Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0351

Tijdens de coronapandemie is een ambulanceverpleegkundige van de GGD op 5 maart 2020 in aanraking gekomen met een patiënte met ernstige ademhalingsproblemen. Hij heeft deze patiënte behandeld in haar woning op een van de bovenste etages in een flatgebouw, haar vervolgens op een brancard via een kleine lift naar beneden naar de ambulance gebracht. Tijdens de daaropvolgende ambulancerit naar de spoedeisende hulp heeft hij verneveling toegepast. De ambulanceverpleegkundige is op 19 maart 2020 getest op corona, de uitslag was positief. De man heeft daarna niet meer gewerkt in zijn functie van ambulanceverpleegkundige. Bij hem is long covid gediagnosticeerd. In 2021 heeft de man de GGD aansprakelijk gesteld voor gezondheidsschade op grond van artikel 7:658 BW, stellende dat hij op 5 maart 2020 is besmet toen hij in aanraking kwam met de patiënte. De kantonrechter overweegt dat niet vaststaat dat de patiënte besmet was met het coronavirus. Niet is komen vast te staan dat de man tijdens zijn werkzaamheden met het coronavirus in aanraking is gekomen. De arbeidsrechtelijke omkeringsregel wordt niet toegepast. De kantonrechter gaat niet in op de vraag of de GGD aan haar zorgplicht heeft voldaan. Het betoog van de man dat er sprake is van proportionele aansprakelijkheid slaagt ook niet. De GGD is immers op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen niet aansprakelijk voor de geleden schade. In dat geval kan dus evenmin sprake zijn van proportionele aansprakelijkheid aan de zijde van de GGD.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 25-06-2025

Rechtspraak

PS 2025-0345

Een vrouw heeft trombose gekregen door gebruik van de anticonceptiepil die de vrouw voor haar acne gebruikte. De rechtbank heeft in haar vorige tussenvonnis een deskundigenbericht gelast om te kunnen vaststellen of er sprake is van medische aansprakelijkheid van de huisarts. De deskundige heeft zijn rapportage ingediend. Partijen hebben daarop gereageerd. De rechtbank neemt de overwegingen en de conclusies van de deskundige over en is van oordeel dat de huisarts niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam huisarts mocht worden verwacht en dat de huisartsenpost als zorgverlener/opdrachtgever van de huisarts aansprakelijk is. De rechtbank oordeelt dat in de gegeven situatie geen anticonceptiepil had mogen worden voorgeschreven. Er was immers geen anticonceptiewens en er waren relatieve contra-indicaties voor het gebruik van anticonceptie, gezien de belaste familieanamnese van de vrouw ten aanzien van trombose. Deze informatie was tevens verstrekt door de moeder van de vrouw. Over het verhoogde risico op trombose bij gebruik van de anticonceptiepil is onvoldoende geïnformeerd. Aldus is gehandeld in strijd met de NHG-Standaarden Acne en Anticonceptie. Daarbij is ook in strijd met de professionele standaard gehandeld omdat bij de klachten van benauwdheid en ventilatieproblemen van de vrouw niet had mogen worden nagelaten met spoed verder onderzoek naar een verklaring te doen. De omkeringsregel is van toepassing op de normschending van de NHG-Standaarden Acne en Anticonceptie. De huisarts heeft naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt, dat de schade bij de vrouw ook zónder de beroepsfout van de huisarts kan zijn ontstaan. Naar oordeel van de rechtbank is er onzekerheid over de vraag of de op zichzelf vaststaande beroepsfouten de schade hebben veroorzaakt. Zowel het voorschrijven (en het gebruik door de vrouw) van Microgynon-30, het niet laten verrichten van nader spoedonderzoek als de erfelijke stollingsziekte AT-III van de vrouw kunnen immers de gezondheidsschade van de vrouw hebben veroorzaakt, althans aan het niet voorkomen daarvan hebben bijgedragen. Nadere inlichtingen zijn nodig om te kunnen bepalen tot hoever hun aansprakelijkheid voor de schade strekt, gelet op het feit dat bij de vrouw de erfelijke aandoening AT-III-deficiëntie (AT-III) en atrium septum defect (het ASD) is vastgesteld.
Rechtbank Overijssel (Locatie Almelo), 25-06-2025

Rechtspraak

PS 2025-0343

Strafrecht. Poging tot afpersing in vereniging, de dood ten gevolge hebbend. De ouders en de vriendin van het overleden slachtoffer hebben zich gevoegd in het strafproces als benadeelde partijen. Allen vorderen affectieschade. De verdediging betwist dat de vriendin in aanmerking komt voor een vergoeding van affectieschade. Zij had maar kort een relatie met het slachtoffer en volgens de verdediging was deze relatie niet bestendig genoeg om haar als levensgezel te beschouwen. De rechtbank volgt dit standpunt niet. De rechtbank overweegt dat degene die duurzaam een gemeenschappelijk huishouding voerde met het overleden slachtoffer ten tijde van het overlijden aanspraak kan maken op affectieschade, zo blijkt uit artikel 6:108 lid 4 onder b BW. Het uitgangspunt van de wetgever is dat deze persoon geacht mag worden een zeer nauwe band met het slachtoffer te hebben. Hij of zij hoeft dus in beginsel niet nader te onderbouwen waarom die nauwe band er is geweest. Het ontbreken van een hechte affectieve relatie kan hooguit een rol spelen als naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een vergoeding onaanvaardbaar zou zijn, maar dan alleen in zeer uitzonderlijke gevallen. Aan het criterium van duurzaamheid van de huishouding heeft de wetgever bewust geen vaste termijn willen verbinden. Gezegd moet kunnen worden dat de dood voor diegene met wie die huishouding bestond een ernstig verlies betekent. De periode van samenwonen van 15 januari 2021 tot aan de dood van het slachtoffer op 2 mei 2021 kan als voldoende duurzaam worden aangemerkt en er is geen enkele indicatie dat het overlijden van het slachtoffer geen ernstig verlies betekent voor de vriendin. Niet aangevoerd of gebleken is dat in deze zaak zich zo’n zeer uitzonderlijk geval voordoet als gevolg waarvan toekenning van de vordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Bovendien is het juist het strafbare handelen van de verdachte dat geleid heeft tot het einde van de gemeenschappelijke huishouding. Wanneer die omstandigheid door een verdachte aan de levensgezel wordt tegengeworpen om zo zijn aansprakelijkheid te kunnen ontlopen, zou dat juist onaanvaardbaar zijn naar dezelfde maatstaven van redelijkheid en billijkheid. De rechtbank wijst alle vorderingen toe.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 02-07-2025