Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0207

De man is in 2004, als fietser, gewond geraakt bij een ongeval dat is veroorzaakt door een bij de verzekeraar verzekerde bromfietser. In dit tussenarrest gaat het hof nader in op de schade ten titel van het verlies van verdienvermogen. In een eerder tussenarrest heeft het hof bepaald dat in de situatie zonder ongeval ervan moet worden uitgegaan dat de man vanaf 1 juli 2004 een inkomen zou hebben gehad gelijk aan 110% van het minimumloon. In de situatie zonder ongeval moet worden uitgegaan van het feitelijk inkomen van de man. Als over de peridode vanaf 1 juli 2012 sprake is van schade wegens verlies van verdienvermogen dan dient de man de helft van deze schade zelf te dragen wegens schending van zijn schadebeperkingsplicht aldus het hof in een eerder tussenarrest. Uit dit arrest blijkt dat de man meent dat in de berekening van de deskundige ten onrechte geen rekening is gehouden met mogelijke fiscale schade (‘vooral box 3 schade’), met pensioenschade en met schade vanwege een mogelijke terugvordering van een in het verleden toegekende uitkering op grond van de Participatiewet. Ook de verzekeraar heeft diverse bezwaren tegen het rapport van de deskundige. De bijstandsuitkering heeft volgens het hof, gelet op de genoemde vangnetfunctie van de Participatiewet, een aanvullend karakter. Dat betekent dat bij de begroting van de schade vanwege verlies verdienvermogen in beginsel geen rekening moet worden gehouden met een bijstandsuitkering. Maar hier geldt dat een principieel uitgangspunt in de praktijk tot praktische problemen kan leiden. Als de benadeelde bij de afwikkeling van de schade al enige tijd een bijstandsuitkering heeft ontvangen en daarmee bij de afwikkeling geen rekening wordt gehouden is het mogelijk dat de gemeente geen (of niet volledig) gebruik maakt van haar terugvorderingsbevoegdheid. In dat geval ontvangt de benadeelde over de periode waarover hij een bijstandsuitkering heeft ontvangen meer schadevergoeding dan hij feitelijk aan schade heeft geleden. Het hof bepaalt dat als rekening moet worden gehouden met de bijstandsuitkering, de volledige (gezins)bijstandsuitkering aan de man moet worden toegerekend. Hoewel een belangrijk uitgangspunt bij de begroting van letselschade is dat de schade van het individuele slachtoffer moet worden begroot, los van zijn gezinssituatie, ziet het hof daarbij onvoldoende reden om bij de begroting van de feitelijke situatie te abstraheren van deze realiteit. Het hof kiest ervoor om (alleen) voor de periode van de bijstandsuitkering de zaak te verwijzen naar de schadestaat. Het hof stelt het begin van die periode op 1 juli 2012 en het einde op 1 oktober 2026, waarbij het ervan uitgaat dat de man per die datum aanspraak heeft op betaling van een zodanig bedrag aan schadevergoeding vanwege verlies arbeidsvermogen dat zijn aanspraken op bijstand komen te vervallen. De gemeente kan vervolgens over het verleden de balans opmaken en bepalen of en in hoeverre zij de betaalde uitkering wil terugvorderen. Indien dat het geval is, kan de man alsnog aanspraak maken op betaling door de verzekeraar van het terug te vorderen bedrag. Het hof gaat er daarbij van uit dat de gemeente er bij de terugvordering rekening mee houdt dat de man ook over de periode van de bijstandsverlening slechts aanspraak heeft op de helft van zijn schade (bestaande uit het verschil tussen een inkomen op basis van 110% van het minimumloon, te vermeerderen met de daarnaast te ontvangen toeslagen en de daadwerkelijk ontvangen toelagen). Naar het oordeel van het hof moet bij de begroting van de schade vanaf 1 oktober 2026 wel rekening worden gehouden met de gevolgen van het volledig wegvallen van inkomen uit arbeid en de daartegenover staande ontvangst van een schadevergoedingsuitkering op de aanspraken op toeslagen. Nu de deskundige ten aanzien van een eventuele heffing in box 3 heeft aangegeven dat deze wordt verrekend met de vrijgevallen heffingskortingen gaat het hof ervan uit dat er geen sprake is van belastingschade vanwege box 3-heffing over de te ontvangen schadevergoedingsuitkering. Tot slot oordeelt het hof dat de vordering omtrent de buitengerechtelijke kosten de dubbele redelijkheidstoets niet kan doorstaan. Het hof schat de kosten op € 20.000. De man dient nog een akte in het geding te brengen, waarna de verzekeraar daarop mag reageren.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 21-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0206

