Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0371

Hoge Raad. Mallorcazaak. Er wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat het slachtoffer immateriële schade heeft geleden en dat die schade – door vererving – in aanmerking komt voor vergoeding aan de nabestaanden van het slachtoffer. Het slachtoffer is op Mallorca door uitgaansgeweld om het leven gekomen. De Hoge Raad overweegt dat het slachtoffer door de geweldpleging ‘meteen’ buiten bewustzijn is geraakt, op de grond is blijven liggen en niet meer bij bewustzijn is geweest. Het slachtoffer heeft vijf dagen in comateuze toestand in het ziekenhuis gelegen, waarna hij is overleden. Uit de wetgeschiedenis blijkt dat het recht op vergoeding van immateriële schade een hoogstpersoonlijk recht is in die zin dat de benadeelde zelf beslist of hij hierop aanspraak wenst te maken en daarom zelf moet laten blijken dat hij genoegdoening voor ander nadeel dan vermogensschade wenst, en dat er geen reden is waarom het door het slachtoffer ondergane leed nog tot een vergoedingsplicht leidt ‘als de vergoeding niet meer kan dienen om zijn leed te verzachten of hem genoegdoening te verschaffen’. Volgens de wetgever brengt het ‘bijzondere karakter’ van het recht op immateriële schadevergoeding mee dat deze vergoeding ook ‘daadwerkelijk aan de benadeelde ten goede moet komen, mede omdat hem alleen dan genoegdoening in zijn relatie tot de laedens wordt verschaft’. Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat de regel dat het recht op smartengeld wel onder algemene titel kan overgaan (vererven) als de benadeelde heeft medegedeeld op de vergoeding aanspraak te maken, niet afdoet aan het hoogstpersoonlijk karakter van die aanspraak, nu die regel slechts beoogt te voorkomen dat een onwenselijke stimulans ontstaat voor een trage schadeafwikkeling. Het slachtoffer is zich niet bewust geweest van zijn toestand na de geweldsuitoefening en heeft ook geen kennis kunnen krijgen van het hem toegebrachte leed waarvoor de toekenning van immateriële schadevergoeding een ‘hoogstpersoonlijke’ vorm van compensatie beoogt te verschaffen. Dat brengt in het licht van wat hiervoor over het bijzondere karakter van de aanspraak op immateriële schadevergoeding is overwogen, mee dat niet kan worden gezegd dat het slachtoffer in een geval als dit immateriële schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking kan komen. Het oordeel van het hof is onjuist. Verder wordt er nog geklaagd over de aan de vriendin van het slachtoffer toegewezen materiële schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud. De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit een eerder arrest over schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud. Het hof heeft niet, rekening houdend met bijzonderheden van partijdebat, beoordeeld of de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid is geweest stellingen en onderbouwingen met betrekking tot (de betwisting van) de toewijsbaarheid van vordering genoegzaam naar voren te brengen, en ook niet beoordeeld of zich omstandigheden voordeden die meebrachten dat het hof, door eigen onderzoek te doen, compensatie moest bieden voor eventuele tekortkomingen daarin. Het oordeel van het hof dat het gevorderde bedrag volledig voor toewijzing in aanmerking komt, is niet toereikend gemotiveerd. Verder herhaalt de Hoge Raad ook relevante overwegingen uit een eerdere uitspraak over groepsaansprakelijkheid. Het oordeel van het hof dat de kans op (door ernstig geweld van leden van de groep waarvan verdachte deel uitmaakte) toebrengen van ernstig letsel aan het slachtoffer, alle aan de vechtpartij deelnemende groepsleden, dus ook verdachte, had moeten weerhouden van hun eigen gedragingen in groepsverband, die bestonden uit hun eigen deelname aan het plegen van ernstig geweld tegen leden van groep waarvan het slachtoffer deel uitmaakte, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
Hoge Raad, 08-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0368

