Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0311

Partijen twisten al langere tijd over de vraag of er sprake was van medisch onzorgvuldig handelen bij de behandeling van een patiënt op de polikliniek neurologie van een ziekenhuis in 2008 en 2009. Partijen hebben geprobeerd in onderling overleg een expertise te laten uitvoeren maar hebben geen overeenstemming bereikt over de vraagstelling. De patiënt vraagt daarom de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht te gelasten. Het ziekenhuis heeft geen bezwaar tegen het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek maar zij stelt een andere vraagstelling voor. De rechtbank wijst het verzoek toe en benoemt een deskundige waar beide partijen het over eens zijn om de in de beschikking vermelde vragen te beantwoorden. De vraagstelling bestaat uit een combinatie van de door partijen gewenste vragen. Een aantal van de gedetailleerde vragen van de patiënt, waartegen specifiek verweer is gevoerd, wordt niet opgenomen omdat deze (wat) subjectief en sturend zijn. De rechtbank ziet aanleiding om in deze procedure van de hoofdregel dat de eisende partij in beginsel het voorschot voor de kosten van de deskundige moet betalen af te wijken. Aan de vier vereisten van artikel 18 GOMA is voldaan: er is sprake van een goed onderbouwde aansprakelijkstelling en een goed gemotiveerde afwijzing daarvan en een blijvend verschil van inzicht op medisch vakinhoudelijk gebied en afwezigheid van een klassieke scholenstrijd. Partijen moeten ieder de helft van het voorschot dragen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 28-05-2025

Rechtspraak

PS 2025-0309

Hoge Raad. De man is in augustus 2003 met een schotverwonding in de buik opgenomen op de intensivecareafdeling van AZM. Gedurende de opname in AZM heeft eiser als gevolg van een medische fout ernstig hersenletsel opgelopen. De verzekeraar heeft aansprakelijkheid erkend voor de schade als gevolg van de medische fout en bij arrest van 8 september 2015 heeft het hof in Den Bosch de verzekeraar veroordeeld tot vergoeding van de door de man geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat. In cassatie staat de vraag centraal of de man zorgschade kan vorderen voor hulp die is verricht door een vriendin aan wie geen vergoeding is betaald. Onderdeel 1 van het middel richt klachten tegen het oordeel van het hof dat niet valt in te zien dat de redelijkheid gebiedt dat de verzekeraar aan de man een vergoeding betaalt voor de door vriendin van een betrokkene verleende zorg, nu uit niets blijkt dat de man die vergoeding aan haar zou betalen. De Hoge Raad schetst het kader bij zorgschade door derden. ‘Uitgangspunt bij de berekening van de omvang van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding is dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Hieruit volgt dat zijn schade in beginsel moet worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval. Dit geldt ook wanneer sprake is van letselschade. In geval van aansprakelijkheid voor letselschade moet de aansprakelijke persoon de kosten van verzorging en verpleging aan de benadeelde vergoeden indien laatstgenoemde ten gevolge van het letsel niet langer in staat is de desbetreffende werkzaamheden zelf te verrichten, voor zover het gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin de benadeelde verkeert, normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners. Dit is niet anders indien die werkzaamheden in feite worden verricht door derden die daarvoor geen kosten in rekening (kunnen) brengen aan de benadeelde. Art. 6:107 lid 1, aanhef en onder a, BW kent aan die derden hiervoor een eigen recht op schadevergoeding toe. Dit eigen recht op schadevergoeding van de derde doet niet af aan de bevoegdheid van de benadeelde om ook zelf vergoeding van deze schade te vorderen. De vorderingsrechten van de benadeelde en de in art. 6:107 lid 1, aanhef en onder a, BW bedoelde derde bestaan dus naast elkaar. Daarbij verdient aantekening dat, indien de aansprakelijke persoon de schade heeft vergoed aan de derde die kosten ten behoeve van de benadeelde heeft gemaakt, hij ook tegenover de benadeelde is bevrijd, en omgekeerd. Uit het voorgaande volgt dat voor toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde tot vergoeding van door een derde verleende zorg, niet vereist is dat de benadeelde tegenover de derde verplicht is tot betaling voor die zorg, noch dat de benadeelde de te ontvangen vergoeding aan de derde doorbetaalt.’ De Hoge Raad volgt de conclusie van de advocaat-generaal, die concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep tegen de afwijzing van de zorgschade van de vriendin, niet en vernietigt het arrest van het hof. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep voor zover dit zich richtte tegen het oordeel van het hof dat aan de man geen arbeidsvermogensschade toekomt. Onder meer omdat het onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de man, die voor het ongeval criminele activiteiten ontplooide, het letsel weggedacht de overstap naar reguliere arbeid zou hebben gemaakt. Dit oordeel blijft, in navolging op de conclusie van de advocaat-generaal, wel in stand.
Hoge Raad, 06-06-2025

