Deze zaak gaat over de vraag of een inlener aansprakelijk is voor de schade die een ingeleende kracht lijdt als gevolg van het arbeidsongeval dat hem op 21 juni 2017 overkwam. De kantonrechter stelt voorop dat de ingeleende kracht werkzaamheden moest verrichten in een risicovolle werkomgeving. Er werd gewerkt met hoge temperaturen om de stalen platen op maat te snijden en er werden hefmagneten gebruikt om zware gewichten te verplaatsen. Op de inlener rust in dat geval des te meer de verplichting om haar werknemers te voorzien van goede instructies, zodat zij weten hoe zij op een veilige manier dienen te werken, en toe te zien op naleving van die instructies. De inlener heeft aangevoerd dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan doordat zij beschikte over een RI&E, een Huishoudelijk Reglement dat aan de werknemer is uitgereikt, de werknemer beschikte over een VCA en de Veilig Hijsen-opleiding heeft gevolgd, de werkgever samenwerkte met zijn collega , die deze opleiding ook had gevolgd, en dat de werknemer deelnam aan toolboxmeetings van de vrouw. De kantonrechter oordeelt dat niet duidelijk is wat er tijdens de toolboxmeetings is besproken en of de werknemer hierbij aanwezig was. De RI&E behandelt volgens de kantonrechter alleen algemene onderwerpen en geen concrete veiligheidsmaatregelen. Daarbij zorgt het feit dat de ingeleende kracht beschikte over een VCA en een opleiding Veilig Hijsen er niet voor dat er geen toezicht meer moest worden gehouden op de werkwijze. Niet is gebleken dat voorafgaand aan het ongeval de werknemer is gewaarschuwd of er is geprobeerd de werknemer ervan te weerhouden dat hij de werkwijze ging toepassen door op de containers te gaan staan en de magneet te gebruiken die hij heeft gebruikt. Met inachtneming van het toetsingskader van artikel 7:658 BW en na afweging van de omstandigheden van het geval concludeert de kantonrechter dat de inlener meer maatregelen en instructies had moeten nemen en geven, en dus niet alles heeft gedaan wat van haar mocht worden verwacht. Door dit na te laten is de vrouw tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens de werknemer en aansprakelijk voor de schade die hij ten gevolge van het ongeval lijdt. De kantonrechter bepaalt dat de vrouw een voorschot op de schadevergoeding moet betalen. Voor wat betreft de hoogte van het smartengeld acht de kantonrechter het redelijk ook acht te slaan op de consultatieversie van de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Mede gelet daarop acht de kantonrechter een voorschot op de immateriële schadevergoeding van € 13.000 redelijk.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Bergen op Zoom), 22-05-2025