Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0381

Een snorfietser heeft een ernstig ongeluk gekregen doordat hij tegen een door de Gemeente geplaatst schrikhek reed dat – bij stormachtig weer – was omgewaaid. De verzekeraar heeft de ziektekosten van de snorfietser vergoed en vordert als gesubrogeerd verzekeraar vergoeding daarvan door de Gemeente. Volgens de verzekeraar was sprake van een gevaarzettende situatie waarvoor de Gemeente jegens de snorfietser aansprakelijk is. Het hof is, net zoals de rechtbank, van oordeel dat sprake was van een gevaarzettende situatie die maakt dat de Gemeente aansprakelijk is voor de schade. Het gaat hier om een door de Gemeente zelf geplaatst schrikhek, dat niet was verzwaard met zandzakken of anderszins, terwijl aan de Gemeente duidelijk was of in ieder geval moest zijn dat dergelijke hekken bij harde wind of storm kunnen omwaaien. Daarnaast is van belang dat het schrikhek waar het in deze zaak om gaat midden op een weg was geplaatst waarvan (snor)fietsers nog gebruik konden maken. De Gemeente heeft aangevoerd dat er sprake is van eigen schuld omdat de snorfiets zou zijn opgevoerd. Het hof heeft overwogen dat ervan moet worden uitgegaan dat de bestuurder niet harder reed dan 25 km/h. Dat betekent dus dat het feit dat de snorfiets was opgevoerd, geen rol heeft gespeeld bij het ontstaan van het ongeval. Dat geldt ook als juist is, zoals de Gemeente bij de mondelinge behandeling nog heeft betoogd, dat een opgevoerde snorfiets eigenlijk niet de weg op mag. De Gemeente voert verder nog aan dat de bestuurder stapvoets had moeten rijden vanwege het stormachtige weer en dat hij de fietsstrook had moeten gebruiken en niet het middendeel van de weg. Deze betogen falen. Er zijn geen aanwijzingen dat de bestuurder niet de normale oplettendheid in acht heeft genomen of dat hij in de gegeven omstandigheden niet op het middeldeel van de weg had mogen rijden. Het hoger beroep van de Gemeente slaagt niet en het hof bekrachtigt het vonnis.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 08-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0380

Deelgeschil. De vrouw is voor de voordeur van een woning die zij wilde bezoeken in een gat gevallen dat daar was gegraven in verband met werkzaamheden aan de gasleidingen. Zij spreekt de aannemer en onderaannemer aan voor vergoeding van haar letselschade. De rechter oordeelt dat op grond van artikel 6:171 jo. 6:170 BW de onderaannemer aansprakelijk is. Echter hebben er met de onderaannemer nog geen onderhandelingen plaatsgevonden voorafgaand aan het indienen van het onderhavige verzoek tot deelgeschil. Het verzoek van de vrouw om een deelbeslissing van de rechtbank in het geschil met de onderaannemer is naar het oordeel van de rechtbank dan ook te snel ingesteld, omdat geen sprake was van in een impasse geraakte onderhandelingen met de onderaannemer, die met een deelbeslissing van de rechtbank vlot getrokken zouden kunnen worden. Dit levert volgens de rechtbank een grond op voor afwijzing van het verzoek tot deelgeschil. Daarnaast is er nog een andere (zelfstandige) grond om het verzoek af te wijzen. Partijen zijn het er niet over eens of sprake is geweest van onrechtmatige gevaarzetting door de werknemers van de onderaannemer. De toedracht van het ongeval staat dus nog niet vast; hiervoor dienen getuigen te worden gehoord. Het horen van getuigen verdraagt zich niet met het uitgangspunt dat de deelgeschilprocedure eenvoudig, snel en efficiënt moet zijn. Deze twee gronden hebben als gevolg dat het verzoek tot een deelgeschil dient worden afgewezen.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 24-06-2025

