Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0289

Tussenvonnis in een medische aansprakelijkheidszaak. De erfgenamen van een erflater stellen dat het ziekenhuis aansprakelijk is voor een aanvankelijk onjuist gestelde diagnose bij de erflater, waardoor een behandelingsdelay van 38 maanden is ontstaan. Het ziekenhuis is het niet eens met die stelling. Partijen hebben een deskundigenonderzoek aangevraagd en de deskundige heeft een rapport opgesteld van zijn bevindingen. De rechtbank is het niet eens met het ziekenhuis dat er zwaarwegende en steekhoudende bezwaren zouden bestaan tegen het rapport van de deskundige. Het rapport moet daarom als uitgangspunt dienen bij de afhandeling van de schade. Uit het rapport blijkt dat de hulpverleners uit het ziekenhuis onzorgvuldig hebben gehandeld. Het is op dit moment alleen (nog) niet voldoende duidelijk hoe het verloop van de ziekte van de erflater, en de ontwikkeling van de tumor, zou zijn geweest als het ziekenhuis wel juist zou hebben gehandeld. Met name is het de vraag of de tumor in 2015 (bij de eerste controle) en daarna in 2016 (bij de tweede controle) al kwaadaardig was, of dat de tumor pas na de controle in 2016 kwaadaardig is geworden. De rechtbank acht het voorshands bewezen dat de tumor in 2015 en 2016 bij de controles al kwaadaardig was. Het ziekenhuis wordt toegelaten om zich uit te laten over de kans dat de tumor in 2015 en 2016 nog niet kwaadaardig was en pas na de controles kwaadaardig is geworden. Als het ziekenhuis dat bewijs niet kan leveren, dan gaat de rechtbank ervan uit dat de tumor kwaadaardig was en dat het ziekenhuis geheel aansprakelijk is voor de schade die de erfgenamen hebben geleden.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 02-04-2025

Rechtspraak

PS 2025-0285

Incident tijdens opnames voor het online programma #BOOS. In 2017 had een groep studenten het programma #BOOS ingeschakeld voor een oplossing in hun conflict met de verhuurder vanwege gebreken aan het studentenhuis. De programmamaker/presentator van #BOOS, een producer/regisseur, een cameraman en vijf betrokken studenten zijn onaangekondigd naar het kantoor van de verhuurder gegaan. De groep had confettipoppers, luide muziek en een pot augurken meegenomen om de door de studenten gestelde overlast in het studentenhuis na te bootsen. De sfeer is op enig moment omgeslagen en is er een duw- en trekpartij ontstaan waarbij de verhuurder en zijn zoon betrokken waren. Na dit incident heeft de programmamaker/presentator diezelfde dag de spoedeisende hulp bezocht, waar een kaakbreuk is geconstateerd. De programmamaker/presentator heeft aangifte gedaan van zware mishandeling. De politierechter heeft de verhuurder schuldig bevonden aan het medeplegen van mishandeling van de cameraman en aan het medeplegen van mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg van de programmamaker/presentator. De programmamaker/presentator vordert nu dat de rechtbank voor recht verklaart dat de verhuurder en zijn zoon ieder voor zich op grond van artikel 6:162 BW en hoofdelijk op grond van artikel 6:166 BW aansprakelijk zijn voor zijn materiële en immateriële schade. De rechtbank oordeelt dat de mishandeling een onrechtmatige daad van de verhuurder en zijn zoon oplevert in de zin van artikel 6:162 BW. Dat de rol van de verhuurder door de politierechter minder zwaar is geacht en dat, zoals ook door de rechtbank thans is geoordeeld, de zoon heeft gezorgd voor escalatie doet niet af het onrechtmatig handelen van de verhuurder. Wie uiteindelijk de vuistslag heeft gegeven die heeft geleid tot de kaakbreuk is, gelet op artikel 6:166 BW, niet relevant. Er is geen sprake van eigen schuld aan de kant van de programmamaker/presentator. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de overgelegde stukken voldoende aannemelijk is geworden dat de programmamaker/presentator als gevolg van het incident behalve een kaakfractuur ook letsel aan zijn hoofd en/of nek heeft opgelopen, als gevolg waarvan hij klachten en beperkingen heeft ondervonden. Op grond van de thans ter beschikking staande (medische) stukken kan echter niet worden vastgesteld hoe lang die klachten hebben aangehouden en evenmin of, en zo ja in welke mate, die klachten na drie tot vier maanden nog tot beperkingen hebben geleid. Ook kan daaruit niet worden afgeleid of, en zo ja welke klachten en beperkingen hij op dit moment nog heeft en evenmin of die klachten en beperkingen (nog steeds) het gevolg zijn van (in causaal verband staan met) het incident in 2017. Dat geldt ook voor de gestelde psychische klachten. De rechtbank acht daarom nader onderzoek door een of meer deskundigen noodzakelijk. De rechtbank is voornemens aan hen de IWMD-vraagstelling voor te leggen. Voordat tot het gelasten van een deskundigenbericht wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, alsmede over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.
Rechtbank Gelderland, 13-07-2022

