Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0360

Deelgeschil. In 2021 is een werknemer uitgegleden na het uitstappen uit de vrachtwagen onder werktijd door sneeuwval. Door de valpartij heeft de werknemer zijn linkerarm op twee plaatsen gebroken. De werknemer en de aansprakelijkheidsverzekeraar van de werkgever hebben in 2022 een vaststellingsovereenkomst gesloten. In 2024 heeft de werknemer de werkgever aansprakelijk gesteld voor de door hem gelden en nog te lijden schade. De werknemer verzoekt de kantonrechter om voor recht te verklaren dat de werkgever aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW. Volgens de werknemer had de werkgever moeten zorgen voor een veilige werkomgeving dan wel had zij maatregelen moeten treffen om de risico’s voor hem weg te nemen. Nu de werkgever dit niet heeft gedaan, is zij tekortgeschoten in haar zorgplicht. De werkgever verweert zich. De werknemer had geen opdracht gekregen om naar de weegbrug te rijden en daar uit te stappen. Daarbij komt dat de werkgever geen zeggenschap heeft over het haventerrein in Antwerpen en de daarmee samenhangende verkeersveiligheid. Zij heeft dus ook geen invloed kunnen uitoefenen op het sneeuwvrij maken van de wegen in het havengebied. Uitglijden door gladheid als gevolg van sneeuw valt bovendien in een categorie van ongevallen die volgens het normaal maatschappelijk risico voor rekening van de werknemer dienen te komen. De kantonrechter overweegt dat de werkgever inderdaad geen direct toezicht had op het terrein. Bovendien was de werknemer op de hoogte van de sneeuw. Het was niet zo dat de werknemer bij het uitstappen overvallen was door plotselinge gladheid. Het risico op gladheid bij sneeuwval mag bekend worden verondersteld. Los daarvan heeft de werkgever eerder een e-mail verzonden met een waarschuwing voor gladheid op de weg de daaropvolgende dagen. Ook is vast komen te staan dat de werknemer eigen veiligheidsschoenen had die geschikt waren om over gladde oppervlakten te lopen. Dat de werkgever geen schoenen heeft gegeven aan de werknemer is daarom – wat daar verder ook van zij – niet van belang. De werkgever is niet in haar zorgplicht tekortgeschoten.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Bergen op Zoom), 30-06-2025

Rechtspraak

PS 2025-0358

Deelgeschil. Een vrouw is door een fietsongeval in 2021 met een automobilist die onder invloed was, blijvend invalide geraakt. De WAM-verzekeraar van de automobilist heeft onrechtmatig gehandeld door twee van de acht gestelde koerswijzigingen, zijnde: het ten onrechte vasthouden aan eigen schuld en een kortingsstandpunt van € 70.000 vanwege een gesteld te laag verkoopbedrag van de oude, door het ongeval ongeschikt geraakte, woning. De rechtbank overweegt dat op de verzekeraar de stelplicht en bewijslast rust van eigen schuld. Vanaf het begin van het schadetraject was er voor de WAM-verzekeraar geen enkele concrete aanleiding om uit te gaan van (een percentage van 50) eigen schuld. Nergens bleek uit dat de vrouw een verkeersfout had gemaakt. In ieder geval had de WAM-verzekeraar vanaf het moment dat zij bekend was of had kunnen zijn met de inhoud van het proces-verbaal van de politie de aansprakelijkheid voor 100% moeten erkennen. Vanaf dat moment kon de WAM-verzekeraar niet meer stellen dat de toedracht van het ongeval onduidelijk was en was het vasthouden aan haar eerdere standpunt – een mogelijk eigenschuldpercentage – onredelijk te noemen. Omtrent het verkoop van de woning stelt de rechtbank dat de curator de woning voor een bedrag ruim boven de taxatiewaarde heeft verkocht. Aangenomen kon dan ook worden dat de verkoopprijs in overeenstemming met de reële waarde was. De curator heeft daarvoor ook toestemming gekregen van de kantonrechter. Wat verder van belang is, is dat de koopovereenkomst op 13 december 2023 is getekend en dat de WAM-verzekeraar op 15 december 2023 is geïnformeerd. Binnen de bedenktijd voor consumenten van drie dagen had de WAM-verzekeraar dus nog van zich kunnen laten horen wanneer zij het hiermee niet eens was, maar dat heeft zij achterwege gelaten. De WAM-verzekeraar heeft beide standpunten later ingetrokken – onder meer onder druk van het deelgeschilverzoek. De WAM-verzekeraar wordt veroordeeld tot het betalen van € 1.000 aan smartengeld vanwege secundaire victimisatie.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 02-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0357

