Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0300

Deelgeschil. Tijdens het maken van een buitenrit is de vrouw van haar paard gevallen. De hond van de man is blaffend naar het paard toegerend waardoor deze op hol is geslagen. De vrouw heeft door de val een ruggenwervel gebroken en een zware hersenschudding opgelopen. De verzekeraar van de man erkent de aansprakelijkheid maar stelt dat er sprake is van 50% eigen schuld. De verzekeraar stelt niet geheel aansprakelijk te zijn omdat het paard niet is gaan rennen door de hond maar door kuddegedrag, er was namelijk nog een paard aanwezig dat is gaan rennen door de hond. De rechtbank gaat hier niet in mee en ziet het hele gebeuren als een aaneenschakeling van gebeurtenissen waarbij de hond af en aan om beide paarden heen is blijven rennen en hen met zijn geren en geblaf heeft opgejaagd. Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag of er aan de kant van de vrouw omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat de schadevergoedingsverplichting vermindert. Die zijn er, maar wel beperkt. De kans dat een paard, waardoor dan ook, schrikt, onverwachte bewegingen maakt of onverwacht gedrag vertoont, zoals hier is gebeurd, is eigen aan het berijden van een paard met een eigen, onberekenbare energie. Dit ligt in de risicosfeer van de ruiter. Een tweede omstandigheid die kan worden toegerekend aan de vrouw is dat zij te paard in/langs een hondenlosloopgebied reed. De rechtbank ziet niet wat de vrouw anders had kunnen of behoren te doen. Zij heeft het paard steeds naar de hond toegedraaid zodat het paard kon zien waar het geluid (gevaar) vandaan kwam om zo het paard te kalmeren. De rechtbank is van oordeel dat verdere omstandigheden die hebben bijgedragen aan de schade aan de kant van de man liggen. De rechtbank komt tot een causale verdeling van 80/20% ten nadele van de man. Door de aard en de ernst van het letsel samen met het feit dat de man voor aansprakelijkheid verzekerd is, ziet de rechtbank aanleiding om na het toepassen van de billijkheidscorrectie uit te gaan van een verdeling van 90/10%. Het percentage eigen schuld wordt niet toegepast op de kosten van het deelgeschil omdat de inzet van het deelgeschil is geweest om duidelijkheid te krijgen of ‘eigen schuld’ überhaupt aan de orde is. Daarbij heeft de verzoekster gelijk gekregen in de stelling dat het door de verweerder gehanteerde percentage eigen schuld van 50% naar beneden moet worden bijgesteld.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 14-05-2025

Rechtspraak

PS 2025-0299

Deze zaak gaat over de vraag of een inlener aansprakelijk is voor de schade die een ingeleende kracht lijdt als gevolg van het arbeidsongeval dat hem op 21 juni 2017 overkwam. De kantonrechter stelt voorop dat de ingeleende kracht werkzaamheden moest verrichten in een risicovolle werkomgeving. Er werd gewerkt met hoge temperaturen om de stalen platen op maat te snijden en er werden hefmagneten gebruikt om zware gewichten te verplaatsen. Op de inlener rust in dat geval des te meer de verplichting om haar werknemers te voorzien van goede instructies, zodat zij weten hoe zij op een veilige manier dienen te werken, en toe te zien op naleving van die instructies. De inlener heeft aangevoerd dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan doordat zij beschikte over een RI&E, een Huishoudelijk Reglement dat aan de werknemer is uitgereikt, de werknemer beschikte over een VCA en de Veilig Hijsen-opleiding heeft gevolgd, de werkgever samenwerkte met zijn collega , die deze opleiding ook had gevolgd, en dat de werknemer deelnam aan toolboxmeetings van de vrouw. De kantonrechter oordeelt dat niet duidelijk is wat er tijdens de toolboxmeetings is besproken en of de werknemer hierbij aanwezig was. De RI&E behandelt volgens de kantonrechter alleen algemene onderwerpen en geen concrete veiligheidsmaatregelen. Daarbij zorgt het feit dat de ingeleende kracht beschikte over een VCA en een opleiding Veilig Hijsen er niet voor dat er geen toezicht meer moest worden gehouden op de werkwijze. Niet is gebleken dat voorafgaand aan het ongeval de werknemer is gewaarschuwd of er is geprobeerd de werknemer ervan te weerhouden dat hij de werkwijze ging toepassen door op de containers te gaan staan en de magneet te gebruiken die hij heeft gebruikt. Met inachtneming van het toetsingskader van artikel 7:658 BW en na afweging van de omstandigheden van het geval concludeert de kantonrechter dat de inlener meer maatregelen en instructies had moeten nemen en geven, en dus niet alles heeft gedaan wat van haar mocht worden verwacht. Door dit na te laten is de vrouw tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens de werknemer en aansprakelijk voor de schade die hij ten gevolge van het ongeval lijdt. De kantonrechter bepaalt dat de vrouw een voorschot op de schadevergoeding moet betalen. Voor wat betreft de hoogte van het smartengeld acht de kantonrechter het redelijk ook acht te slaan op de consultatieversie van de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Mede gelet daarop acht de kantonrechter een voorschot op de immateriële schadevergoeding van € 13.000 redelijk.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Bergen op Zoom), 22-05-2025

