Naar boven ↑
8.544 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0069

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting en een poging tot moord door een vrachtwagen van een transportbedrijf in brand te steken. In de vrachtwagen lag op dat moment de chauffeur te slapen. Hij heeft de brand ternauwernood overleefd, maar liep zeer ernstig en blijvend lichamelijk letsel op. Ongeveer 65% van zijn lichaam raakte verbrand. Hij verbleef langdurig op de intensive care, deels in coma, en zal door blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in armen en benen zijn leven lang ernstige beperkingen ondervinden in zijn dagelijks functioneren en kwaliteit van leven. De brand heeft niet alleen voor de vrachtwagenchauffeur zelf immense gevolgen (gehad) maar ook voor zijn naasten, die geconfronteerd werden met zijn grotendeels verbrande lichaam, er op enig moment zelfs rekening mee moesten houden afscheid van hem te moeten nemen en zich ook nu nog dagelijks moeten verhouden tot de nieuwe situatie van hun dierbare. De verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen poging moord, medeplegen van opzettelijke brandstichting, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Het slachtoffer, zijn partner, dochter, vader en zus hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Er is bij het slachtoffer sprake van blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in zijn armen en benen waardoor zijn ledematen zijn verzwakt. Hierdoor zal hij blijvend ernstige beperkingen ondervinden in het dagelijks leven en is hij aangewezen op intensieve verzorging en hulpmiddelen. Ook leeft het slachtoffer met chronische pijn. Er is sprake van een medische eindtoestand en er is geen verbetering meer te verwachten. Het hof twijfelt er dan ook niet aan dat de feiten naast het lichamelijk letsel ook grote invloed hebben op de psychische gesteldheid van benadeelde. Naar het oordeel van het hof liggen de nadelige gevolgen van deze feiten voor benadeelde zó voor de hand dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Alles overziend begroot het hof, gelet op de meervoudigheid van letsels en de samenloop van lichamelijk letsel en geobjectiveerd geestelijk letsel, de omvang van de immateriële schade net als de rechtbank op een bedrag van € 200.000. Aan de partner met wie het slachtoffer samenwoont en de dochter van het slachtoffer wordt het gevorderde bedrag van € 17.500 aan affectieschade toegewezen, mede gelet op het ernstige en blijvende letsel bij het slachtoffer. Voor de vader van het slachtoffer oordeelt het hof dat hij ook onder ‘naasten’ valt in de zin van artikel 6:107 lid 2 BW en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk. Tot slot oordeelt het hof dat de zus als secundair slachtoffer dient te worden aangemerkt. Het hof overweegt dat de zus kort na de brand door haar vader is geïnformeerd over wat haar broer was overkomen en hem vervolgens in het ziekenhuis heeft bezocht. Daar zag zij haar broer ernstig verbrand en beademd liggen, met zware verminkingen aan zijn lichaam en gezicht. Deze confrontatie heeft bij haar geleid tot hevige emotionele schokken, dagelijkse flashbacks en een duidelijke verslechtering van haar functioneren. Haar angststoornis en posttraumatische stressklachten zijn hierdoor toegenomen, hetgeen wordt ondersteund door een verklaring van haar psycholoog. Het hof stelt vast dat sprake is van shockschade en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk; € 5.000 meer dan door de rechtbank was toegewezen. Het hof beoordeelt voorts nog vorderingen (meestal van materiële aard) van een groot aantal andere benadeelde partijen, waarbij het hof soms tot een ander oordeel komt dan de rechtbank.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 20-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0068

