProRail alsnog wordt afgewezen. In de vrijwaringszaak zoekt de WAM-verzekeraar verhaal van haar schade op de wegbeheerder (gemeente) en de spoorwegbeheerder (Prorail). Deze schade bestaat uit (1) de schadevergoeding die de WAM-verzekeraar aan Arriva moet betalen en (2) de vergoeding die zij heeft uitgekeerd aan de nabestaanden van de automobilist die is omgekomen. Deze vorderingen hebben een verschillende juridische grondslag, De eerste vordering baseert de WAM-verzekeraar terecht op subrogatie. Door betaling van de vordering van Arriva op haar verzekerde subrogeert de WAM-verzekeraar in de rechten die haar verzekerde betreffende de door hem geleden schade jegens derden heeft (art. 7:962 lid 1 BW), niet ook in de rechten van de Arriva zelf. Indien naast de automobilist ook anderen – ProRail en/of de gemeente – hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van Arriva, heeft de verzekerde en (door subrogatie) diens WAM-verzekeraar op grond van artikel 6:10 BW een regresvordering op ProRail en/of de gemeente voor zover de WAM-verzekeraar een groter deel van de schade van Arriva heeft voldaan dan haar verzekerde aangaat tot ten hoogste het deel dat ProRail en/of de gemeente aangaat in hun verhouding tot de verzekerde. Het gaat er bij deze vordering van de WAM-verzekeraar dus om of ProRail en/of de gemeente ook hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens Arriva en, indien dat het geval is, welk gedeelte van de schuld jegens Arriva de verzekerde (en in diens plaats de WAM-verzekeraar), ProRail en/of de gemeente in hun onderlinge verhouding aangaat. Het feit dat Achmea is gesubrogeerd in de rechten van haar verzekerde staat bij deze vordering niet in de weg aan een beroep van Achmea op artikel 6:174 BW (in combinatie met art. 8:1661 lid 2 BW), inhoudende dat de (weg naar de) spoorwegovergang een gebrekkige opstal is. Op grond van artikel 6:197 lid 2 aanhef en onder a BW zijn de rechten uit artikel 6:174 BW weliswaar niet vatbaar voor subrogatie, maar dat geldt bij een subrogatie op grond van artikel 7:962 BW niet voor zover de uitkering van de verzekeraar de aansprakelijkheid van de verzekerde betreft en een ander krachtens artikel 6:174 BW mede aansprakelijk was. Die situatie doet zich hier voor als (mede)aansprakelijkheid van ProRail en/of de gemeente moet worden aangenomen. Voor de tweede vordering van de WAM-verzekeraar ligt dat anders. Die vordering betreft het bedrag dat de WAM-verzekeraar aan de nabestaanden van de automobilist heeft uitgekeerd. Ook die vordering is gebaseerd op subrogatie. Achmea treedt daardoor in de rechten van de verzekerde. Omdat het hier om de eigen schade van de verzekerde gaat (en niet om de schade van een derde waarvoor hij (al dan niet hoofdelijk) aansprakelijk is), gaat het om de aansprakelijkheid van ProRail en/of de gemeente jegens de verzekerde. In die verhouding kan Achmea zich niet op artikel 6:174 BW beroepen, omdat de uitsluiting van subrogatie in die rechten in deze verhouding wel geldt. Het beroep van Achmea op artikel 8:1661 lid 2 BW maakt dat niet anders. In deze bepaling is vastgelegd dat de aansprakelijkheid van artikel 6:174 BW ten aanzien van spoorweginfrastructuur op de beheerder berust. De bepaling creëert dus geen eigen risicoaansprakelijkheid, waarop artikel 6:197 lid 2 BW niet van toepassing is, maar alloceert de bestaande risicoaansprakelijkheid van artikel 6:174 BW voor spoorweginfrastructuur bij de beheerder van spoorweginfrastructuur, bij ProRail dus. Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat deze specifieke spoorwegovergang en de weg ernaartoe gebrekkig zijn, maar ook dat er sprake is geweest van kenbaarheid van het gebrek aan zowel de spoorwegovergang als de weg ernaartoe. Zowel de spoorwegbeheerder als de wegbeheerder zijn naast de automobilist aansprakelijk voor het ontstaan van het ongeval. De onveilige situatie enerzijds en de onachtzaamheid van de automobilist anderzijds hebben naar het oordeel van het hof in gelijke mate bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Voor de onveilige situatie zijn ProRail en de gemeente volgens het hof in gelijke mate verantwoordelijk. Dat betekent een causale verdeling van 50% voor de automobilist (de WAM-verzekeraar ), 25% voor ProRail en 25% voor de gemeente . In de onderlinge verhouding tussen de ProRail en de gemeente is reden voor een aanpassing op grond van de billijkheidcorrectie. Naar het oordeel van het hof valt de gemeente een groter verwijt te maken dan ProRail. Het hof stelt de bijdrage van ProRail op 20% (in plaats van 25%) en van de gemeente op 30% (in plaats van 25%). Voor schadeposten waarvoor alleen de automobilist (de WAM-verzekeraar) en de gemeente hoofdelijk aansprakelijk zijn, geldt een bijdrageplicht van de automobilist (de WAM-verzekeraar) van 62,5% (50/80 * 100%) en van de gemeente van 37,5% (30/80 * 100%). In de verhouding tussen de automobilist ( de WAM-verzekeraar ) is dat 71,4% (50/70 * 100%) voor de automobilist (de WAM-verzekeraar) en 28,6% (20/70 * 100%) voor de gemeente. Het hof beoordeelt verschillende vorderingen. Het hof komt tot een wat ander oordeel dan de rechtbank doordat het hof, anders dan de rechtbank, ProRail en de gemeente medeaansprakelijk houdt voor het ontstaan van het ongeval en de daardoor ontstane schade. Het hof wijst de volgende bedragen toe: de vordering van de WAM-verzekeraar in verband met de schade van Arriva op ProRail tot € 20.539,79 en op de gemeente tot € 40.610,47, te vermeerderen met wettelijke rente. De vordering van de WAM-verzekeraar in verband met de uitkering aan de erven van de automobilist op ProRail tot € 2.044,31 en op de gemeente tot € 2.680,48, te vermeerderen met wettelijke rente, met dien verstande dat ProRail en de gemeente samen niet meer verschuldigd zijn dan € 3.593,78 met wettelijke rente. Tot slot wijst het hof de vordering van ProRail op de WAM-verzekeraar toe tot € 10.728,45, te vermeerderen met wettelijke rente.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 23-12-2025