Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0269

Deelgeschil. In 2022 is een scooterrijder betrokken geweest bij een verkeersongeval. De WAM-verzekeraar van de auto heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. Uit onder andere een MRI- en CT-scan van het rechterbeen van de scooterrijder blijkt dat hij een gescheurde voorste kruisband en een gescheurde buiten- en binnenmeniscus had. In 2023 ontstond er een discussie tussen partijen over de vraag of de scooterrijder blijvende beperkingen heeft als gevolg van het ongeval en of die beperkingen door het ongeval zijn veroorzaakt. De scooterrijder heeft een deelgeschil aanhangig gemaakt om een aanvullend voorschot op de persoonlijke schade en een aanvullend voorschot op de buitengerechtelijke kosten te verkrijgen. De rechtbank oordeelt dat ondanks vele gemaakte afspraken over het verstrekken van aanvullende medische stukken, die noodzakelijk zijn om de (duur van de) beperkingen en het causaal verband tussen de beperkingen en het ongeval te kunnen beoordelen, het medisch dossier tot op heden verre van compleet is. Op basis van de op dit moment in het geding gebrachte stukken – waaruit overigens blijkt van mogelijke pre-existente knieproblematiek – kan niet worden vastgesteld dat aanspraak bestaat op een schadevergoeding die het reeds betaalde voorschot op de schade (€ 42.500) significant overstijgt. De rechtbank merkt ook op dat enkel geldnood onvoldoende is om in een deelgeschil een voorschot toe te kennen. Niet alle door de advocaat van de scooterrijder opgevoerde buitengerechtelijke kosten kunnen de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW doorstaan. Evenmin kan worden vastgesteld dat de in redelijkheid gemaakte kosten het reeds door de WAM-verzekeraar betaalde voorschot (significant) overstijgen. Het nadere voorschot op de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 08-05-2025

Rechtspraak

PS 2025-0266

Strafrecht. Arbeidsongeval met een hoogwerker met dodelijke afloop. Artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet en artikel 307 Sr zijn overtreden. De moeder van het overleden slachtoffer krijgt € 20.000 aan affectieschade toegewezen. Het voornemen van de staatssecretaris om de bedragen te verhogen, heeft nog niet geleid tot wijziging van de wettelijke regeling ter zake. De rechtbank gaat dan ook uit van de bedragen zoals deze zijn opgenomen in het thans vigerende Besluit vergoeding affectieschade. Ook de halfbroer van het slachtoffer krijgt € 17.500 aan affectieschade toegewezen. Uit de overgelegde stukken en hetgeen op de zitting naar voren is gebracht, blijkt dat de levens van de halfbroers op meerdere terreinen verweven waren – zowel op het privéterrein (zij hebben altijd met elkaar samengewoond) als op werkterrein (zij bestierden tezamen een pas opgericht bedrijf). Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook voldoende onderbouwd dat sprake is van een zodanig nauwe persoonlijke relatie tussen de halfbroers dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de halfbroer als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 3 BW moet worden aangemerkt en dientengevolge voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komt. De moeder en de halfbroer krijgen ook beiden € 10.000 aan shockschade toegekend. Beiden hebben het letsel van het slachtoffer waargenomen en hebben hierdoor geestelijk letsel opgelopen.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 02-05-2025

Rechtspraak

PS 2025-0264

Een vrouw verzoekt dat de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor zal bevelen. Volgens haar zijn haar behandelend artsen en verpleegkundigen jegens haar toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de gesloten behandelovereenkomst, dan wel hebben zij onrechtmatig jegens haar gehandeld. Haar stelling baseert de vrouw met name op het feit dat de behandelend artsen lange tijd voor haar, haar familie en andere zorginstanties hebben verzwegen dat zij in 2022 uit bed is gevallen. Het is onduidelijk of zij een hersenbloeding had voorafgaand aan deze val, of dat de hersenbloeding het gevolg is van de val. Hierover wil de vrouw met een voorlopig getuigenverhoor meer duidelijkheid krijgen. Daarnaast heeft zij ook belang bij een verhoor naar het handelen van de behandelend artsen en verpleegkundigen in de periode voor en na de val uit het bed omdat zij vermoedt dat de tumor in 2018 niet volledig is verwijderd tijdens de operatie door artsen in het ziekenhuis. Als de tumor in 2018 op een juiste wijze en volledig zou zijn verwijderd en/of als de MRI-scans in de jaren erna op een juiste wijze zouden zijn beoordeeld, dan had volgens de vrouw zij mogelijk in 2022 niet geopereerd hoeven te worden en was zij na afloop ook niet uit bed gevallen. De rechtbank beoordeelt per verwijt of het verzoek ten aanzien van dat verwijt al dan niet toewijsbaar is. De rechtbank gelast een voorlopig getuigenverhoor ten aanzien van de vraag waarover partijen het ter zitting eens zijn geworden. Aangezien de praktijk uitwijst dat met het horen van meer dan vijf getuigen doorgaans geen redelijk doel wordt gediend, zal de rechtbank het aantal getuigen in eerste instantie beperken tot vijf. De vrouw mag zelf kiezen welke vijf getuigen dit zullen zijn.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 08-04-2025