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting en een poging tot moord door een vrachtwagen van een transportbedrijf in brand te steken. In de vrachtwagen lag op dat moment de chauffeur te slapen. Hij heeft de brand ternauwernood overleefd, maar liep zeer ernstig en blijvend lichamelijk letsel op. Ongeveer 65% van zijn lichaam raakte verbrand. Hij verbleef langdurig op de intensive care, deels in coma, en zal door blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in armen en benen zijn leven lang ernstige beperkingen ondervinden in zijn dagelijks functioneren en kwaliteit van leven. De brand heeft niet alleen voor de vrachtwagenchauffeur zelf immense gevolgen (gehad) maar ook voor zijn naasten, die geconfronteerd werden met zijn grotendeels verbrande lichaam, er op enig moment zelfs rekening mee moesten houden afscheid van hem te moeten nemen en zich ook nu nog dagelijks moeten verhouden tot de nieuwe situatie van hun dierbare. De verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen poging moord, medeplegen van opzettelijke brandstichting, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Het slachtoffer, zijn partner, dochter, vader en zus hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Er is bij het slachtoffer sprake van blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in zijn armen en benen waardoor zijn ledematen zijn verzwakt. Hierdoor zal hij blijvend ernstige beperkingen ondervinden in het dagelijks leven en is hij aangewezen op intensieve verzorging en hulpmiddelen. Ook leeft het slachtoffer met chronische pijn. Er is sprake van een medische eindtoestand en er is geen verbetering meer te verwachten. Het hof twijfelt er dan ook niet aan dat de feiten naast het lichamelijk letsel ook grote invloed hebben op de psychische gesteldheid van benadeelde. Naar het oordeel van het hof liggen de nadelige gevolgen van deze feiten voor benadeelde zó voor de hand dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Alles overziend begroot het hof, gelet op de meervoudigheid van letsels en de samenloop van lichamelijk letsel en geobjectiveerd geestelijk letsel, de omvang van de immateriële schade net als de rechtbank op een bedrag van € 200.000. Aan de partner met wie het slachtoffer samenwoont en de dochter van het slachtoffer wordt het gevorderde bedrag van € 17.500 aan affectieschade toegewezen, mede gelet op het ernstige en blijvende letsel bij het slachtoffer. Voor de vader van het slachtoffer oordeelt het hof dat hij ook onder ‘naasten’ valt in de zin van artikel 6:107 lid 2 BW en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk. Tot slot oordeelt het hof dat de zus als secundair slachtoffer dient te worden aangemerkt. Het hof overweegt dat de zus kort na de brand door haar vader is geïnformeerd over wat haar broer was overkomen en hem vervolgens in het ziekenhuis heeft bezocht. Daar zag zij haar broer ernstig verbrand en beademd liggen, met zware verminkingen aan zijn lichaam en gezicht. Deze confrontatie heeft bij haar geleid tot hevige emotionele schokken, dagelijkse flashbacks en een duidelijke verslechtering van haar functioneren. Haar angststoornis en posttraumatische stressklachten zijn hierdoor toegenomen, hetgeen wordt ondersteund door een verklaring van haar psycholoog. Het hof stelt vast dat sprake is van shockschade en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk; € 5.000 meer dan door de rechtbank was toegewezen. Het hof beoordeelt voorts nog vorderingen (meestal van materiële aard) van een groot aantal andere benadeelde partijen, waarbij het hof soms tot een ander oordeel komt dan de rechtbank.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 20-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0067