Een werkneemster heeft in 2018 op het toilet een plafondplaat met een lamparmatuur op haar hoofd en nek gekregen. Zij stelt dat zij daar nog steeds klachten en beperkingen door ervaart. Haar werkgever heeft erkend dat zij aansprakelijk is voor de schade van de vrouw die het gevolg is van het bedrijfsongeval. Partijen hebben discussie over de klachten die de vrouw heeft en in hoeverre die het gevolg zijn van het ongeval. De vrouw vraagt de kantonrechter om een voorlopig deskundigenonderzoek te bevelen, om duidelijkheid te krijgen over de vraag welke schade er is en of die het gevolg is van het ongeval. De werkgever heeft hier geen bezwaar tegen. De partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vragen welke deskundigen moeten worden benoemd, welke vragen moeten worden gesteld en welke stukken de deskundigen moeten betrekken in het onderzoek. De kantonrechter benoemt een neuroloog als deskundige en bepaalt dat de oude IWMD-vraagstelling zal worden voorgelegd aan deze deskundige. Ook benoemt de kantonrechter alvast een neuropsycholoog tot deskundige. De werkgever heeft namelijk niet betwist dat de klachten van de vrouw zich deels bevinden op het gebied van een neuropsycholoog. Zij heeft ook niet aangevoerd dat het onaannemelijk is dat een neuropsychologisch onderzoek nodig is. Mocht achteraf toch blijken dat het onderzoek overbodig was, dan is dit hoogstens mogelijk een aanleiding om die kosten niet voor rekening van de werkgever te laten komen.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 10-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0204

Een vrouw is in 2022 bij haar huisarts geweest met klachten over haar linkeroog (pijn en roodheid). De huisarts heeft haar niet doorverwezen naar het ziekenhuis. De dag erna verergerde de situatie en heeft haar moeder meermaals contact opgenomen met de huisartsenpraktijk. Na raadpleging van een andere huisarts is de vrouw onmiddellijk verwezen naar een oogziekenhuis. Bij latere controle in dat ziekenhuis zijn vertroebelingen en littekenvorming aan het hoornvlies vastgesteld. Het zicht van het linkeroog van de vrouw is nog maar 15%. De vrouw heeft haar huisarts en diens verzekeraar aansprakelijk gesteld. De rechtbank overweegt dat de huisarts geen actieve navraag heeft gedaan naar de gemelde toegenomen pijnbeleving, niet gevraagd heeft naar eventuele andere alarmsymptomen en geen vervolgonderzoek heeft gedaan. Hiermee heeft de huisarts niet de zorg verleend die van een goed hulpverlener mag worden verlangd. Uit het feit dat het zicht in het linkeroog nog maar 15% is en dat in elk geval in de toekomst een of meerdere malen operatief moet worden ingegrepen blijkt in voldoende mate van door de vrouw geleden en nog te lijden concrete schade. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw niet in dezelfde mate oogletsel en/of andere schade zou hebben geleden indien de huisarts de moeder of vrouw zelf naar aanleiding van de meldingen van de moeder naar het bestaan van verdere mogelijke alarmsymptomen zou hebben uitgevraagd. Het beroep op eigen schuld gaat niet op. Het is onduidelijk of voldoende duidelijk is gemaakt dat de vrouw nog wel bij de huisarts in consult kon komen. Bovendien kan dit de vrouw niet worden toegerekend. De huisarts heeft haar immers niet op de noodzaak van een consult gewezen, maar haar, integendeel, te verstaan gegeven dat een bezoek aan het spreekuur waarschijnlijk toch niet veel zou opleveren en het advies gegeven het medicijn zijn werk te laten doen en te koelen met kompressen. De vordering tot schadevergoeding tegen de verzekeraar is toewijsbaar.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 01-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0203

