Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0215

De man was op 27 januari 2024 betrokken bij een verkeersongeval en heeft sindsdien lichamelijke klachten. De verzekeraar van de veroorzaker van het ongeval heeft de aansprakelijkheid erkend. Partijen hebben onderhandeld over de afwikkeling van de schade die de man heeft geleden en lijdt door het ongeval en het daarbij opgelopen letsel. De verzekeraar stelt dat partijen daarbij een vaststellingsovereenkomst met finale kwijting hebben gesloten. De man is het daar niet mee eens. In deze procedure vraagt de man de rechtbank om te oordelen dat geen (geldige) vaststellingsovereenkomst is gesloten en hij geen finale kwijting heeft verleend. Daarnaast wil hij een oordeel over de hoogte van het uurtarief van zijn belangenbehartiger en wil hij een maandelijks voorschot op zijn letselschade. De verzekeraar verzet zich daartegen. Overeenkomstig een tussen partijen ter zitting gemaakte procesafspraak gaat de rechtbank in deze beschikking eerst en alleen in op de vraag of zij een (geldige) vaststellingsovereenkomst met finale kwijting hebben gesloten. Het voorstel van de belangenbehartiger namens de man betrof een slotbetaling exclusief buitengerechtelijke kosten. Daarop zond de verzekeraar een vaststellingsovereenkomst met het verzoek die door de man te laten ondertekenen. In de vaststellingsovereenkomst staat dat de man door de overeenkomst te tekenen verklaart geen enkele vordering meer te hebben op de verzekeraar. Deze tekst laat volgens de rechtbank geen enkele andere uitleg toe dan dat na ondertekening geen ruimte meer bestond voor vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Dit wijkt af van het aanbod van de man omdat redelijke buitengerechtelijke kosten onderdeel zijn van de (vermogens)schade die is ontstaan door het ongeval en het letsel dat de man daarbij heeft opgelopen (art. 6:96 lid 2 BW). Het aanbod van de man hield juist niet in dat hij zou afzien van een vergoeding van redelijke buitengerechtelijke kosten. Dat eerder tussen de verzekeraar en de belangenbehartiger was gecorrespondeerd over een regeling waarin de buitengerechtelijke kosten niet waren betrokken doet daaraan niet af. De tekst van de vaststellingsovereenkomst en de begeleidende brief bevat geen enkel aanknopingspunt voor de bereidheid van de verzekeraar om, in afwijking van de heldere bewoordingen als hiervoor geciteerd, toch nog een extra schadepost te vergoeden. De door de verzekeraar aangehaalde praktijk waarin na het verlenen van finale kwijting nog met de belangenbehartiger wordt onderhandeld over diens kosten van bijstandverlening, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank komt tot de conclusie dat er geen vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen en dat de man geen finale kwijting heeft verleend. Het vorenstaande betekent dat de discussie over de afwikkeling van de schade die de man lijdt en heeft geleden door het ongeval en het daarbij opgelopen letsel weer volledig openligt. Overeenkomstig de met partijen gemaakte procesafspraak zal de rechtbank bepalen dat partijen zich op na te melden datum schriftelijk dienen uit te laten over het vervolg van deze procedure en iedere verdere beslissing aanhouden.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 08-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0214

Het gaat in deze zaak om de vraag of het uitzendbureau en/of de inlener aansprakelijk is/zijn op grond van een incident dat heeft plaatsgevonden, waarbij de werknemer schade heeft opgelopen. Terwijl de werknemer haar werkzaamheden op 31 mei 2024 uitvoerde, is een collega van haar, die aan het werk was als bestuurder van een zogenoemd ‘man-up’-voertuig, in botsing gekomen met het door de werknemer geparkeerde voertuig, een zogenoemde ‘reachtruck’. De werknemer was op dat moment werkzaam op de werkvloer van het magazijn van inlener, terwijl zij in loondienst van het uitzendbureau was en werd uitgeleend. De kantonrechter komt tot de conclusie dat het uitzendbureau aan haar zorgplicht heeft voldaan in de zin van artikel 7:658 BW. De kantonrechter oordeelt dat voldoende is komen vast te staan dat de werknemer schade heeft opgelopen als gevolg van het ongeval. De kantonrechter oordeelt daarnaast dat de inlener aansprakelijk is op grond van artikel 6:170 BW. Daarbij slaagt het beroep op eigen schuld niet. De collega van de werknemer heeft de fout kunnen maken juist doordat hij op het werk is tewerkgesteld en de inlener had bovendien zeggenschap over het gedrag van de collega op het werk. Voorgaande leidt tot de conclusie dat aansprakelijkheid van de inlener voor het incident op grond van artikel 6:170 BW kan worden aangenomen. Of de inlener (ook) aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 lid 4 BW kan daarmee in het midden blijven.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Tilburg), 15-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0212