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting en een poging tot moord door een vrachtwagen van een transportbedrijf in brand te steken. In de vrachtwagen lag op dat moment de chauffeur te slapen. Hij heeft de brand ternauwernood overleefd, maar liep zeer ernstig en blijvend lichamelijk letsel op. Ongeveer 65% van zijn lichaam raakte verbrand. Hij verbleef langdurig op de intensive care, deels in coma, en zal door blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in armen en benen zijn leven lang ernstige beperkingen ondervinden in zijn dagelijks functioneren en kwaliteit van leven. De brand heeft niet alleen voor de vrachtwagenchauffeur zelf immense gevolgen (gehad) maar ook voor zijn naasten, die geconfronteerd werden met zijn grotendeels verbrande lichaam, er op enig moment zelfs rekening mee moesten houden afscheid van hem te moeten nemen en zich ook nu nog dagelijks moeten verhouden tot de nieuwe situatie van hun dierbare. De verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen poging moord, medeplegen van opzettelijke brandstichting, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Het slachtoffer, zijn partner, dochter, vader en zus hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Er is bij het slachtoffer sprake van blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in zijn armen en benen waardoor zijn ledematen zijn verzwakt. Hierdoor zal hij blijvend ernstige beperkingen ondervinden in het dagelijks leven en is hij aangewezen op intensieve verzorging en hulpmiddelen. Ook leeft het slachtoffer met chronische pijn. Er is sprake van een medische eindtoestand en er is geen verbetering meer te verwachten. Het hof twijfelt er dan ook niet aan dat de feiten naast het lichamelijk letsel ook grote invloed hebben op de psychische gesteldheid van benadeelde. Naar het oordeel van het hof liggen de nadelige gevolgen van deze feiten voor benadeelde zó voor de hand dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Alles overziend begroot het hof, gelet op de meervoudigheid van letsels en de samenloop van lichamelijk letsel en geobjectiveerd geestelijk letsel, de omvang van de immateriële schade net als de rechtbank op een bedrag van € 200.000. Aan de partner met wie het slachtoffer samenwoont en de dochter van het slachtoffer wordt het gevorderde bedrag van € 17.500 aan affectieschade toegewezen, mede gelet op het ernstige en blijvende letsel bij het slachtoffer. Voor de vader van het slachtoffer oordeelt het hof dat hij ook onder ‘naasten’ valt in de zin van artikel 6:107 lid 2 BW en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk. Tot slot oordeelt het hof dat de zus als secundair slachtoffer dient te worden aangemerkt. Het hof overweegt dat de zus kort na de brand door haar vader is geïnformeerd over wat haar broer was overkomen en hem vervolgens in het ziekenhuis heeft bezocht. Daar zag zij haar broer ernstig verbrand en beademd liggen, met zware verminkingen aan zijn lichaam en gezicht. Deze confrontatie heeft bij haar geleid tot hevige emotionele schokken, dagelijkse flashbacks en een duidelijke verslechtering van haar functioneren. Haar angststoornis en posttraumatische stressklachten zijn hierdoor toegenomen, hetgeen wordt ondersteund door een verklaring van haar psycholoog. Het hof stelt vast dat sprake is van shockschade en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk; € 5.000 meer dan door de rechtbank was toegewezen. Het hof beoordeelt voorts nog vorderingen (meestal van materiële aard) van een groot aantal andere benadeelde partijen, waarbij het hof soms tot een ander oordeel komt dan de rechtbank.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 20-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0066

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting en een poging tot moord door een vrachtwagen van een transportbedrijf in brand te steken. In de vrachtwagen lag op dat moment de chauffeur te slapen. Hij heeft de brand ternauwernood overleefd, maar liep zeer ernstig en blijvend lichamelijk letsel op. Ongeveer 65% van zijn lichaam raakte verbrand. Hij verbleef langdurig op de intensive care, deels in coma, en zal door blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in armen en benen zijn leven lang ernstige beperkingen ondervinden in zijn dagelijks functioneren en kwaliteit van leven. De brand heeft niet alleen voor de vrachtwagenchauffeur zelf immense gevolgen (gehad) maar ook voor zijn naasten, die geconfronteerd werden met zijn grotendeels verbrande lichaam, er op enig moment zelfs