Strafrecht. Zware mishandeling met voorbedachte raad (art. 303 Sr) en diefstal van twee horloges (art. 310 Sr). De verdachte heeft het slachtoffer zo hard geslagen dat dit heeft geleid tot blijvende hersenschade. Het slachtoffer zal nooit meer een normaal leven kunnen leiden. Hij is de rest van zijn leven verlamd aan de rechterzijde van zijn lichaam. Daarnaast is hij blind geworden aan een oog. Hij is levenslang afhankelijk van intensieve verzorging en begeleiding. Het slachtoffer heeft zich als benadeelde partij gevoegd. Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde zeer ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten blijvend, ernstig hersenletsel, een halfzijdige verlamming, blindheid aan één oog, ernstige cognitieve stoornissen (geheugen, taal, gedrag, informatieverwerking), verminderde alertheid en extreme vermoeidheid en incontinentie. De benadeelde partij is door deze letsels volledig afhankelijk van een rolstoel en 24 uurszorg. Tevens heeft de benadeelde partij last van nierfalen, longproblemen en hartritmestoornissen. Verder staat de benadeelde partij onder controle bij de oogarts en is sprake van veelvuldige ziekenhuisopnames en/of -bezoeken. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid en mede gelet op de bedragen die in de zogeheten Rotterdamse schaal worden genoemd bij de hiervoor genoemde letsels – voor toewijzing tot een bedrag van € 350.000. Ook de vader, moeder en broer van het slachtoffer hebben zich gevoegd als benadeelde partij. De vader heeft zijn zoon aangetroffen in comateuze toestand en heeft hierdoor PTSS ontwikkeld. Hoewel sprake is van samenloop van shock- en affectieschade dient die samenloop in casu niet te leiden tot matiging van het gevorderde. De vader krijgt een bedrag van € 42.500. De moeder, die haar zoon op de spoedeisende hulp heeft gezien, en ook PTSS heeft ontwikkeld, krijgt € 32.500. De broer van het slachtoffer, die hem ook in het ziekenhuis heeft gezien, krijgt € 15.000 aan vergoeding wegens shockschade. Zijn beroep op de hardheidsclausule omtrent affectieschade slaagt niet.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 10-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0202

Strafrecht. De verdachte wordt veroordeeld voor doodslag op zijn moeder en het wegmaken van haar onderbenen door deze af te zagen. Verschillende personen hebben zich gevoegd als benadeelde partij. Sommigen hebben shockschade gevorderd. De rechtbank stelt vast dat alle benadeelde partijen psychische klachten hebben, waarvoor een behandeling aangewezen is. Op grond van de door de benadeelde partijen overgelegde stukken kan echter niet worden vastgesteld wat de precieze ernst en het beloop van het geestelijk letsel is. Zo is onduidelijk hoelang de behandelingen zullen duren en wat de verwachte prognose is met betrekking tot het (eventuele) herstel van het opgelopen geestelijk letsel. Los van de vraag of het geestelijk letsel het gevolg is geweest van een hevige emotionele schok zoals bedoeld in de wet, hebben benadeelde partijen op dit moment niet duidelijk gemaakt wat de grondslag van de hoogte van het schadebedrag is. Daarvoor is nader onderzoek vereist. Reeds om deze reden moeten de benadeelde partijen in hun vordering tot vergoeding van schokschade niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat dit strafproces zich niet leent voor dit nadere onderzoek. De benadeelde partijen kunnen dit deel van hun vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Een stiefkind van het overleden slachtoffer vordert affectieschade. De rechtbank merkt op dat de omstandigheden (de benadeelde partij leefde van zijn 16e tot zijn 24e in gezinsverband met het overleden slachtoffer) aantonen dat de benadeelde partij in een bijzondere relatie tot het slachtoffer stond, maar dat ze onvoldoende zijn om te concluderen dat sprake is van een zodanig nauwe persoonlijke relatie ex artikel 6:108 lid 4 sub g BW. Ook een vriend van het overleden slachtoffer doet een beroep op de hardheidsclausule. Dit slaagt ook niet.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 28-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0201