Rechtspraak

PS 2025-0263

Een bestuurder heeft in 2019 een auto-ongeval veroorzaakt waarvoor hij aansprakelijk is. De WAM-verzekeraar heeft de benadeelde van het ongeval schadeloos gesteld. Bij de rechtbank ging het om de vraag of de WAM-verzekeraar op grond van zijn algemene voorwaarden het recht heeft dekking te weigeren en gerechtigd is het aan de benadeelde uitbetaalde bedrag van de bestuurder terug te vorderen, omdat de bestuurder ten tijde van het ongeval onder invloed was van alcohol. De kantonrechter was het eens met de WAM-verzekeraar. De algemene voorwaarden zijn geen oneerlijke bepalingen. Bij de alcoholclausule speelt opzet of roekeloosheid geen rol, zodat het standpunt van de bestuurder dat daar geen sprake van is niet van belang is. De bestuurder is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan. Het principale beroep van de bestuurder slaagt niet. De alcoholclausule is niet oneerlijk. Het hof ziet niet in dat en om welke reden de alcoholclausule het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk zou verstoren. Het had de bestuurder bij het sluiten van de overeenkomst dan ook redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hij niet verzekerd zou zijn indien hij een ongeval zou veroorzaken onder invloed van alcohol. Dat dekking ontbreekt in het geval te veel alcohol is gedronken is bovendien begrijpelijk omdat het een feit van algemene bekendheid is dat het rijden onder invloed van alcohol de kans op het veroorzaken van ongelukken aanzienlijk verhoogt. Het is daarom ook verboden. Omstandigheden op grond waarvan de WAM-verzekeraar de dekking onder de verzekering niet op deze manier zou mogen beperken zijn het hof niet gebleken. Het incidentele appel van de WAM-verzekeraar om de bestuurder alsnog te veroordelen tot betaling van de gehele schade en niet enkel tot het bedrag waar de WAM-verzekeraar in eerste aanleg haar vordering tot had beperkt slaagt, aangezien de bestuurder in zijn memorie in incidenteel appel enkel stellingen naar voren heeft gebracht die betrekking hebben op het principale appel.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 15-04-2025

Rechtspraak

PS 2025-0262

Geschil tussen een erfgename en het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis (AVL). De erfgename stelt onder andere dat het AVL is tekortgeschoten in de nakoming van de gesloten geneeskundige behandelingsovereenkomst met haar erflater en onrechtmatig jegens haar erflater heeft gehandeld door hem het geneesmiddel Enhertu te onthouden. De erflater leed aan niet-kleincellige longkanker. De erflater had zich aangemeld voor en werd toegelaten tot het onderzoek naar de werkzaamheid en effectiviteit van Enhertu voor eerstelijnsbehandeling, maar kwam na loting in de controlegroep terecht. Een verzoek aan het farmaceutisch bedrijf om Enhertu te krijgen als tweedelijnsmedicatie zodra de reguliere medicatie waarmee hij werd behandeld niet meer effectief zou zijn werd afgewezen. Bij een tweede verzoek heeft het farmaceutische bedrijf laten weten dat de behandelend arts van de erflater een aanvraag voor zogenoemde ‘compassionate use’ kon indienen. Dit heeft de behandelend arts gedaan, waarna het farmaceutisch bedrijf de aanvraag heeft afgewezen. Na een verslechtering van de gezondheid van de erflater is besproken met het AVL of Enhetu wellicht off label aan de erflater kon worden voorgeschreven. Het AVL heeft bij herhaling laten weten dat off-labelgebruik in zijn geval geen optie was. De erflater is daarom naar een Zwitsers ziekenhuis gegaan om daar behandeld te worden met Enhertu. Het AVL heeft opnieuw een verzoek afgewezen om Enhertu, voor off-labelgebruik, aan de erflater voor te schrijven zodat de erflater niet steeds naar Zwitserland moest afreizen. Het farmaceutisch bedrijf heeft toen toch op basis van compassionate use aan de erflater Enhertu ter beschikking gesteld, onder verantwoordelijkheid van zijn behandelend arts. Erflater is hiermee behandeld in Nederland en is in 2024 uiteindelijk overleden. De erfgename stelt dat het wel degelijk mogelijk was voor het AVL om Enhertu voor de behandeling van de erflater te verkrijgen en te verstrekken. In elk geval heeft het AVL volgens haar niet alles gedaan wat in haar macht lag om het farmaceutisch bedrijf ertoe te bewegen het geneesmiddel op basis van compassionate use (eerder) aan de erflater ter beschikking te (laten) stellen, zodat hij daarmee (eerder) in het AVL behandeld kon worden. Volgens de erfgename heeft tijdens de periode van delay de kanker zich razendsnel uitgebreid. Als de delay was uitgebleven en de erflater eerder in het AVL met Enhertu zou zijn behandeld, had hij eerder kunnen profiteren van het levensverlengende effect dat dit geneesmiddel op zijn vorm van kanker heeft en had hij langer en in betere staat van zijn gezin met jonge kinderen kunnen genieten. Het AVL voert tot haar verweer aan dat het voor haar en daarmee de behandelend arts destijds helemaal niet mogelijk was om de erflater met Enhertu te behandelen, omdat dit geneesmiddel in de sluis voor dure geneesmiddelen was geplaatst. De rechtbank komt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat het AVL jegens de erflater toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de met hem gesloten geneeskundige behandelingsovereenkomst dan wel anderszins onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Er is niet komen vast te staan dat het ziekenhuis het geneesmiddel Enhertu kon voorschrijven en daarom de erflater een behandeling ermee heeft onthouden, ook is niet komen vast te staan dat het ziekenhuis onvoldoende heeft gedaan om de fabrikant te bewegen het medicijn in het kader van compassionate use beschikbaar te stellen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 23-04-2025