rekening mee moesten houden afscheid van hem te moeten nemen en zich ook nu nog dagelijks moeten verhouden tot de nieuwe situatie van hun dierbare. De verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen poging moord, medeplegen van opzettelijke brandstichting, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Het slachtoffer, zijn partner, dochter, vader en zus hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Er is bij het slachtoffer sprake van blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in zijn armen en benen waardoor zijn ledematen zijn verzwakt. Hierdoor zal hij blijvend ernstige beperkingen ondervinden in het dagelijks leven en is hij aangewezen op intensieve verzorging en hulpmiddelen. Ook leeft het slachtoffer met chronische pijn. Er is sprake van een medische eindtoestand en er is geen verbetering meer te verwachten. Het hof twijfelt er dan ook niet aan dat de feiten naast het lichamelijk letsel ook grote invloed hebben op de psychische gesteldheid van benadeelde. Naar het oordeel van het hof liggen de nadelige gevolgen van deze feiten voor benadeelde zó voor de hand dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Alles overziend begroot het hof, gelet op de meervoudigheid van letsels en de samenloop van lichamelijk letsel en geobjectiveerd geestelijk letsel, de omvang van de immateriële schade net als de rechtbank op een bedrag van € 200.000. Aan de partner met wie het slachtoffer samenwoont en de dochter van het slachtoffer wordt het gevorderde bedrag van € 17.500 aan affectieschade toegewezen, mede gelet op het ernstige en blijvende letsel bij het slachtoffer. Voor de vader van het slachtoffer oordeelt het hof dat hij ook onder ‘naasten’ valt in de zin van artikel 6:107 lid 2 BW en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk. Tot slot oordeelt het hof dat de zus als secundair slachtoffer dient te worden aangemerkt. Het hof overweegt dat de zus kort na de brand door haar vader is geïnformeerd over wat haar broer was overkomen en hem vervolgens in het ziekenhuis heeft bezocht. Daar zag zij haar broer ernstig verbrand en beademd liggen, met zware verminkingen aan zijn lichaam en gezicht. Deze confrontatie heeft bij haar geleid tot hevige emotionele schokken, dagelijkse flashbacks en een duidelijke verslechtering van haar functioneren. Haar angststoornis en posttraumatische stressklachten zijn hierdoor toegenomen, hetgeen wordt ondersteund door een verklaring van haar psycholoog. Het hof stelt vast dat sprake is van shockschade en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk; € 5.000 meer dan door de rechtbank was toegewezen. Het hof beoordeelt voorts nog vorderingen (meestal van materiële aard) van een groot aantal andere benadeelde partijen, waarbij het hof soms tot een ander oordeel komt dan de rechtbank.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 20-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0065

Verdachte en het slachtoffer waren compagnons in een bedrijf. Verdachte heeft zijn nietsvermoedende zakenpartner met voorbedachten rade en op brute wijze om het leven gebracht door hem eerst te slaan en vervolgens meerdere malen met een mes te steken, waarna het slachtoffer later in het ziekenhuis is overleden. Verdachte stelde te hebben gehandeld uit boosheid en gekrenktheid wegens vermeende verduistering en beschuldigingen van seksueel misbruik van zijn echtgenote. Het hof oordeelt dat sprake is van ontoelaatbare eigenrichting en dat verdachte door zijn handelen het fundamentele recht op leven heeft geschonden, waarmee hij zich schuldig heeft gemaakt aan moord. Door de moord op het slachtoffer heeft verdachte onbeschrijflijk en onherstelbaar leed toegebracht aan diens naasten, hetgeen indringend naar voren is gekomen in de slachtofferverklaringen. Het feit heeft daarnaast grote maatschappelijke schok veroorzaakt en vond plaats op de werkvloer, waar twee collega’s aanwezig waren. De collega’s zijn onvrijwillig getuige geweest van de moord, waarbij een van hen PTSS heeft ontwikkeld. De vrouw