Rechtspraak

PS 2025-0297

Strafrecht. Verdachte wordt veroordeeld voor doodslag. De jongste zoon van het slachtoffer krijgt € 20.000 aan affectieschade toegekend. Dit zal worden gestort op een ten behoeve van de zoon te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule. De oudste zoon van het slachtoffer krijgt ook € 20.000 aan affectieschade toegekend. De gevorderde shockschade wordt afgewezen aangezien hij niet rechtstreeks geconfronteerd is met de ernstige gevolgen van het misdrijf. De echtgenote van het slachtoffer krijgt € 20.000 aan affectieschade en € 20.000 aan shockschade toegekend. De echtgenote was aan het bellen met haar man op het moment dat haar man aangevallen werd door de verdachte. Zij is hierdoor geconfronteerd met de gevolgen van het delict. De echtgenote van het slachtoffer heeft verder nog een vergoeding van de schade gevorderd door gederfd levensonderhoud ten bedrage van € 89.792,21. Het gerechtshof acht haar in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk. Naar het oordeel van het gerechtshof is er in beginsel voldoende gelegenheid geweest voor een evenwichtig partijdebat over de vorderingen van de benadeelde partijen en daarmee ook over de vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud. De vraag is echter of dit debat uitputtend genoeg is geweest, gelet op de omvang en complexiteit van de vorderingen op dit onderdeel, de betwisting van de vordering tot vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud door de verdediging, en of eigen onderzoek van het gerechtshof naar de toewijsbaarheid van deze vordering daarvoor voldoende compensatie kan bieden. Het gerechtshof is van oordeel dat dit niet het geval is.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 28-05-2025

Rechtspraak

PS 2025-0293

In 2017 is een taxichauffeur betrokken geraakt bij een verkeersongeval toen hij in zijn auto van achteren werd aangereden door een auto. De WAM-verzekeraar van de andere auto heeft aansprakelijkheid erkend. De taxichauffeur stelt schade te hebben geleden en nog te lijden als gevolg van dit ongeval. Hij vordert hiertoe een totale schadevergoeding van € 382.854,02 vermeerderd met € 19.145,92 aan buitengerechtelijke kosten en met € 10.000 als vergoeding voor secundaire victimisatie. De WAM-verzekeraar voert hiertegen verweer. Volgens de WAM-verzekeraar heeft de taxichauffeur niet meer schade geleden dan de € 9.000 die de WAM-verzekeraar tot nu toe aan hem heeft betaald. De rechtbank wijst de vordering van de taxichauffeur af. Hij heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat hij langer dan enkele maanden klachten als gevolg van het ongeval heeft ervaren en dat zijn schade hoger is dan de € 9.000. De taxichauffeur heeft hiervoor wel ruimschoots de gelegenheid gehad. Er is geen sprake van secundaire victimisatie. De taxichauffeur heeft gelet op de betwisting door de WAM-verzekeraar onvoldoende onderbouwd gesteld dat de handelwijze van de WAM-verzekeraar daadwerkelijk extra schade bij hem heeft veroorzaakt. De rechtbank stelt wel nog vast dat de wijze waarop de WAM-verzekeraar deze zaak heeft behandeld niet de schoonheidsprijs verdient. De WAM-verzekeraar is weliswaar grotendeels in het gelijk gesteld, maar de rechtbank vindt toch dat zij de proceskosten (inclusief nakosten) moet betalen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 14-05-2025

Rechtspraak

PS 2025-0292

Deelgeschil. In 2022 heeft er een confrontatie plaatsgevonden tussen twee honden, waarbij een hondje is gegrepen door een andere hond en heen en weer is geschud. Het hondje heeft dit incident niet overleefd. De eigenares van het hondje verzoekt om een verklaring voor recht dat de eigenaar van de andere hond aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade van zowel haarzelf als haar dochter, die het incident heeft zien gebeuren. De eigenaar van de andere hond heeft haar aansprakelijkheid op grond van artikel 6:179 BW erkend. Het verzoek van de eigenares van het hondje wordt toegewezen op het punt van de materiële schade. De materiële schade omvat in ieder geval de kosten van de crematie en de reiskosten in verband daarmee en de economische waarde van het hondje. Het verzoek wordt afgewezen op het punt van de immateriële schade. De eigenares heeft nog geen begin gemaakt met het stellen en onderbouwen dat zij immateriële schade zou hebben geleden. Dat de dochter schade (materieel of immaterieel) zou hebben geleden doordat niet alleen het hondje maar ook zij zou zijn gebeten door de andere hond is niet komen vast te staan. Uit niets blijkt dat ook de dochter is gebeten. Uit de verklaring van de POH-GGZ blijkt dat de dochter na het incident een keer bij de POH-GGZ is geweest en daar het incident heeft besproken. Verder is zij niet meer in beeld bij de POH-GGZ. Op basis van deze gegevens kan niet worden vastgesteld dat er bij de dochter sprake is van geestelijk letsel. Het verzoek omtrent de schade van de dochter wordt afgewezen. De rechtbank overweegt dat dit natuurlijk niet wegneemt dat het voor de dochter vreselijk moet zijn geweest om dit mee te maken en dat het ontzettend verdrietig is dat zij (en de rest van het gezin) het hondje moet missen. Het beroep op eigen schuld door de eigenaar van de hond slaagt. Als het hondje was aangelijnd, zoals op die plek verplicht was voor alle honden, had de confrontatie zeer waarschijnlijk niet, of niet op deze manier, kunnen plaatsvinden. Het loslopen van het hondje heeft daarom bijgedragen aan het gebeurde. Dat laat onverlet dat de andere hond het hondje niet had mogen grijpen. Onder deze omstandigheden is een vergoedingsplicht van 60% voor de eigenaar van de andere hond redelijk.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Lelystad), 15-05-2025