De Hoge Raad overweegt dat de 50%-regel – evenals de 100%-regel voor kinderen jonger dan veertien jaar – niet voor (regres)vorderingen van verzekeraars geldt. Een beroep op eigen schuld van de fietser of voetganger moet bij dergelijke vorderingen dan ook op de gebruikelijke wijze worden getoetst aan de maatstaven van artikel 6:101 lid 1 BW. Bij de beoordeling of er aanleiding bestaat voor een – in dat geval dus ‘gewone’ – billijkheidscorrectie, zullen dezelfde omstandigheden kunnen worden meegewogen als in de verhouding tussen de aansprakelijke persoon en het slachtoffer zelf. De positie van het kwetsbare verkeersslachtoffer verschilt echter zozeer van die van de verzekeraar, dat ook wat betreft de ‘gewone’ billijkheidscorrectie voor de verzekeraar een eigen afweging moet worden gemaakt. Deze zal doorgaans slechts tot een beperkte bijstelling van het resultaat van de causaliteitsafweging kunnen leiden. In gevallen waarvoor de 50%- of 100%-regel geldt, subrogeert de verzekeraar van het slachtoffer, voor zover het gaat om de billijkheidscorrectie, dus niet in diens rechten wat betreft de 50%- of 100%-regel en niet integraal wat betreft de ‘gewone’ billijkheidscorrectie, namelijk niet wat betreft de uitkomst van de weging van de relevante omstandigheden. Dat is niet anders wanneer de verzekeraar van de aansprakelijke persoon een vaststellingsovereenkomst met het slachtoffer heeft gesloten. Er is hier sprake van een geval waarin de causale bijdrage van het motorrijtuig minder dan 50% beloopt, maar de fietser of voetganger aanspraak heeft op vergoeding van 50% of meer van zijn schade. Het meerdere is dan het gevolg van een billijkheidscorrectie. Hoewel juist is dat dat meerdere geheel kan berusten op een ‘gewone’ billijkheidscorrectie, en toepassing van de 50%-regel dan in zoverre niet nodig was om tot dat resultaat te komen, verkeert de verzekeraar van het slachtoffer daarmee niet in een andere positie dan wanneer de 50%-regel wel nodig was om tot een vergoedingsplicht van 50% of meer te kunnen komen. Ook wat betreft de ‘gewone’ billijkheidscorrectie subrogeert de verzekeraar in een geval als hier aan de orde immers, wat betreft de uitkomst van de weging van de relevante omstandigheden, niet in de rechten van het slachtoffer.
Hoge Raad, 11-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0367

Een vrouw heeft bij haar sollicitatie voor de functie van schadebehandelaar verzwegen in het verleden betrokken te zijn geweest bij verzekeringsfraude. De verzekeraar waar zij bij solliciteerde heeft haar laten opnemen in verschillende registers. De vrouw vordert verwijdering uit die registers, althans verkorting van de duur van de registraties. De voorzieningenrechter heeft bij de rechtbank de vorderingen van de vrouw afgewezen. De vrouw voert tegen dit vonnis grieven aan. De vrouw heeft onder ander andere aangevoerd dat zij zich niet bewust was van de relevantie van de informatie over haar verleden. Het hof gaat daar niet in mee. Het doel van de vraag en het belang van de verzekeraar daarbij moet de vrouw bekend zijn geweest, temeer nu zij zelf in de verzekeringsbranche werkzaam was en de NIVRE-opleiding heeft voltooid. Dat het meerdere keren betrokken zijn bij verzekeringsfraude relevante informatie zou kunnen zijn voor de verzekeraar bij haar beoordeling van de integriteit en betrouwbaarheid van de vrouw moet haar ook duidelijk zijn geweest. De stelling dat zij in antwoord op de integriteitsvraag ‘nee’ mocht antwoorden omdat de incidenten en registraties te lang geleden, namelijk rond 2016 en 2017, hebben plaatsgevonden, kan evenmin worden gevolgd. Het hof overweegt dat ook indien uit (voortijdige) verwijderingen door genoemde verzekeraars in de gegeven omstandigheden zou kunnen worden afgeleid dat zij niet (langer) twijfelden aan de integriteit van de vrouw, zij niet mocht menen dat zij om die reden de integriteitsvraag met ‘nee’ kon beantwoorden. Het moest de vrouw duidelijk zijn dat de verzekeraar, indien er sprake was van omstandigheden als bedoeld in de vraag, die wilde kunnen wegen en – eventueel na een gesprek met de vrouw daarover – zelf tot een oordeel wilde komen over haar integriteit en geschiktheid voor de functie van schadebehandelaar. De vrouw heeft ook nog aangevoerd dat de voorzieningenrechter een verkeerde maatstaf heeft gehanteerd bij de beoordeling of zij zich aan verzekeringsfraude heeft schuldig gemaakt. Daarmee miskent de vrouw dat de gedraging die de verzekeraar ertoe heeft gebracht melding te maken in de registers, en die door de voorzieningenrechter is beoordeeld, niet de verzekeringsfraude was, maar het verzwijgen van relevante informatie. Voor zover de vrouw heeft willen betogen dat registratie voor de duur van vijf jaar in het EVR om andere redenen disproportioneel is, gaat het hof daar niet in mee. Het door een (potentieel) schadebehandelaar opzettelijk verzwijgen van een ernstig fraudeverleden vormt een zodanige bedreiging voor de verzekeringssector dat een registratie van langere duur in beginsel toegelaten is. Redenen waarom daar in dit geval in die zin van afgeweken moet worden, dat de termijn op minder dan vijf jaar zou moeten worden gesteld, zijn niet gebleken. Dat de vrouw als gevolg van de registraties hinder ondervindt bij het uitoefenen van haar werk als schadebehandelaar is daartoe onvoldoende. Hetzelfde geldt voor eventuele problemen bij het afsluiten van verzekerings- of bancaire producten, waarbij overigens de vrouw ook niet onderbouwd gesteld heeft dat daarvan daadwerkelijk sprake is.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 03-06-2025