van het slachtoffer vordert naast materiële schade een bedrag van € 20.000 aan affectieschade en € 35.000 aan shockschade. Uit de stukken blijkt dat de vrouw kort na de aanval aanwezig was op de plaats delict en daar werd geconfronteerd met de gruwelijke situatie. In het ziekenhuis werd zij geconfronteerd met zijn levenloze en gehavende lichaam. Uit een verklaring van een psychosociaal therapeut volgt dat bij de vrouw sprake is van traumagerelateerde klachten en een persisterende complexe rouwstoornis, hetgeen een erkend psychiatrisch ziektebeeld vormt. Nu de verdediging de gevorderde shockschade niet heeft betwist, oordeelt het hof dat de vrouw als rechtstreeks gevolg van het handelen van verdachte immateriële schade in de vorm van shockschade heeft geleden en wijst het de vordering toe. De meerderjarige zoon van het slachtoffer vordert € 17.500 aan affectieschade en € 35.000 aan shockschade. De zoon van de overledene was aanwezig tijdens de steekpartij op het bedrijf. Hij sprak nog kort met de verdachte en zag vervolgens de paniek uitbreken. Hij hoorde dat zijn vader was neergestoken, zag hem naar de ambulance worden getild en reed achter de ambulance aan naar het ziekenhuis. Direct na het overlijden werd hij geconfronteerd met zijn overleden vader, met zichtbaar letsel en bloed. De volgende dag zag hij ook de plek op kantoor waar de steekpartij had plaatsgevonden inclusief de bloedsporen. Uit medische stukken blijkt dat de zoon een erkend psychiatrisch ziektebeeld heeft: ‘Andere gespecificeerde trauma- of stressor gerelateerde stoornis’ (DSM-5), en hij heeft één EMDR-behandeling gehad. Na zijn verzoek om geen verdere behandeling werd het dossier gesloten. De shockschade is niet betwist door de verdediging, maar deze vroeg om een matiging tot € 15.000. Gelet op de omstandigheden en vergelijkbare jurisprudentie stelt het hof de shockschade naar billijkheid vast op € 15.000. Voor het overige deel van de vordering verklaart het hof de zoon niet-ontvankelijk. Ten aanzien van de gevorderde shockschade door de broer van het slachtoffer en de twee zussen van de verdachte oordeelt het hof dat niet is voldaan is aan de vereisten voor shockschade en verklaart hen daarom niet-ontvankelijk ten aanzien van de gevorderde schade. Namens de minderjarige en de meerderjarige zonen van het slachtoffer is aangevoerd dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen van het strafbare feit voor benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Naar het oordeel van het hof ziet deze ‘uitzondering’ op het in artikel 6:106 sub b BW bepaalde echter op situaties waarin sprake is van uit de aard en ernst van de normschending volgende evidente nadelige gevolgen voor het slachtoffer van het misdrijf zelf. Zonder iets te willen afdoen aan het peilloze leed dat het overlijden van het slachtoffer als zodanig bij zijn nog jonge kinderen heeft veroorzaakt, constateert het hof dat zonder nadere onderbouwing op deze grond niet kan worden vastgesteld dat bij hen sprake is van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Uit de brief van de psychosociaal therapeut blijkt dat de meerderjarige zoon sinds juli 2024 behandeling krijgt voor trauma- en rouwgerelateerde klachten, gemiddeld eens per twee à drie weken. Hij ervaart angstklachten en verwerkt de situatie nog maar beperkt; volledige verwerking zal tijd kosten en een leven lang bij hem blijven. Het hof acht aannemelijk dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen en kent hem immateriële schade toe van € 10.000. Voor de minderjarige zoon geldt dat door zijn jonge leeftijd er nog geen behandeling gestart is en dat geestelijk letsel niet aannemelijk is gemaakt. Zonder nadere onderbouwing kan geen aantasting in de persoon worden vastgesteld. Zijn vordering tot immateriële schade kan daarom niet in dit strafproces worden toegewezen en moet bij de burgerlijke rechter worden ingediend. Het hof stelt vast dat de echtgenote, minderjarige dochter, minderjarige zoon, meerderjarige zoon, moeder en vader tot de kring van gerechtigden volgens artikel 6:108 BW behoren. Hun vorderingen zijn niet betwist en worden daarom toegewezen. De echtgenote, kinderen en de meerderjarige zoon volgen de bedragen uit het Besluit vergoeding affectieschade; de ouders ontvangen ieder € 17.500. De vorderingen van de broer en zussen van het slachtoffer worden afgewezen. Broers en zussen zijn in principe niet gerechtigd. Er zijn in dit geval geen uitzonderlijke omstandigheden die hen onder de restcategorie zouden laten vallen.