Strafrecht. Net als de rechtbank veroordeelt het hof verdachte voor doodslag op zijn 7 weken oude zoontje. Niet aannemelijk is geworden dat het zeer ernstige hersenletsel waaraan de baby is overleden een andere oorzaak kan hebben dan dat dit door verdachte aan hem is toegebracht. De moeder van het overleden slachtoffer heeft zich gevoegd als benadeelde partij. Zij vordert onder andere € 20.000 aan affectieschade en € 35.000 aan shockschade. Het hof stelt dat uit het dossier en de onderbouwing van de vordering volgt dat de vrouw direct is geconfronteerd met het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan. In 2020 werd zij namelijk gewekt door de verdachte die haar vertelde dat hun zoontje niet meer reageerde. Voordat de hulpdiensten arriveerden heeft de vrouw haar zoon op instructie van de meldkamer gereanimeerd en een hartmassage gegeven. De hulpdiensten namen de reanimatie van haar over. Zij heeft toen toegekeken. Later is in het ziekenhuis de behandeling gestaakt. Het jongetje lag op bij zijn moeder op de borst toen de slangetjes eruit gingen. Hij begon vreselijk te gieren, een geluid waar ze heel erg van is geschrokken. Toen kwam hij te overlijden. De vrouw heeft haar zoontje nog ongeveer 2 uur op haar borst gehouden. Later heeft zij haar zoontje ook nog gewassen in het mortuarium, waarbij zij heeft gezien dat zijn lichaam overal is opengesneden. Dit alles is voor de vrouw zeer ingrijpend geweest en heeft geleid tot geestelijk letsel, te weten PTSS, zoals blijkt uit de overgelegde verklaring van een psychiater. De benadeelde partij heeft flashbacks en herbelevingen. Ze ondergaat hiervoor traumabehandelingen. De psychiater verklaart dat psychotherapie hoogstwaarschijnlijk jaren nodig zal zijn. Naar het oordeel van het hof is op basis van het voorgaande sprake van grond voor toekenning van een schadevergoeding wegens shockschade. Dat de stukken van de psychiater dateren uit 2021 maakt dat niet anders. Het hof zal de vordering integraal toewijzen en ziet geen reden de vordering te matigen, zoals verzocht door de verdediging.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 24-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0199

Een man stelt dat hij van een keukentrap is geduwd door een vrouw toen hij snoeiwerkzaamheden in de tuin van de vrouw aan het uitvoeren was. De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist. Zij heeft toegelicht dat de man zonder haar toestemming snoeiwerkzaamheden in haar tuin uitvoerde en dat zij hem daarop heeft aangesproken en heeft verzocht te stoppen. Omdat hij niet stopte met snoeien, heeft zij de politie gebeld. Ook daarna ging de man door. Volgens de vrouw heeft zij de trap wel kort vastgepakt, maar niet op het moment dat de man opnieuw de trap opklom en ook niet op het moment dat hij zou zijn gevallen. De man heeft vervolgens zijn stellingen niet nader onderbouwd terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. Weliswaar zijn er door hem beelden in het geding gebracht, maar daarop is de vermeende duw (en val) juist niet te zien. Wel is te zien en te horen dat er een vervelende sfeer en discussie ontstond over de snoeiwerkzaamheden, zoals de vrouw ook beschrijft. De man heeft dus niet voldaan aan zijn stelplicht, waardoor niet kan worden vastgesteld dat sprake is van onrechtmatig handelen door de vrouw. Daar komt bij dat de man ook zijn gestelde schade en het causaal verband onvoldoende heeft onderbouwd. De man stelt dat hij een handfractuur heeft opgelopen en € 385 aan eigen risico moest betalen, maar uit de stukken blijkt niet dat sprake is van een handfractuur. Uit het verslag van het ziekenhuis blijkt juist dat is vastgesteld dat er géén sprake van een handfractuur was. Een betalingsbewijs van het eigen risico ontbreekt bovendien ook. Het gestelde loonverlies van € 2.060 is ook niet onderbouwd. Uit de overgelegde stukken volgt niet dat de man op het moment van het voorval nog werkzaam was, integendeel: de plaatsingsbevestiging van het uitzendbureau heeft een einddatum van 15 juni 2025, terwijl het voorval op 16 juni 2025 heeft plaatsgevonden. Ook ten aanzien van de gestelde schade aan de broek is niet aangetoond dat deze als gevolg van de val is beschadigd. Op de videobeelden is geen kapotte broek zichtbaar. Verder is de gestelde immateriële schade van € 2.500 op geen enkele wijze onderbouwd.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 08-04-2026