Naar boven ↑
8.767 resultaten

Rechtspraak

PS 2019-0024

Eiser is in 2014 benoemd tot commissielid binnen de fractie van Gemeentebelangen Bronckhorst. In 2017 heeft de fractievoorzitter aan eiser bericht dat hij in overleg met de fractie heeft besloten het beëdigd commissielidmaatschap met onmiddellijke ingang stop te zetten. Zij wilde eerst een integriteitsonderzoek naar eiser verrichten. Eiser vordert een verklaring voor recht dat de gemeente onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door een integriteitsonderzoek naar hem in te stellen, door de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd en door de wijze waarop met de onderzoeksresultaten is omgegaan. Eiser vordert € 10.000 ter zake immateriële schadevergoeding. De rechtbank oordeelt dat de gemeente alleen onrechtmatig heeft gehandeld ten aanzien van het omgaan met de uitkomsten van het onderzoek. Dit omdat eiser niet de gelegenheid heeft gekregen te reageren op de conclusie en de beantwoording van de vraagstelling in het rapport alvorens het rapport aan het presidium en de gemeenteraad voor te leggen en door het rapport wel en de reactie van eiser op dat rapport niet actief openbaar te maken. De verklaring voor recht wordt dan ook gegeven. De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen. De rechtbank wil niets afdoen aan de impact die het gebeuren op eiser (en zijn gezin) heeft gehad, maar ziet hierin geen aanleiding voor een veroordeling tot vergoeding van immateriële schadevergoeding, omdat het causaal verband tussen die impact en het onrechtmatig handelen van de gemeente ontbreekt.
Rechtbank Gelderland (Locatie Zutphen), 19-12-2018

Rechtspraak

PS 2019-0023

De onderhavige zaak betreft de aansprakelijkheid van de Staat. Eiser is op een zeker moment zijn rijbewijs verloren, waarvan hij aangifte heeft gedaan. Deze aangifte heeft niet kunnen voorkomen dat, met behulp van het verloren rijbewijs, door derden ruim 1700 motorvoertuigen op naam van eiser zijn gesteld. Op grond van deze kentekenregistraties worden aan eiser diverse boetebeschikkingen en belastingaanslagen opgelegd. Ook wordt de bijstandsuitkering aan eiser stopgezet, omdat hij op grond van het hoge aantal kentekenregistraties geacht wordt ondernemer te zijn. Eiser vecht de kentekenregistraties en de daaruit voortvloeiende gevolgen in rechte aan en dient een klacht in tegen de Staat bij het EHRM. Het EHRM oordeelt dat de Staat artikel 8 EVRM heeft geschonden door, kort gezegd, het rijbewijs na aangifte van vermissing niet ongeldig te verklaren en daardoor misbruik van de identiteit van eiser door derden mogelijk te maken. Eiser, die reeds voor de uitspraak van het EHRM de Staat bij brief aansprakelijk heeft gesteld voor de door hem geleden schade, spreekt de Staat na de EHRM-uitspraak in rechte aan. Zowel rechtbank als hof oordelen dat de (eventuele) aanspraak van eiser op de Staat is verjaard, waarbij zij voorbijgaan aan het betoog van eiser dat de verjaringstermijn van zijn vordering pas na de uitspraak van het EHRM is aangevangen. In cassatie wordt dit verjaringsoordeel door eiser bestreden. De conclusie van de advocaat-generaal strekt tot verwerping van het beroep. De advocaat-generaal overweegt echter dat het de Staat zou sieren zich bij de afweging of al dan niet tot inning van de proceskosten over moet worden gegaan rekenschap te geven van zijn eigen rol en zich niet enkel te laten leiden door wat juridisch wellicht haalbaar is, maar vooral ook door wat maatschappelijk gezien juist zou zijn. De Hoge Raad volgt de conclusie en verwerpt het beroep.
Hoge Raad, 21-12-2018

Rechtspraak

PS 2019-0022

De onderhavige zaak betreft de aansprakelijkheid van de Staat. Eiser is op een zeker moment zijn rijbewijs verloren, waarvan hij aangifte heeft gedaan. Deze aangifte heeft niet kunnen voorkomen dat, met behulp van het verloren rijbewijs, door derden ruim 1700 motorvoertuigen op naam van eiser zijn gesteld. Op grond van deze kentekenregistraties worden aan eiser diverse boetebeschikkingen en belastingaanslagen opgelegd. Ook wordt de bijstandsuitkering aan eiser stopgezet, omdat hij op grond van het hoge aantal kentekenregistraties geacht wordt ondernemer te zijn. Eiser vecht de kentekenregistraties en de daaruit voortvloeiende gevolgen in rechte aan en dient een klacht in tegen de Staat bij het EHRM. Het EHRM oordeelt dat de Staat artikel 8 EVRM heeft geschonden door, kort gezegd, het rijbewijs na aangifte van vermissing niet ongeldig te verklaren en daardoor misbruik van de identiteit van eiser door derden mogelijk te maken. Eiser, die reeds voor de uitspraak van het EHRM de Staat bij brief aansprakelijk heeft gesteld voor de door hem geleden schade, spreekt de Staat na de EHRM-uitspraak in rechte aan. Zowel rechtbank als hof oordelen dat de (eventuele) aanspraak van eiser op de Staat is verjaard, waarbij zij voorbijgaan aan het betoog van eiser dat de verjaringstermijn van zijn vordering pas na de uitspraak van het EHRM is aangevangen. In cassatie wordt dit verjaringsoordeel door eiser bestreden. De conclusie van de advocaat-generaal strekt tot verwerping van het beroep. De advocaat-generaal overweegt echter dat het de Staat zou sieren zich bij de afweging of al dan niet tot inning van de proceskosten over moet worden gegaan rekenschap te geven van zijn eigen rol en zich niet enkel te laten leiden door wat juridisch wellicht haalbaar is, maar vooral ook door wat maatschappelijk gezien juist zou zijn. De Hoge Raad volgt de conclusie en verwerpt het beroep.
Hoge Raad, 02-11-2018

Rechtspraak

PS 2019-0009

Eiser, werkzaam als onderhoudsmonteur voor Eneco, is onder werktijd staande gehouden door de politie. Er is een discussie ontstaan tussen eiser en de desbetreffende verbalisant. De politiemedewerker heeft naar aanleiding van het voorval contact opgenomen met Eneco en gezegd dat het gedrag van eiser jegens de politie geen goede reclame voor Eneco zou zijn. Daarna is eiser door Eneco niet meer ingezet als onderhoudsmonteur. Eiser stelt dat de politiemedewerker die hem staande had gehouden door het doen van genoemde mededelingen jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en dat de politie op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk is voor de hierdoor aan hem toegebrachte schade. De schade bestaat uit € 19.050,52 inkomstenderving en € 3.000 reputatieschade. Niet in geschil is dat de gedraging van de politiemedewerker een onrechtmatige daad oplevert. De kantonrechter oordeelt dat er een causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige daad en de schade. Het totale bedrag aan misgelopen inkomsten wordt vastgesteld op € 18.879,25, welk bedrag ter zake van geleden materiële schade wordt toegewezen. Voor zover eiser betoogt dat hij psychische schade heeft geleden door het voorval, heeft hij echter onvoldoende concrete gegevens aangevoerd waaruit dat geestelijk letsel kan volgen. Om van geestelijk letsel te kunnen spreken is niet voldoende dat sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. De vordering tot immateriële schadevergoeding is daarom als onvoldoende onderbouwd niet toewijsbaar. 
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 18-10-2018