Rechtspraak

PS 2025-0282

In 2011 heeft een chirurg een operatie uitgevoerd aan de rechterhand van een vrouw. Partijen twisten over de vraag of er sprake was van een triggerfinger of dwangstand van de ringvinger. Er is behandeld met een immobiliserende spalktherapie, volgens de chirurg de aangeboden nazorg bij een dwangstand van de ringvinger. Volgens de vrouw heeft de spalktherapie ervoor gezorgd dat de ringvinger en twee naastgelegen vingers rond het operatiegebied zijn komen vast te zitten. De vrouw lijdt hierdoor (onnodig) functieverlies van de vingers en heeft veel pijn. De vrouw vordert dat het Gemeenschappelijk Hof de chirurg veroordeelt tot betaling van een immateriële en materiële schadevergoeding. Het Gerecht heeft, na meerdere tussenvonnissen en een uitgebracht deskundigenbericht, geoordeeld dat de door de chirurg voorgeschreven nabehandeling niet aan de eisen voldeed. Het Gemeenschappelijk Hof overweegt dat het precieze feitelijke verloop van de nabehandeling vast moet komen te staan voordat beoordeeld kan worden of de nabehandeling is gedaan op een wijze die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam arts in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Het rapport van de deskundige geeft op dit onderdeel onvoldoende inzicht en het verloop van de nabehandeling is betwist tussen partijen. Van belang is dat nu door een deskundige allereerst een nauwkeurig chronologisch overzicht (van dag tot dag) wordt gemaakt van de nabehandeling vanaf het moment van de operatie in 2011. Beantwoording van alle vragen kan het beste plaatsvinden in een deskundigenbericht. Het Gemeenschappelijk Hof is voornemens te bepalen dat de chirurg het door de deskundige te vragen voorschot moet betalen. Weliswaar rust op de vrouw de bewijslast van de gestelde beroepsfout, maar de chirurg heeft onvoldoende zorgvuldig daarop gereageerd (hoewel het in zijn mogelijkheden lag wel, eenduidig, de juiste informatie te verschaffen) door telkens wisselende standpunten in te nemen over de tijdlijn en de precieze inhoud van de door hem voorgeschreven nabehandeling en (kennelijk) daarover geen nauwkeurige aantekeningen bij te houden. De uiteindelijke uitkomst van de procedure zal bepalen welke partij de kosten definitief dient te dragen. Partijen zullen zich bij akte kunnen uitlaten over de persoon van de te benoemen deskundige, de aan deze te stellen vragen en wat zij overigens nog van belang achten in verband met die benoeming. In afwachting van de uitlating van partijen wordt iedere verdere beslissing aangehouden.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 06-05-2025