Rechtspraak

PS 2025-0366

Deelgeschil. In 2024 is een man met zijn linkervoet vast komen te zitten tussen de deuren van een tram, waarna de man is meegesleurd door de rijdende tram. Uiteindelijk is de voet van de man na ongeveer honderd meter losgekomen. De man heeft letsel opgelopen aan zijn rechterbeen, rug en arm. Openbaar vervoerder HTM heeft aansprakelijkheid voor (de gevolgen van) het ongeval niet erkend. De man stelt dat HTM een gevaarlijke situatie heeft gecreëerd, waardoor het ongeval kon gebeuren. De deuren van de tram hadden moeten openen toen de man tussen de sluitende deuren terechtkwam. Dat is niet gebeurd. Het veiligheidssysteem van de tram is dus gebrekkig. Daarnaast had de trambestuurder moeten controleren of hij veilig kon wegrijden bij de halte. Als hij dat had gedaan, dan zou hij de man hebben opgemerkt en zou het ongeval zijn voorkomen. Tot slot had de tram niet een wachttijd van 12 seconden, maar van 30 seconden moeten hanteren. Ook dan zou het ongeval zijn voorkomen, aldus de man, omdat hij dan niet zo had hoeven te haasten. HTM stelt dat de man op het moment dat het voor de onderhavige HTM-tram geldende vertrekprotocol was doorlopen en de trambestuurder groen licht op zijn bedieningspaneel kreeg, waardoor de tram in beweging kon komen, zijn voet tussen de reeds vergrendelde deuren geschopt of gewrongen heeft, waarbij hij klem is komen te zitten. Bij normaal gebruik werkt het veiligheidssysteem van de tramdeuren zodanig dat het dit soort ongevallen voorkomt. In dit geval is evenwel geen sprake van normaal gebruik en is een ongeval ontstaan door omstandigheden die niet voor rekening van HTM kunnen komen, maar aan eigen schuld van de man te wijten zijn. Verder betwist HTM de toepasselijkheid van Boek 8 BW. Volgens HTM heeft het ongeval namelijk niet tijdens het vervoer plaatsgevonden, zoals dat vervoer omschreven is in artikel 8:102 BW en de bijbehorende parlementaire geschiedenis. De kantonrechter kan de handeling van de man niet anders interpreteren dan als (een poging tot) instappen in de tram. Onder deze omstandigheden is sprake van instappen in de zin van artikel 8:102 lid 1 BW. Daarmee heeft het gebeurde plaatsgevonden in de vervoerperiode en zijn de bepalingen van Boek 8 BW van toepassing. Artikel 8:105 lid 1 BW bepaalt dat de vervoerder aansprakelijk is voor schade veroorzaakt door letsel als gevolg van een ongeval dat de reiziger in verband met en tijdens het vervoer is overkomen. De kantonrechter overweegt dat uit de feitelijke gebeurtenissen blijkt dat het veiligheidssysteem van het onderhavige type tram niet voorkomt dat iemand met zijn voet beklemd raakt tussen de deuren, zoals de man is overkomen. De kantonrechter gaat ervan uit dat het gros van de reizigers geen weet heeft van de precieze werking van het veiligheidssysteem van een tram; naar algemene ervaringsregels proberen reizigers geregeld de sluitende deuren van een tram weer open te laten gaan door een arm of hun lichaam tussen de deuren te brengen. Meestal gaan die dan ook weer open, wat te verklaren is door het mechanisme van de koperdraad in de rubberen randen van de deuren. HTM heeft op de zitting ook erkend dat dit zou zijn gebeurd als de man zijn arm tussen de deuren zou hebben gedaan. Dit mechanisme werkt echter kennelijk niet als iemand een voet tussen de deuren steekt en er komt ook geen signaal naar de trambestuurder dat er zich iets of iemand tussen de vergrendelde deuren bevindt. Dit kan worden beschouwd als een gebrek in het veiligheidssysteem, dat voor risico van HTM moet blijven. De potentieel ernstige gevolgen van dit gebrek kunnen worden ondervangen als de trambestuurder kort voor het wegrijden nog een laatste blik werpt op de camerabeelden waarop de deurstellen zichtbaar zijn. Dat is kennelijk niet gebeurd. Het beroep op eigen schuld slaagt gedeeltelijk. De kantonrechter ziet voor de toepassing van de billijkheidscorrectie geen aanleiding. De man moet 50% van de schade dragen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 24-06-2025