Rechtspraak

PS 2025-0377

Tussenvonnis na deskundigenbericht. Werknemer stelt PTSS en een burn-out te hebben opgelopen als gevolg van werkzaamheden in de zorg. Zoals reeds in het vonnis van 1 maart 2023 is overwogen, is de werkgever op grond van artikel 7:658 lid 2 BW jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij zij aantoont dat zij de zorgplicht als bedoeld in artikel 6:658 lid 1 BW niet heeft geschonden. Om de aansprakelijkheid te kunnen vast te stellen is een deskundige benoemd. De vraag ligt voor of het deskundigenbericht gevolgd kan worden ter vaststelling van de medische klachten van de werknemer en de oorzaak daarvan. Uit het deskundigenbericht volgt dat sprake is van PTSS en dat het niet aannemelijk is dat er een PTSS zou zijn ontstaan wanneer werknemer niet bij de werkgever had gewerkt. De werkgever heeft bezwaren tegen het deskundigenbericht. Deze bezwaren worden niet door de kantonrechter gedeeld en zij vindt dat de conclusie van de deskundige logischerwijs volgt uit haar bevindingen. De kantonrechter oordeelt ook dat de werknemer als gevolg van de PTSS schade heeft geleden. De werkgever stelt dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht. Omdat het incident voortkwam uit de beperking van de betreffende cliënt wordt bij de beoordeling uitgegaan van ‘bij door medewerkers en cliënten als bedreigend ervaren gedrag van cliënten ten gevolge van hun handicap’, en niet van het algemene agressieprotocol. Vast is komen staan dat de werknemer niet is ingegaan op de hulp die is aangebonden op basis van dit protocol. Echter heeft de werkgever onvoldoende onderbouwd dat zij heeft voldaan aan het andere protocol ‘Opvang na schokkende en traumatische ervaringen’. Daarbij heeft de werknemer voldoende betwist dat de gevolgde trainingen in de praktijk toepasbaar waren. De werknemer heeft daarom voldoende betwist dat er niet aan de zorgplicht is voldaan. Het is aan de werkgever om te bewijzen dat zij wel aan de zorgplicht heeft voldaan, zij zal worden toegelaten tot het leveren van bewijs waaruit blijkt dat zij de op haar rustende zorgplicht heeft nageleefd.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 28-05-2025

