Een vrouw heeft bij haar sollicitatie voor de functie van schadebehandelaar verzwegen in het verleden betrokken te zijn geweest bij verzekeringsfraude. De verzekeraar waar zij bij solliciteerde heeft haar laten opnemen in verschillende registers. De vrouw vordert verwijdering uit die registers, althans verkorting van de duur van de registraties. De voorzieningenrechter heeft bij de rechtbank de vorderingen van de vrouw afgewezen. De vrouw voert tegen dit vonnis grieven aan. De vrouw heeft onder ander andere aangevoerd dat zij zich niet bewust was van de relevantie van de informatie over haar verleden. Het hof gaat daar niet in mee. Het doel van de vraag en het belang van de verzekeraar daarbij moet de vrouw bekend zijn geweest, temeer nu zij zelf in de verzekeringsbranche werkzaam was en de NIVRE-opleiding heeft voltooid. Dat het meerdere keren betrokken zijn bij verzekeringsfraude relevante informatie zou kunnen zijn voor de verzekeraar bij haar beoordeling van de integriteit en betrouwbaarheid van de vrouw moet haar ook duidelijk zijn geweest. De stelling dat zij in antwoord op de integriteitsvraag ‘nee’ mocht antwoorden omdat de incidenten en registraties te lang geleden, namelijk rond 2016 en 2017, hebben plaatsgevonden, kan evenmin worden gevolgd. Het hof overweegt dat ook indien uit (voortijdige) verwijderingen door genoemde verzekeraars in de gegeven omstandigheden zou kunnen worden afgeleid dat zij niet (langer) twijfelden aan de integriteit van de vrouw, zij niet mocht menen dat zij om die reden de integriteitsvraag met ‘nee’ kon beantwoorden. Het moest de vrouw duidelijk zijn dat de verzekeraar, indien er sprake was van omstandigheden als bedoeld in de vraag, die wilde kunnen wegen en – eventueel na een gesprek met de vrouw daarover – zelf tot een oordeel wilde komen over haar integriteit en geschiktheid voor de functie van schadebehandelaar. De vrouw heeft ook nog aangevoerd dat de voorzieningenrechter een verkeerde maatstaf heeft gehanteerd bij de beoordeling of zij zich aan verzekeringsfraude heeft schuldig gemaakt. Daarmee miskent de vrouw dat de gedraging die de verzekeraar ertoe heeft gebracht melding te maken in de registers, en die door de voorzieningenrechter is beoordeeld, niet de verzekeringsfraude was, maar het verzwijgen van relevante informatie. Voor zover de vrouw heeft willen betogen dat registratie voor de duur van vijf jaar in het EVR om andere redenen disproportioneel is, gaat het hof daar niet in mee. Het door een (potentieel) schadebehandelaar opzettelijk verzwijgen van een ernstig fraudeverleden vormt een zodanige bedreiging voor de verzekeringssector dat een registratie van langere duur in beginsel toegelaten is. Redenen waarom daar in dit geval in die zin van afgeweken moet worden, dat de termijn op minder dan vijf jaar zou moeten worden gesteld, zijn niet gebleken. Dat de vrouw als gevolg van de registraties hinder ondervindt bij het uitoefenen van haar werk als schadebehandelaar is daartoe onvoldoende. Hetzelfde geldt voor eventuele problemen bij het afsluiten van verzekerings- of bancaire producten, waarbij overigens de vrouw ook niet onderbouwd gesteld heeft dat daarvan daadwerkelijk sprake is.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 03-06-2025