Rechtspraak

PS 2025-0305

Op 6 november 2019 is een curator door criminelen neergeschoten. De curator meent dat de Politie en het Openbaar Ministerie (hierna: OM) niet adequaat hebben gehandeld naar aanleiding van de informatie die hij had aangeleverd en dat de aanslag op zijn leven voorkomen had kunnen worden. De Staat is van mening dat het stelsel Bewaken en Beveiligen aan de wettelijke eisen voldeed, dat het handelen van de Politie en het OM in aanloop naar de aanslag in lijn was met de toepasselijke voorschriften en dat – met de kennis van toen – verdedigbare beslissingen zijn genomen. Met het neerschieten van de curator staat vast dat de acties die de Politie en het OM hebben ondernomen de aanslag niet hebben kunnen voorkomen. De rechtbank acht de Staat niet aansprakelijk. Als de rechtbank namelijk wel zou vinden dat het risico in mei 2019 te laag is ingeschat en dat de Staat toen zwaardere maatregelen had moeten nemen, is het de vraag of er in november 2019 nog zodanige maatregelen van kracht zouden zijn geweest dat de aanslag niet zou zijn gepleegd. Omdat niet is komen vast te staan dat er tussen mei en november 2019 nog signalen zijn geweest dat de curator ernstig gevaar liep, komt de rechtbank tot het oordeel dat er op 6 november 2019 niet zodanige maatregelen van kracht zouden zijn geweest, dat de aanslag niet had plaatsgevonden. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Staat voorafgaand aan het neerschieten van de curator de beschermingsmaatregelen heeft genomen die pasten bij de informatie die toen voorhanden was. Van een schending van artikel 2 EVRM of onrechtmatig handelen door de Staat is daarom geen sprake. Dit betekent dat de rechtbank de vorderingen van de curator zal afwijzen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 04-06-2025

Rechtspraak

PS 2025-0303

Een man is als bestuurder van een verzekerde auto een eenzijdig ongeval overkomen. Hij heeft daarbij ernstig letsel opgelopen. De verzekeraar heeft de onder de SVI-verzekering maximaal uit te keren som aan de man uitgekeerd en wil in deze procedure de uitkering verhalen op de gemeente. De verzekeraar stelt dat de gemeente haar zorgplicht voor het onderhoud van de weg niet heeft nageleefd en daarmee onrechtmatig tegenover de man heeft gehandeld, zodat de verzekeraar als in de rechten van de man gesubrogeerde verzekeraar de schade op de gemeente kan verhalen. In deze procedure draait het in de kern over de vraag of op 19 november 2013, toen het ongeval plaatsvond, het hoogteverschil tussen de bovenzijde van de bovenste asfaltlaag en die van de rechterberm meer dan 7 cm was en zo ja, of die omstandigheid meebrengt dat de gemeente haar zorgplicht tot het onderhouden van de weg heeft geschonden. Het hof is van oordeel dat uit de onderzoeksrapporten niet kan worden geconcludeerd dat er sprake was van zo’n hoogteverschil dat dit een schending van Handboek Wegontwerp 2013 – Basiscriteria (publicatie 328) zou opleveren. In aanvulling hierop zal het hof ook nog onderzoeken, voor het geval zou moeten worden geoordeeld dat die overschrijding wel is komen vast te staan, of de gemeente haar zorgplicht in verband met het beheer van het wegennet in de gemeente heeft geschonden. Om te oordelen dat sprake is van onrechtmatig handelen is immers niet alleen vereist dat sprake was van een gebrekkige weginrichting maar ook dat de gemeente daarvan wist of had moeten weten en verwijtbaar heeft nagelaten maatregelen te nemen. Het hof oordeelt dat hiervan ook geen sprake is. De verzekeraar is er niet in geslaagd aan te tonen dat van de gemeente kan worden gevergd dat zij de wegen intensiever inspecteert dan zij doet, te weten een wegenschouw ieder half jaar en het wekelijks berijden van de wegen door medewerkers van de gemeente waarna bij gebleken hoogteverschil de berm wordt aangevuld. Verder kan van een gemeente zonder nadere toelichting van de verzekeraar, die zij niet heeft gegeven, niet worden gevergd dat zij zo intensief inspecteert dat zij, zodra ergens in het onder haar beheer vallende wegennet het hoogteverschil tussen wegdek en berm te hoog wordt, onmiddellijk actie onderneemt om dat hoogteverschil te verminderen. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat de gemeente haar zorgplicht heeft geschonden en dat zij daarom niet onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de man. De rechtbank heeft volgens het hof daarom terecht de vorderingen van de verzekeraar afgewezen.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 27-05-2025