Naar boven ↑
8.615 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0214

Deelgeschil. Bestuurder heeft op 13 juli 2019 een verkeersongeval gehad met zijn motor. Hij heeft daar ernstig letsel aan overgehouden. In deze deelgeschilprocedure verzoekt hij de rechtbank vast te stellen dat het Waarborgfonds, dan wel een in Ierland gevestigde verzekeraar aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval en zijn schade moet vergoeden. De rechtbank wijst het verzoek van de bestuurder af. De reden daarvoor is dat de rechtbank het verzoek in strijd acht met de goede procesorde. De bestuurder heeft namelijk al eerder een dagvaardingsprocedure gestart waarin de vordering gelijk is aan het verzoek in dit deelgeschil. Die zaak is op de parkeerrol geplaatst in afwachting van het houden van voorlopige getuigenverhoren. De rechtbank acht het verzoek in het deelgeschil in strijd met het doel van de deelgeschilprocedure omdat niet is gebleken dat de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Omdat er al een dagvaardingsprocedure is opgestart acht de rechtbank het niet waarschijnlijk dat de onderhandelingen tussen partijen zullen worden opgestart/voortgezet nadat de rechtbank in het deelgeschil een beslissing heeft genomen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een beslissing op het verzoek in dit deelgeschil de dagvaardingsprocedure onnodig doorkruist. Bij een beslissing van de rechtbank in dit deelgeschil over de aansprakelijkheidsvraag wordt partijen de mogelijkheid ontnomen om dit geschilpunt in de dagvaardingsprocedure aan de rechtbank voor te leggen. Dit terwijl gedaagde partijen in de dagvaardingsprocedure nog geen antwoord hebben genomen naar aanleiding van de dagvaarding. In tegenstelling tot wat de bestuurder stelt, worden gedaagde partijen in de dagvaardingszaak daardoor benadeeld in hun juridische positie. Daarbij komt dat het de rechtbank niet duidelijk is geworden welk belang de bestuurder heeft indien zijn verzoek enkel in een deelgeschil wordt behandeld en niet in de dagvaardingsprocedure.
Rechtbank Noord-Holland, 25-03-2025

Rechtspraak

PS 2025-0209

Verzoek voorlopig deskundigenbericht. Verzoek tot benoemen verzekeringsgeneeskundige afgewezen. Deskundigenbericht kan partijen onvoldoende opleveren gelet op de discussie over het causaal verband. In 2016 is een bestuurder van een auto van achteren aangereden. De WAM-verzekeraar van de auto die de bestuurder heeft aangereden heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. De bestuurder stelt dat hij pijnklachten aan zijn nek heeft en cognitieve problemen ervaart. De verzekeraar betwist het causaal verband tussen de gestelde klachten en het ongeval. De bestuurder verzoekt de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht te gelasten met benoeming van een verzekeringsgeneeskundige. Dit deskundigenonderzoek is volgens hem nodig om opheldering te krijgen over de actuele beperkingen en daarmee gepaard gaande belastbaarheid, zodat de mate van blijvende invaliditeit en de daarmee gepaard gaande schade kan worden bepaald. Er zijn al eerdere rapporten opgemaakt. De kantonrechter overweegt dat partijen het eens zijn dat op basis van die rapporten de causaliteitsvraag moet worden beantwoord, maar dat partijen lijnrecht tegenover elkaar staan voor wat betreft de interpretatie van die rapporten. De procedure tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht is niet de aangewezen procedure om te beoordelen wat uit de rapporten blijkt en om de discussie tussen partijen over het causaal verband te beslechten. Naar het oordeel van de rechtbank moet eerst die discussie worden beslecht voordat een verzekeringsarts kan worden benoemd. Indien immers het deskundigenbericht wordt gelast zonder dat voornoemde discussie is beslecht, dan zal dit leiden tot een rapport dat (mogelijk) uitgaat van te veel klachten en beperkingen veroorzaakt door het ongeval. Het deskundigenbericht biedt daarmee geen mogelijkheid tot het verkrijgen van zekerheid over de causaliteitsvraag en – in het verlengde daarvan – de omvang van de schade, zodat aan de hand daarvan onvoldoende inschatting kan worden gemaakt van de proceskansen. Dit onderzoek zal partijen dan ook onvoldoende opleveren. De kantonrechter wijst het verzoek af.
Rechtbank Gelderland, 19-03-2025

Rechtspraak

PS 2025-0205

Conclusie advocaat-generaal Hartlief. Verkeersongeval. Het geschil draait om de vraag of de gesubrogeerde zorgverzekeraar regres kan nemen voor hetzelfde vergoedingspercentage als het verkeersslachtoffer zelf met de aansprakelijkheidsverzekaar is overeengekomen. Het hof is, in navolging van de rechtbank, tot het oordeel gekomen dat de gesubrogeerde zorgverzekeraar aanspraak heeft op een vergoeding van (niet meer dan) 50% van haar schade. Het hof heeft tot uitgangspunt genomen dat voor de aanspraak van de gesubrogeerde zorgverzekeraar bepalend is tot welk vergoedingspercentage de causale verdeling en de ‘gewone’ billijkheidscorrectie leiden, waarbij de billijkheidscorrectie voor regresnemers tot een bijstelling van slechts beperkte omvang kan leiden ten opzichte van het vergoedingspercentage op basis van de causale verdeling. Het hof heeft een bijstelling naar 50% billijk geacht. De conclusie van de advocaat-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Volgens de advocaat-generaal vindt de opvatting van de gesubrogeerde verzekeraar dat het vergoedingspercentage waarop zij in dergelijke gevallen aanspraak kan maken, in beginsel gelijk is aan het vergoedingspercentage van het verkeersslachtoffer zelf geen steun in het recht, omdat de gesubrogeerde verzekeraar dan ofwel de toepassing van de 50%-regel miskent ofwel miskent dat in regresverhoudingen het resultaat van de causale verdeling op grond van de billijkheid doorgaans slechts in beperkte mate kan worden bijgesteld.
Parket bij de Hoge Raad, 28-03-2025