Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0251

Er is sprake geweest van een bedrijfsongeval op een bouwplaats. Een betonvlechter is op de bouwlocatie door een gat in een gevelsteiger ongeveer zes meter naar beneden gevallen, waarbij hij letsel heeft opgelopen aan zijn sleutelbeen, ribben en nekwervels. Partijen (de verzekeraar van de aannemer respectievelijk de onderaannemer die het slachtoffer had ingehuurd) strijden over de vraag wie tot op welke hoogte verantwoordelijk is voor de veiligheid van de bouwplaats. Het slachtoffer heeft zijn vordering tot schadevergoeding overgedragen aan de verzekeraar van de hoofdaannemer. De verzekeraar heeft de onderaannemer aansprakelijk gesteld. De onderaannemer heeft als verweer gevoerd dat de hoofdaannemer hoofdverantwoordelijk was voor de veiligheid op de bouwplaats. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter. De hoofdaannemer is tekortgeschoten in zijn zorgplicht die hij heeft op grond van artikel 7:658 lid 4 BW. De hoofaannemer heeft nagelaten aan te tonen dat de door de kantonrechter verlangde maatregelen niet van hem konden worden gevergd. Ook komt het hof tot de conclusie dat ook de onderaannemer jegens de betonvlechter aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 lid 4 BW. De hoofd- en onderaannemer zijn beiden op grond van artikel 7:658 BW gehouden de schade te vergoeden. Zij zijn daartoe hoofdelijk verbonden (art. 6:102 lid 1 BW). Voor de bepaling van hetgeen zij krachtens artikel 6:10 BW in hun onderlinge verhouding tegenover elkaar moeten bijdragen, moet op de voet van artikel 6:102 lid 1 BW de schade over hen worden verdeeld met overeenkomstige toepassing van artikel 6:101 BW. Uitgangspunt daarbij is dat de schade wordt verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Ook het hof acht een verdeling van de schade over de hoofd- en onderaannemer van 90-10% gepast. Voor een billijkheidscorrectie ziet het hof geen grond.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 29-04-2025