Een werknemer heeft op 8 januari 2025 onder werktijd vuurwerk afgestoken op een projectlocatie waar hij buiten met collega’s aan het werk was. Het vuurwerk is in zijn hand ontploft en de werknemer is daardoor vier vingers en een deel van zijn handpalm kwijtgeraakt. Als gevolg daarvan kan hij zijn werk niet verrichten. Door de explosie is de rechterachterruit uit een bedrijfsauto van de werkgever geblazen en zijn glas, bloed en vingers in de nek en kraag van een collega terechtgekomen die in de auto op de bestuurdersstoel met de zaak aan het bellen was. De werknemer had al in januari 2024 vuurwerk afgestoken, waarna hij was aangesproken door de bedrijfsleider. Op 6 januari 2025 heeft de bedrijfsleider nog aan de werknemer gezegd ‘dit jaar geen vuurwerk op de zaak’ of woorden met deze strekking. De werkgever wil nu de arbeidsovereenkomst met de werknemer ontbinden. Aan dit verzoek legt de werkgever ten grondslag dat de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld in de zin dat het een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert en dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter overweegt dat de werknemer zichzelf en een ander blootgesteld heeft aan ernstig gevaar, óók als hij, zoals hij heeft aangevoerd, niet op een halve meter maar op 3 à 4 meter afstand van de bedrijfsauto stond. Dat de werknemer van plan was het aangestoken vuurwerk naar een steiger te gooien waarop zijn collega’s aan het werk waren maakt de kwestie alleen maar erger. Ook van belang is dat de werknemer gewaarschuwd was. Dit alles maakt dat de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Rekening houdend met het handelen van de werknemer maar ook met de verdere omstandigheden van de zaak is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar geen transitievergoeding toe te kennen. Van belang daarbij is dat de werknemer zelf blijvend ernstige gevolgen van zijn handelen ondervindt. Hij krijgt een prothese aangemeten en zal moeten revalideren. Hij verwacht over een jaar weer aan het werk te kunnen. Hij is 38 jaar en heeft de zorg voor vijf kinderen. Het is van groot belang voor de man zelf, voor zijn gezin en kinderen en voor de maatschappij dat hij weer aan het werk komt. De werkgever heeft echter geen enkele invulling gegeven aan de op haar rustende revalidatieverplichtingen, maar heeft zich uitsluitend gericht op beëindiging van het dienstverband. De werkgever is dus aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 30-06-2025

Rechtspraak

PS 2025-0355

Een 11-jarig meisje is tijdens een proefrit van een pony gevallen met letselschade tot gevolg. Volgens het meisje en haar ouders is zij gevallen omdat de pony op hol sloeg. Zij spreken de bezitter van de pony (en haar verzekeraar) aan voor de schade als gevolg van de val op grond van artikel 6:179 BW. De bezitter van de pony en haar verzekeraar zijn van mening dat een rijdersfout of onervarenheid van het meisje de oorzaak is geweest van de val. Op die situatie zou artikel 6:179 BW niet van toepassing zijn. Als zij wel aansprakelijk zouden zijn, menen zij dat het meisje eigen schuld heeft en een deel van haar schade zelf moet dragen. De rechtbank stelt vast dat partijen lijnrecht tegenover elkaar staan voor wat betreft de oorzaak en dat het van belang is dat wordt vastgesteld wat precies de oorzaak van de val is geweest. De rechtbank draagt het meisje en haar ouders op om te bewijzen dat onberekenbaar gedrag van de pony (de eigen energie) de oorzaak is geweest van de val. De rechtbank besluit al wel over het beroep op eigen schuld. Dit gaat niet op. In eerdere rechtspraak is al uitgemaakt dat een beroep op eigen schuld in beginsel niet opgaat bij kinderen jonger dan 14 jaar. Van een kind van die leeftijd mag namelijk maar een beperkt inzicht in gevaar en een beperkt vermogen zich naar dat inzicht te gedragen worden verwacht. Dat geldt volgens de rechtbank ook hier. In het door partijen naar voren gebrachte feitencomplex ziet de rechtbank geen verwijtbare gedraging van het meisje. Het handelen van de ouders (het toestemming geven om de pony te berijden) kan ook niet als eigen schuld aan het meisje worden toegerekend. Dit betekent dat als aansprakelijkheid van de bezitter van de pony komt vast te staan, een schadevergoedingsplicht van 100% moet worden aangenomen.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 25-06-2025