Rechtspraak

PS 2025-0364

Deelgeschil. Een verwarmingsmonteur is in 2021 ten val gekomen in een woning toen hij reparatiewerkzaamheden verrichte aan de CV op zolder. In een eerdere deelgeschilbeschikking heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de eigenaar van de woning jegens de man aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval. De verwarmingsmonteur had een bestelbus tot zijn beschikking. Door de gevolgen van het ongeval is de man gere-integreerd in een andere functie binnen het bedrijf. Hij verricht nu uitsluitend werkzaamheden op kantoor waardoor hij niet langer de beschikking heeft over een auto van de zaak. De man vordert nu schadevergoeding van de eigenaar van de woning. Hij stelt dat hij schade leidt omdat hij nu zelf een auto moet bekostigen om naar zijn werk (en naar huis) te kunnen reizen. Omdat deze schadepost volgens de man over veel jaren doorwerkt, zal deze tot (ver) boven de € 25.000 oplopen. De eigenaar van de woning verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Het verzoek van de man over deze ene schadecomponent zou prematuur zijn, omdat partijen verdeeld zijn over meerdere geschilpunten, zoals onder meer het causaal verband en de schadelooptijd. Het expertisetraject waarin onderzoek zal worden gedaan naar de ernst van het letsel en het causaal verband met het ongeval moet nog worden gestart. Partijen zijn volgens de eigenaar met elkaar in overleg over de te benoemen deskundige en de aan die deskundige te stellen vragen. Eerst als bij die expertise de causaliteit tussen de valpartij en de voortduring van de klachten na 1 juli 2024 komt vast te staan, wordt de discussie over de vraag of de man schade heeft geleden ten gevolge van het missen van de bedrijfsauto relevant. De rechtbank is het hiermee eens. Het verzoek wordt op grond van artikel 1019z Rv afgewezen.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 02-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0363

