De werkgever stelt dat hij is uitgevallen met een burn-out door het onveilige werkklimaat bij de werkgever. Hierdoor heeft hij schade geleden en zal hij die in de toekomst lijden, bestaande uit gemiste inkomsten door de lagere beoordeling en kosten voor juridische bijstand. Ook stelt de werknemer immateriële schade geleden te hebben, omdat hij door de handelswijze van de werkgever psychisch letsel heeft opgelopen. Volgens de werknemer heeft de werkgever de norm van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW) geschonden en ook haar zorgplicht om zorg te dragen voor de veiligheid en gezondheid van haar werknemers (art. 7:658 BW). Geoordeeld wordt dat de werknemer, gelet op de gemotiveerde betwisting van de werkgever, onvoldoende heeft gesteld voor de conclusie dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Uit de medische expertise van de bedrijfsarts kan niet de conclusie worden getrokken dat bij de werknemer sprake is (geweest) van een burn-out. Ook de stelling dat de werknemer is uitgevallen (uitsluitend) als gevolg van de werkomstandigheden bij de werkgever is onvoldoende onderbouwd. In ieder geval kan die conclusie niet op grond van de medische expertise van de bedrijfsarts worden getrokken. Dat de werknemer is blootgesteld aan pestgedrag en de werkgever geen gehoor heeft gegeven aan de noodkreten van de werknemer is niet komen vast te staan. De kantonrechter wil niet afdoen aan de impact die de situatie bij de werkgever op de werknemer heeft gehad, maar kan zich op basis van de stukken en de mondelinge behandeling niet aan de indruk onttrekken dat het karakter van de werknemer een rol heeft gespeeld in hoe hij een en ander heeft ervaren. Daarnaast is niet komen vast te staan dat de werknemer werd blootgesteld aan een te hoge werkdruk. Uit de stellingen van de werknemer kan worden opgemaakt dat hij weleens in het weekend heeft gewerkt, maar niet gebleken is dat dit op verzoek, dan wel onder druk van de werkgever gebeurde. Ook is niet duidelijk in hoeverre de werkzaamheden van de werknemer dit daadwerkelijk vereisten. Over zijn stelling dat de werknemer over 2021 onterecht met een ‘lower’ is beoordeeld, omdat hij een groot gedeelte van 2021 arbeidsongeschikt was, merkt de kantonrechter op dat het de werkgever vrijstaat zich een oordeel te vormen over de taakvervulling en het functioneren van de werknemer. In een beleidsdocument van de werkgever staat dat als een werknemer afwezig is geweest, bijvoorbeeld door ziekte, de werknemer wordt beoordeeld over de periode die hij wel gewerkt heeft, tenzij deze periode zo lang is geweest, dat geen redelijke beoordeling kan worden gegeven. In 2021 heeft de werknemer bijna een half jaar gewerkt. Niet gezegd kan worden dat een half jaar te kort is om het functioneren van een werknemer te beoordelen. Tot slot heeft een oud-leidinggevende op de mondelinge behandeling gemotiveerd toegelicht dat rekening is gehouden met de oogproblemen van de werknemer. Het voorgaande betekent dat de werkgever de werknemer over 2021 een lower rating mocht geven. Dit alles maakt dat niet kan worden geconcludeerd dat de werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade. De werknemer heeft ook nog gewezen op het deskundigenoordeel van het UWV, waaruit volgt dat de werkgever nalatig is geweest in het nakomen van haar re-integratieverplichtingen. De grondslag voor een dergelijke tekortkoming is gelegen in artikel 7:658a BW. Deze nalatigheid kan ertoe geleid hebben dat de werknemer inkomstenverlies heeft geleden. Dit is echter niet gesteld en daarop gebaseerde schade vordert de werknemer niet in deze procedure. Feit is dat de werknemer weer hersteld is gemeld en dat hij een andere functie is gaan verrichten tegen hetzelfde salaris. De werknemer heeft niet voldoende gesteld dat hij de door hem gevorderde schade heeft geleden doordat de werkgever niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan. Voor zover in de stellingen van de werknemer moet worden gelezen dat hij artikel 7:611 BW als zelfstandige grondslag aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, leidt deze grondslag niet tot toewijzing van zijn vorderingen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 22-01-2026