Rechtspraak

PS 2025-0354

Conclusie advocaat-generaal Ibili. Ski-ongeval in Oostenrijk waarbij letsel is opgelopen. Centraal staat de vraag of het hof bij de beoordeling van de aansprakelijkheid is uitgegaan van de verhoogde drempel voor aansprakelijkheid die in sport- en spelsituaties geldt. De advocaat-generaal overweegt dat wanneer de schadeveroorzakende gedraging plaatsvindt in de context van een sport- of spelsituatie, een verhoogde drempel voor het aannemen van aansprakelijkheid geldt. Wanneer sprake is van een sport- of spelsituatie kan in zijn algemeenheid niet worden gezegd. Hoewel in het bestreden arrest niet expliciet is vermeld dat het skiongeval plaats heeft gevonden binnen een sport- en spelcontext stelt de advocaat-generaal dat het hof de juiste maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van de aansprakelijkheid. Hierbij speelt een rol dat in het partijdebat nauwelijks aandacht is geweest voor de aan te leggen maatstaf voor aansprakelijkheid. Met zijn oordeel dat de skiër onverantwoorde risico’s heeft genomen, heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld. In de overwegingen van het hof ligt besloten dat de man door het overtreden van de FIS-regels gevaarzetting heeft gecreëerd. Dit gevaar behoefde het slachtoffer – in de context van een sport- en spelsituatie – redelijkerwijs niet te verwachten, omdat de FIS-regels ertoe strekken om ongevallen op de skipiste te voorkomen en het slachtoffer erop mocht vertrouwen dat de skiër zich aan deze regels zou houden.
Parket bij de Hoge Raad, 27-06-2025

Rechtspraak

PS 2025-0353

Een vrouw heeft letsel opgelopen als passagier in haar eigen auto. Daar zij zelf was geweigerd door de verzekeraar, was de auto verzekerd en op naam gezet van haar zus. De verzekeraar stelt bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering te hebben gesloten. Het hof vond uitkering onaanvaardbaar wegens schending mededelingsplicht en het profiteren van opzettelijke misleiding. De Hoge Raad vernietigt deze uitspraak en overweegt over de uitleg van de WAM, welke is gebaseerd op een Europeesrechtelijke richtlijn. De rechtspraak van het HvJ EU, waarbij het belang van bescherming van slachtoffers van ongevallen vaak vooropstaat, laat volgens de Hoge Raad geen ruimte voor de regel dat bij opzettelijke misleiding van de verzekeraar door de benadeelde het eigen recht op schadevergoeding op grond van de WAM vervalt. Ook is in die verhouding geen plaats voor een regel dat de verzekeraar geen uitkering verschuldigd is bij – kort gezegd – onjuiste inlichtingen of opzettelijke misleiding. Alleen in het geval van misbruik van het Unierecht kan uitkering worden geweigerd. Uit rechtspraak van het HvJ EU zou volgen dat hiervan geen sprake is wanneer de misleiding erop gericht was om een verzekeringsovereenkomst tot stand te brengen, aldus de Hoge Raad. De verklaringen zijn niet afgelegd om zich als slachtoffer te beroepen op de WAM-richtlijn en wettelijke voorwaarden voor recht op uitkering te omzeilen. Zaak is verwezen naar een ander hof.
Hoge Raad, 04-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0352

De rechtbank heeft in een eerdere beschikking een klinisch neuropsycholoog benoemd tot deskundige. Aan deze deskundige zijn dezelfde vragen voorgelegd die in een nog eerdere beschikking waren opgenomen. Over deze vraagstelling bestond en bestaat tussen partijen overeenstemming. Een van de partijen verzoekt nu om aan de deskundige naast deze vragen ook de zogenoemde Tromp/Elemans-vraagstelling voor te leggen. Volgens deze partij is deze vraagstelling geschikter voor de beoordeling van het juridisch causaal verband door de rechtbank dan de standaardvraagstelling van de NVN. De wederpartij heeft bezwaar gemaakt en voert onder andere aan dat de Tromp/Elemans-vraagstelling tot op heden geen algemeen geaccepteerde vraagstelling is binnen de juridische en medisch-juridische praktijk. Nu het gebruik van deze vraagstelling afwijkt van hetgeen gebruikelijk is, zijn de resultaten aan interpretatiegevoeligheid onderhevig. De rechtbank honoreert het verzoek en overweegt dat de Tromp/Elemans-vraagstelling van recente datum is en sindsdien in recente uitspraken van twee hoven is gehanteerd voor neuropsychologisch onderzoek. Naar verwachting zal beantwoording van de Tromp/Elemans-vraagstelling juist meer juridisch relevante informatie verschaffen ten behoeve van het beoordelen van het juridisch causaal verband, dan de medische informatie over het medisch causaal verband waar de NVN-vraagstelling toe leidt. De voordelen daarvan wegen niet op tegen eventuele door de wederpartij gevreesde nadelen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 15-04-2025