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Zwolle), 16-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0063

Op 7 januari 2024 rond 1:40 uur heeft een ongeval plaatsgevonden tussen de bestuurder van een personenauto en de fatbiker. De fatbiker reed vanuit westelijke richting in oostelijke richting op het fietspad, terwijl de bestuurder in noordelijke richting reed. Beiden reden de kruising op en kwamen daar met elkaar in botsing, waarbij schade ontstond aan zowel de auto als de elektrische fiets. Aangezien de bestuurder als gemotoriseerde verkeersdeelnemer schadevergoeding vordert van de fatbiker als ongemotoriseerde verkeersdeelnemer moet de vordering van de bestuurder worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:162 BW en de reflexwerking van artikel 185 WVW. Vast staat dat ten tijde van het ongeval de bestuurder op een plek reed waar dat niet was toegestaan, er gold een inrijverbod. Ten tijde van het ongeval waren er ook geen verkeerslichten voor het autoverkeer op de kruising. Gelet op het ontbreken van een verkeerslicht voor motorvoertuigen geldt dat de bestuurder voorrang had moeten verlenen aan al het verkeer op de kruising. Door niet alleen het inrijverbod te negeren maar ook geen voorrang te verlenen aan de fatbiker heeft de bestuurder een ernstige verkeersfout gemaakt die in elk geval mede het ongeval heeft veroorzaakt. Hieruit volgt dat geen sprake is van overmacht aan de kant van de bestuurder en dat in elk geval een deel van de schade van voor zijn eigen rekening blijft. De bestuurder is er niet in geslaagd om bewijs te leveren dat de fatbiker door rood is gereden en dat er om die reden een andere causaliteitsverdeling dient te worden gemaakt. Daarnaast oordeelt de kantonrechter dat er sprake is van een schending van artikel 21 Rv. Ten eerste heeft de bestuurder in de dagvaarding verzwegen dat hij zelf een verkeersfout heeft gemaakt en hij heeft over de situatie ter plekke een onjuist beeld geschetst. Daarbij heeft de bestuurder, zoals hij op de zitting heeft toegegeven, ook de situatieschets gewijzigd door daar gegevens aan toe te voegen aan het formulier dat is opgemaakt tijdens de aanrijding. Daarnaast is kantonrechter is van oordeel dat de handtekening van de fatbiker op het aanrijdingsformulier, zoals de bestuurder dat heeft overgelegd, niet van de fatbiker afkomstig is. Gelet op de omvang en de ernst van de schendingen van de waarheidsplicht door de bestuurder, welke schendingen bovendien betrekking hebben op gegevens die essentieel zijn voor de beoordeling van het geschil, is de gevolgtrekking die de kantonrechter daaruit maakt dat de bestuurder niet wordt toegelaten tot bewijslevering van zijn stelling dat de fatbiker door rood is gefietst. De vordering van de bestuurder wordt afgewezen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 31-10-2025

Rechtspraak

PS 2026-0061

Medische aansprakelijkheid. In het tussenvonnis van 9 april 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat uit het rapport van deskundigen, dat als uitgangspunt moet dienen bij de beoordeling van het handelen van het ziekenhuis omdat er geen zwaarwegende bezwaren tegen bestaan, volgt dat de hulpverleners van het ziekenhuis niet hebben gehandeld zoals van redelijk handelende en redelijk bekwame hulpverleners mocht worden verwacht bij de behandeling van de patiënt. Daardoor is sprake van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van opdracht (art. 6:74 BW) dan wel een onrechtmatige gedraging (art. 6:162 BW). Vervolgens heeft de rechtbank vastgesteld