Rechtspraak

PS 2025-0375

Hoge Raad. Mallorcazaak. Er wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat het slachtoffer immateriële schade heeft geleden en dat die schade – door vererving – in aanmerking komt voor vergoeding aan de nabestaanden van het slachtoffer. Het slachtoffer is op Mallorca door uitgaansgeweld om het leven gekomen. De Hoge Raad overweegt dat het slachtoffer door de geweldpleging ‘meteen’ buiten bewustzijn is geraakt, op de grond is blijven liggen en niet meer bij bewustzijn is geweest. Het slachtoffer heeft vijf dagen in comateuze toestand in het ziekenhuis gelegen, waarna hij is overleden. Uit de wetgeschiedenis blijkt dat het recht op vergoeding van immateriële schade een hoogstpersoonlijk recht is in die zin dat de benadeelde zelf beslist of hij hierop aanspraak wenst te maken en daarom zelf moet laten blijken dat hij genoegdoening voor ander nadeel dan vermogensschade wenst, en dat er geen reden is waarom het door het slachtoffer ondergane leed nog tot een vergoedingsplicht leidt ‘als de vergoeding niet meer kan dienen om zijn leed te verzachten of hem genoegdoening te verschaffen’. Volgens de wetgever brengt het ‘bijzondere karakter’ van het recht op immateriële schadevergoeding mee dat deze vergoeding ook ‘daadwerkelijk aan de benadeelde ten goede moet komen, mede omdat hem alleen dan genoegdoening in zijn relatie tot de laedens wordt verschaft’. Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat de regel dat het recht op smartengeld wel onder algemene titel kan overgaan (vererven) als de benadeelde heeft medegedeeld op de vergoeding aanspraak te maken, niet afdoet aan het hoogstpersoonlijk karakter van die aanspraak, nu die regel slechts beoogt te voorkomen dat een onwenselijke stimulans ontstaat voor een trage schadeafwikkeling. Het slachtoffer is zich niet bewust geweest van zijn toestand na de geweldsuitoefening en heeft ook geen kennis kunnen krijgen van het hem toegebrachte leed waarvoor de toekenning van immateriële schadevergoeding een ‘hoogstpersoonlijke’ vorm van compensatie beoogt te verschaffen. Dat brengt in het licht van wat hiervoor over het bijzondere karakter van de aanspraak op immateriële schadevergoeding is overwogen, mee dat niet kan worden gezegd dat het slachtoffer in een geval als dit immateriële schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking kan komen. Het oordeel van het hof is onjuist. Verder wordt er nog geklaagd over de aan de vriendin van het slachtoffer toegewezen materiële schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud. De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit een eerder arrest over schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud. Het hof heeft niet, rekening houdend met bijzonderheden van partijdebat, beoordeeld of de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid is geweest stellingen en onderbouwingen met betrekking tot (de betwisting van) de toewijsbaarheid van vordering genoegzaam naar voren te brengen, en ook niet beoordeeld of zich omstandigheden voordeden die meebrachten dat het hof, door eigen onderzoek te doen, compensatie moest bieden voor eventuele tekortkomingen daarin. Het oordeel van het hof dat het gevorderde bedrag volledig voor toewijzing in aanmerking komt, is niet toereikend gemotiveerd. Verder herhaalt de Hoge Raad ook relevante overwegingen uit een eerdere uitspraak over groepsaansprakelijkheid. Het oordeel van het hof dat de kans op (door ernstig geweld van leden van de groep waarvan verdachte deel uitmaakte) toebrengen van ernstig letsel aan het slachtoffer, alle aan de vechtpartij deelnemende groepsleden, dus ook verdachte, had moeten weerhouden van hun eigen gedragingen in groepsverband, die bestonden uit hun eigen deelname aan het plegen van ernstig geweld tegen leden van groep waarvan het slachtoffer deel uitmaakte, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
Hoge Raad, 08-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0374