De werkgever stelt dat hij is uitgevallen met een burn-out door het onveilige werkklimaat bij de werkgever. Hierdoor heeft hij schade geleden en zal hij die in de toekomst lijden, bestaande uit gemiste inkomsten door de lagere beoordeling en kosten voor juridische bijstand. Ook stelt de werknemer immateriële schade geleden te hebben, omdat hij door de handelswijze van de werkgever psychisch letsel heeft opgelopen. Volgens de werknemer heeft de werkgever de norm van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW) geschonden en ook haar zorgplicht om zorg te dragen voor de veiligheid en gezondheid van haar werknemers (art. 7:658 BW). Geoordeeld wordt dat de werknemer, gelet op de gemotiveerde betwisting van de werkgever, onvoldoende heeft gesteld voor de conclusie dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Uit de medische expertise van de bedrijfsarts kan niet de conclusie worden getrokken dat bij de werknemer sprake is (geweest) van een burn-out. Ook de stelling dat de werknemer is uitgevallen (uitsluitend) als gevolg van de werkomstandigheden bij de werkgever is onvoldoende onderbouwd. In ieder geval kan die conclusie niet op grond van de medische expertise van de bedrijfsarts worden getrokken. Dat de werknemer is blootgesteld aan pestgedrag en de werkgever geen gehoor heeft gegeven aan de noodkreten van de werknemer is niet komen vast te staan. De kantonrechter wil niet afdoen aan de impact die de situatie bij de werkgever op de werknemer heeft gehad, maar kan zich op basis van de stukken en de mondelinge behandeling niet aan de indruk onttrekken dat het karakter van de werknemer een rol heeft gespeeld in hoe hij een en ander heeft ervaren. Daarnaast is niet komen vast te staan dat de werknemer werd blootgesteld aan een te hoge werkdruk. Uit de stellingen van de werknemer kan worden opgemaakt dat hij weleens in het weekend heeft gewerkt, maar niet gebleken is dat dit op verzoek, dan wel onder druk van de werkgever gebeurde. Ook is niet duidelijk in hoeverre de werkzaamheden van de werknemer dit daadwerkelijk vereisten. Over zijn stelling dat de werknemer over 2021 onterecht met een ‘lower’ is beoordeeld, omdat hij een groot gedeelte van 2021 arbeidsongeschikt was, merkt de kantonrechter op dat het de werkgever vrijstaat zich een oordeel te vormen over de taakvervulling en het functioneren van de werknemer. In een beleidsdocument van de werkgever staat dat als een werknemer afwezig is geweest, bijvoorbeeld door ziekte, de werknemer wordt beoordeeld over de periode die hij wel gewerkt heeft, tenzij deze periode zo lang is geweest, dat geen redelijke beoordeling kan worden gegeven. In 2021 heeft de werknemer bijna een half jaar gewerkt. Niet gezegd kan worden dat een half jaar te kort is om het functioneren van een werknemer te beoordelen. Tot slot heeft een oud-leidinggevende op de mondelinge behandeling gemotiveerd toegelicht dat rekening is gehouden met de oogproblemen van de werknemer. Het voorgaande betekent dat de werkgever de werknemer over 2021 een lower rating mocht geven. Dit alles maakt dat niet kan worden geconcludeerd dat de werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade. De werknemer heeft ook nog gewezen op het deskundigenoordeel van het UWV, waaruit volgt dat de werkgever nalatig is geweest in het nakomen van haar re-integratieverplichtingen. De grondslag voor een dergelijke tekortkoming is gelegen in artikel 7:658a BW. Deze nalatigheid kan ertoe geleid hebben dat de werknemer inkomstenverlies heeft geleden. Dit is echter niet gesteld en daarop gebaseerde schade vordert de werknemer niet in deze procedure. Feit is dat de werknemer weer hersteld is gemeld en dat hij een andere functie is gaan verrichten tegen hetzelfde salaris. De werknemer heeft niet voldoende gesteld dat hij de door hem gevorderde schade heeft geleden doordat de werkgever niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan. Voor zover in de stellingen van de werknemer moet worden gelezen dat hij artikel 7:611 BW als zelfstandige grondslag aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, leidt deze grondslag niet tot toewijzing van zijn vorderingen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 22-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0211