dat aan de patiënt de kans ontnomen is dat in 2015 vastgesteld kon worden dat de tumor kwaadaardig was. Dat nu niet kan worden vastgesteld of de tumor kwaadaardig was, is het gevolg van de fouten die het ziekenhuis heeft gemaakt en daardoor bestaat nu onzekerheid over de causaliteit. De rechtbank heeft daarom aanleiding gezien om voorshands aan te nemen dat de tumor al kwaadaardig was in 2015 en 2016 en heeft het ziekenhuis toegelaten tegenbewijs te leveren tegen dit voorshands oordeel. De rechtbank oordeelt dat het ziekenhuis geen tegenbewijs heeft geleverd tegen het rapport van de deskundigen, in ieder geval heeft zij geen punten aangevoerd waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven. Daarnaast zou volgens het ziekenhuis een in mammacarcinoom gespecialiseerde oncologisch chirurg, een radioloog gespecialiseerd in de mammaradiologie en een patholoog gespecialiseerd in de mammapathologie benoemd moeten worden om het vereiste tegenbewijs te kunnen leveren. De rechtbank volgt het ziekenhuis daarin niet omdat het aan het ziekenhuis is om tegenbewijs te leveren tegen het voorshands oordeel dat de tumor al kwaadaardig was. En het is niet aan de rechtbank om een deskundige te benoemen om (mogelijk) het bewijs te kunnen leveren, dat door het ziekenhuis geleverd moet worden. De conclusie is dat [gedaagde] niet het bewijs heeft geleverd dat de tumor van [B] nog niet kwaadaardig was bij de controles in 2015 en 2016 en het voorshands oordeel dus niet heeft kunnen ontzenuwen. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat de tumor kwaadaardig was en dat het ziekenhuis aansprakelijk is voor de schade. Dit betekent dat de gevraagde verklaring voor recht dat sprake is van aansprakelijkheid aan de kant van het ziekenhuis wordt gegeven en dat de daaruit voortvloeiende materiële en immateriële (overlijdens)schade, wordt toegewezen. De verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt ook toegewezen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 31-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0060

Er heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen twee auto’s. De voorste bestuurder maakte een noodstop voor een schrikhek op de rijbaan. De achterste bestuurder kon niet meer op tijd remmen en botste tegen de auto van de voorste bestuurder aan, hierbij heeft hij letsel opgelopen. De achterste bestuurder verzoekt in dit deelgeschil een verklaring voor het recht dat de WAM-verzekeraar van de voorste bestuurder aansprakelijk is voor de schade ten gevolge van het ongeval. Partijen zijn het met elkaar eens dat, kort vóór het ongeval, midden op de rijbaan – een 80 km weg – en op circa 120 meter vóór de rotonde een schrikhek (van reflecterend materiaal) stond met daarboven het verkeersbord ‘verboden in te rijden’ en een bord ‘uitgezonderd bewoners’. Dit schrikwerk was door de duisternis en afwezigheid van straatverlichting slecht zichtbaar. Volgens de kantonrechter heeft de achterste bestuurder echter onvoldoende duidelijk gemaakt waarom de voorste bestuurder een gevaarzettende situatie heeft gecreëerd die maakt dat hij op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de schade van de voorste bestuurder. De stelling dat de voorste bestuurder groot licht had moeten voeren of zijn alarmlichten had moeten inschakelen heeft de achterste bestuurder tegenover de gemotiveerde betwisting door de WAM-verzekeraar niet nader onderbouwd. Van belang daarbij is bovendien dat de voorste bestuurder tijdig zijn auto tot stilstand heeft kunnen brengen, wat de achterste bestuurder niet heeft gedaan. Schade die daardoor is ontstaan komt voor zijn eigen rekening. Van deze bestuurder had namelijk mogen worden verwacht dat hij op onverwachte situaties bedacht was en daarop tijdig anticipeerde. De conclusie is dat de voorste bestuurder niet onrechtmatig jegens de achterste bestuurder heeft gehandeld. De WAM-verzekeraar is daarom niet schadeplichtig. De kantonrechter zal de verzoeken afwijzen.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 08-01-2026