In 2013 heeft een politieagent letsel aan zijn rechterhand opgelopen in een poging om het verzet van een man tegen een aanhouding te breken. De politieagent heeft de man gedagvaard in 2017. Omdat de man geen bekende woon- of verblijfplaats had, is de dagvaarding betekend aan het parket van de officier van justitie en vond een publicatie plaats in de Staatscourant. Bij verstekvonnis in 2018 heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat de man aansprakelijk is voor de door de politieagent geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het voorval in 2013. Het vonnis is openbaar betekend en gepubliceerd in de Staatscourant. In 2024 heeft de deurwaarder beslag ten laste van de man gelegd. De man komt nu in verzet tegen het vonnis door de politieagent en de Politie te dagvaarden. De kantonrechter is van oordeel dat de verzettermijn in elk geval is gaan lopen op de dag dat de deurwaarden gelden heeft ontvangen uit het beslag. De verzettermijn was dan ook verstreken ten tijde van de dagvaarding. Nu is het weliswaar zo, dat in het geval de verzettermijn verstrijkt zonder dat de oorspronkelijk gedaagde met het vonnis bekend is, hem onder bepaalde omstandigheden op grond van artikel 6 EVRM een langere termijn moet worden gegeven om in verzet te komen. De man heeft echter geen beroep gedaan op artikel 6 EVRM en/of bijzondere omstandigheden benoemd waarom hem een dergelijke langere termijn had moeten worden gegeven. De man wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet. Het verzet gericht tegen de Politie is reeds niet-ontvankelijk nu de Politie geen partij was in het verstekvonnis.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 02-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0362

Een man heeft een dwarslaesie opgelopen na een eenzijdig verkeersongeval in 2013. De SVI-verzekeraar van de man heeft onderzoek laten doen. In het onderzoeksrapport werd gesteld dat de beheerder van de weg (deels) verantwoordelijk is voor het kunnen ontstaan van het ongeval vanwege het hoogteverschil tussen de buitenberm en de verharding van de rijbaankant. De SVI-verzekeraar procedeert nu tegen de gemeente. De gemeente heeft ook onderzoek laten doen. Uit dat onderzoek volgt dat het onderzoek van de SVI-verzekeraar gebruik maakt van een zeer onnauwkeurige methode. Vervolgens hebben de SVI-verzekeraar en de gemeente gezamenlijk een onderzoek laten uitvoeren. In deze procedure stelt de SVI-verzekeraar dat de gemeente na het ongeval maar voor het onderzoek van de SVI-verzekeraar de berm heeft opgehoogd. Hierdoor was opmeting van het ten tijde van het ongeval bestaande hoogteverschil niet meer mogelijk en moest het hoogteverschil op een andere wijze worden berekend. De gezamenlijke deskundige rapporteert dat het hoogteverschil meer dan 7 centimeter moet hebben bedragen. De gemeente is volgens de SVI-verzekeraar als mede-opdrachtgever gebonden aan het rapport. De rechtbank overweegt dat hoewel de CROW-richtlijnen geen wettelijke status hebben, algemeen erkend is dat de richtlijnen wel een factor van betekenis vormen bij de beantwoording van de vraag of een weg voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld. Afwijking van de richtlijnen betekent echter niet automatisch dat de wegbeheerder aansprakelijk is. De rechtbank overweegt verder dat partijen in beginsel gebonden zijn aan de uitkomsten van het gezamenlijk opgedragen onderzoek, tenzij er zwaarwegende, ernstige bezwaren bestaan tegen dat onderzoek. Dit is het geval. Het onderzoek is op bepaalde punten onvoldoende onderbouwd. Overigens zou een enkele lichte schending van de in de CROW-richtlijnen gegeven norm nog niet zonder meer een overtreding van de algemene zorgplicht van de gemeente opleveren. Ter zake zal haar dan bovendien het verwijt moeten kunnen worden gemaakt dat zij in de nakoming van deze plicht is tekortgeschoten. Daarvoor is nodig dat de gemeente wist dat het hoogteverschil ter plaatse van het ongeval groter dan 7 centimeter was. Dat dat zo was, heeft de SVI-verzekeraar niet onderbouwd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat geenszins aannemelijk is dat de gemeente aansprakelijk is uit hoofde van haar algemene zorgplicht.
Rechtbank Overijssel (Locatie Almelo), 19-04-2023