De zaak gaat over een aanrijding tussen een snorfiets die door de vrouw werd bestuurd en een voetganger. Als gevolg van de aanrijding is de voetganger overleden en heeft de vrouw letsel opgelopen. De vrouw vraagt in dit deelgeschil een verklaring voor recht dat er aan haar zijde sprake was van overmacht en dat de aansprakelijkheidsverzekeraar van de voetganger gehouden is de door haar als gevolg van de aanrijding geleden en nog te lijden materiële en immateriële te vergoeden. De rechtbank is van oordeel dat van overmacht geen sprake is, maar dat de gedragingen van de voetganger wel in enige mate hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Vast staat dat de voetganger in donkere kleding, zonder verlichting over een vrij donker fietspad liep. Hierdoor was hij niet goed zichtbaar voor andere weggebruikers. Daarbij liep de voetganger ‘met het verkeer mee’ in plaats van ‘tegen het verkeer in’, waardoor hij zelf niet kon anticiperen op het verkeer dat hem van achteren naderde. De rechtbank is van oordeel dat de voetganger hiermee in enige mate heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval en dat de voetganger daarmee verwijtbaar heeft gehandeld jegens de vrouw. Aan de andere kant heeft de vrouw, gelet op de omstandigheden dat het donker was en het regende, onvoldoende geanticipeerd op de aanwezigheid van een andere weggebruiker, zoals in dit geval een voetganger. Hoewel is vastgesteld dat de vrouw reed op een snorfiets met een niet goed functionerend remsysteem, kan dit niet leiden tot een hogere mate van aansprakelijkheid aan haar zijde. Uit het onderzoek ter plaatse is immers gebleken dat zij in het geheel niet heeft geremd of is uitgeweken. Juist daaruit kan de fout van de vrouw – het onvoldoende anticiperen – worden afgeleid. Dat de vrouw op een opgevoerde snorfiets reed, vormt ook geen grond om een groter deel van de schuld voor het ontstaan van het ongeval aan haar toe te rekenen, omdat niet is komen vast te staan dat zij ten tijde van het ongeval harder dan 25 km/u heeft gereden. De rechtbank is van oordeel dat de fouten van de vrouw aanzienlijk meer hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval dan de fouten van de voetganger. Dit leidt tot de slotsom dat de fouten van de voetganger voor 15% hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval en de fouten van de vrouw voor 85%. Omtrent de billijkheidscorrectie ziet de rechtbank in wat de vrouw heeft aangevoerd – haar jeugdige leeftijd, de ernst van het letsel dat zij heeft opgelopen en de gevolgen voor de studie, in combinatie met het feit dat zij niet (volledig) verzekerd is voor haar schade – aanleiding om de vastgestelde causale verdeling met toepassing van de billijkheidscorrectie zodanig te corrigeren dat de aansprakelijkheidsverzekeraar gehouden is 20% van de schade van de vrouw te vergoeden.
Rechtbank Noord-Holland, 05-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0209

De vrouw reed met haar elektrische bakfiets in het donker in tegenovergestelde richting over het fietspad. Vervolgens heeft er een aanrijding plaatsgevonden tussen de vrouw en de fietskoerier, die in de juiste richting over het fietspad fietste. Als gevolg van de aanrijding heeft de vrouw letsel opgelopen. Zij heeft ernstig hersenletsel opgelopen en kan zich het ongeval niet meer herinneren. De vrouw stelt dat de fietskoerier medeaansprakelijk is voor het ontstaan van het ongeval, omdat hij met hoge snelheid over een donker fietspad fietste; onvoldoende felle verlichting voerde; vlak voor het ongeval op zijn mobiele telefoon keek, en onvoldoende uitkeek. De rechtbank bespreekt welke omstandigheden voldoende zijn komen vast te staan en of deze leiden tot medeaansprakelijkheid van de fietskoerier. Uit de Uber-app kon worden afgelezen dat de fietskoerier niet harder dan 21,5 km/u heeft gefietst. De rechtbank is van oordeel dat dit geen bijzondere snelheid is en dat hij dus niet ‘te hard’ heeft gereden. Naar het oordeel van de rechtbank doet het feit dat de verlichting van de fietskoerier knipperde niet af aan de aanwezigheid daarvan. Hoewel niet vaststaat hoe fel de verlichting was, staat wel vast dat de fietskoerier verlichting voerde. De vrouw heeft gesteld dat de verlichting van de fietskoerier niet fel genoeg was. Zij heeft echter niet gesteld of onderbouwd aan welke norm de felheid van fietsverlichting diende te voldoen. De rechtbank kan dus niet beoordelen of de verlichting van de fietskoerier daaraan voldeed. Voor de rechtbank staat vast dat de fietskoerier vlak voor het ongeval op zijn telefoon keek. Ook staat vast dat de telefoon in een daarvoor bedoelde houder zat en dat de fietskoerier de telefoon dus niet in zijn hand vasthield. Hoe lang hij op zijn telefoon heeft gekeken staat niet vast. De rechtbank acht het feit dat de fietskoerier vlak voor het ongeval kort op zijn routeplanner keek onvoldoende om aansprakelijkheid aan te nemen, mede gelet op de andere beschreven omstandigheden. De rechtbank kan geen bijzondere betekenis hechten aan het feit dat het voor mensen die aan, of in buurt van de plaats van het ongeval wonen een notoir feit is dat er ter plaatse vaak tegen de richting in wordt gefietst. De fietskoerier woont niet in de buurt van de plaats van het ongeval en het betreft geen feit van algemene bekendheid. De rechtbank constateert ten slotte dat niet vaststaat of de vrouw tijdens het ongeval verlichting voerde op haar fiets. Zowel de fietskoerier als een getuige hebben verklaard dat zij de vrouw in het geheel niet hebben zien aankomen. De vrouw herinnert zich niets van het ongeval en heeft daarom alleen kunnen verklaren dat zij haar verlichting normaal altijd aanzette. Dit is bevestigd door haar echtgenoot. Op grond van het voorgaande staat het voor de rechtbank niet vast dat de vrouw verlichting heeft gevoerd. Dit betekent dat de rechtbank wat dat betreft geen uitspraak kan doen over de vraag of de fietskoerier kan worden verweten dat hij de vrouw niet of pas te laat heeft gezien. Dit betekent dat op basis van de feiten en omstandigheden die zijn komen vast te staan de drempel voor aansprakelijkheid van de fietskoerier niet wordt gehaald. De verzoeken van de vrouw worden daarom afgewezen.
Rechtbank Noord-Holland, 26-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0208

Op 25 augustus 2018 heeft de vrouw een verkeersongeval gehad. Zij werd met hoge snelheid van achteren aangereden, waardoor zij in een slip raakte met haar auto, meerdere keren over de kop sloeg en in de sloot belandde met haar auto. De verzekeraar heeft aansprakelijkheid erkend. De vrouw ervaart op dit moment klachten in haar linkeroog, cognitieve klachten, neurologische klachten en orthopedische klachten. Daarnaast heeft zij psychische klachten ontwikkeld, waarvoor de diagnose PTSS is gegeven. De vrouw verzoekt de rechtbank twee deskundigen aan te wijze om de impasse te doorbreken. Daarnaast verzoekt zij een extra voorschot bovenop de reeds betaalde schadevergoeding. Ook is volgens de vrouw de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten nodig, omdat de verleende juridische hulp noodzakelijk was en direct verband houdt met de schade. De rechtbank weegt mee dat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht dat zij bereid is om een geactualiseerd medisch dossier over te leggen, zodat ook aan de voorwaarde wordt voldaan die voor het verrichten van oogheelkundige expertise nodig is. Een oogarts kan op basis van de actuele informatie duidelijkheid verschaffen voor de beoordeling van de eventuele aanwezigheid van causaal verband. Dit kan bijdragen aan het voortzetten van de onderhandelingen tussen partijen in het bereiken van een minnelijke regeling. Verder zijn partijen het eens over de aan te stellen deskundige en de vraagstelling. Onder deze omstandigheden zal het verzoek van de vrouw voor zover dat betrekking heeft op oogheelkundig onderzoek worden toegewezen. Voor het verzoek tot het aanwijzen van een neuropsycholoog ligt dit anders. Partijen twisten over de vraag of er aanleiding bestaat voor een neuropsychologisch onderzoek, over de aan te wijzen deskundige en over de vraagstelling. Het is daarom niet een afgebakend geschilpunt dat binnen de deelgeschilregeling afgedaan kan worden om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. Het verzoek van de vrouw hoort voor wat betreft dit onderdeel meer thuis in een verzoek om een voorlopig deskundigenbericht in de zin van artikel 202 Rv. Dit verzoek wordt afgewezen. Daarnaast kan op dit moment de rechtbank (voorshands) geen causaal verband aannemen tussen de klachten van de vrouw en het ongeval. Ook de omvang van eventuele ongevalsgerelateerde schade is nog volledig in geschil. Dit betekent dat er op dit moment onvoldoende aanknopingspunten zijn om aannemelijk te achten dat de schade van de vrouw de al aan haar verstrekte voorschotten overstijgt. Dit verzoek wordt ook afgewezen. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat niet alle kosten als redelijk zijn aan te merken. De rechtbank wijst daarom de verdere vergoeding van buitengerechtelijke kosten voor rechtsbijstand toe tot een bedrag van € 6.979,66. De kosten van het deelgeschil worden enigszins gematigd.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 16-04-2026