Hoge Raad. Mallorcazaak. Er wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat het slachtoffer immateriële schade heeft geleden en dat die schade – door vererving – in aanmerking komt voor vergoeding aan de nabestaanden van het slachtoffer. Het slachtoffer is op Mallorca door uitgaansgeweld om het leven gekomen. De Hoge Raad overweegt dat het slachtoffer door de geweldpleging ‘meteen’ buiten bewustzijn is geraakt, op de grond is blijven liggen en niet meer bij bewustzijn is geweest. Het slachtoffer heeft vijf dagen in comateuze toestand in het ziekenhuis gelegen, waarna hij is overleden. Uit de wetgeschiedenis blijkt dat het recht op vergoeding van immateriële schade een hoogstpersoonlijk recht is in die zin dat de benadeelde zelf beslist of hij hierop aanspraak wenst te maken en daarom zelf moet laten blijken dat hij genoegdoening voor ander nadeel dan vermogensschade wenst, en dat er geen reden is waarom het door het slachtoffer ondergane leed nog tot een vergoedingsplicht leidt ‘als de vergoeding niet meer kan dienen om zijn leed te verzachten of hem genoegdoening te verschaffen’. Volgens de wetgever brengt het ‘bijzondere karakter’ van het recht op immateriële schadevergoeding mee dat deze vergoeding ook ‘daadwerkelijk aan de benadeelde ten goede moet komen, mede omdat hem alleen dan genoegdoening in zijn relatie tot de laedens wordt verschaft’. Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat de regel dat het recht op smartengeld wel onder algemene titel kan overgaan (vererven) als de benadeelde heeft medegedeeld op de vergoeding aanspraak te maken, niet afdoet aan het hoogstpersoonlijk karakter van die aanspraak, nu die regel slechts beoogt te voorkomen dat een onwenselijke stimulans ontstaat voor een trage schadeafwikkeling. Het slachtoffer is zich niet bewust geweest van zijn toestand na de geweldsuitoefening en heeft ook geen kennis kunnen krijgen van het hem toegebrachte leed waarvoor de toekenning van immateriële schadevergoeding een ‘hoogstpersoonlijke’ vorm van compensatie beoogt te verschaffen. Dat brengt in het licht van wat hiervoor over het bijzondere karakter van de aanspraak op immateriële schadevergoeding is overwogen, mee dat niet kan worden gezegd dat het slachtoffer in een geval als dit immateriële schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking kan komen. Het oordeel van het hof is onjuist. Verder wordt er nog geklaagd over de aan de vriendin van het slachtoffer toegewezen materiële schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud. De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit een eerder arrest over schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud. Het hof heeft niet, rekening houdend met bijzonderheden van partijdebat, beoordeeld of de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid is geweest stellingen en onderbouwingen met betrekking tot (de betwisting van) de toewijsbaarheid van vordering genoegzaam naar voren te brengen, en ook niet beoordeeld of zich omstandigheden voordeden die meebrachten dat het hof, door eigen onderzoek te doen, compensatie moest bieden voor eventuele tekortkomingen daarin. Het oordeel van het hof dat het gevorderde bedrag volledig voor toewijzing in aanmerking komt, is niet toereikend gemotiveerd. Verder herhaalt de Hoge Raad ook relevante overwegingen uit een eerdere uitspraak over groepsaansprakelijkheid. Het oordeel van het hof dat de kans op (door ernstig geweld van leden van de groep waarvan verdachte deel uitmaakte) toebrengen van ernstig letsel aan het slachtoffer, alle aan de vechtpartij deelnemende groepsleden, dus ook verdachte, had moeten weerhouden van hun eigen gedragingen in groepsverband, die bestonden uit hun eigen deelname aan het plegen van ernstig geweld tegen leden van groep waarvan het slachtoffer deel uitmaakte, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
Hoge Raad, 08-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0373

Hoge Raad. Mallorcazaak. Er wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat het slachtoffer immateriële schade heeft geleden en dat die schade – door vererving – in aanmerking komt voor vergoeding aan de nabestaanden van het slachtoffer. Het slachtoffer is op Mallorca door uitgaansgeweld om het leven gekomen. De Hoge Raad overweegt dat het slachtoffer door de geweldpleging ‘meteen’ buiten bewustzijn is geraakt, op de grond is blijven liggen en niet meer bij bewustzijn is geweest. Het slachtoffer heeft vijf dagen in comateuze toestand in het ziekenhuis gelegen, waarna hij is overleden. Uit de wetgeschiedenis blijkt dat het recht op vergoeding van immateriële schade een hoogstpersoonlijk recht is in die zin dat de benadeelde zelf beslist of hij hierop aanspraak wenst te maken en daarom zelf moet laten blijken dat hij genoegdoening voor ander nadeel dan vermogensschade wenst, en dat er geen reden is waarom het door het slachtoffer ondergane leed nog tot een vergoedingsplicht leidt ‘als de vergoeding niet meer kan dienen om zijn leed te verzachten of hem genoegdoening te verschaffen’. Volgens de wetgever brengt het ‘bijzondere karakter’ van het recht op immateriële schadevergoeding mee dat deze vergoeding ook ‘daadwerkelijk aan de benadeelde ten goede moet komen, mede omdat hem alleen dan genoegdoening in zijn relatie tot de laedens wordt verschaft’. Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat de regel dat het recht op smartengeld wel onder algemene titel kan overgaan (vererven) als de benadeelde heeft medegedeeld op de vergoeding aanspraak te maken, niet afdoet aan het hoogstpersoonlijk karakter van die aanspraak, nu die regel slechts beoogt te voorkomen dat een onwenselijke stimulans ontstaat voor een trage schadeafwikkeling. Het slachtoffer is zich niet bewust geweest van zijn toestand na de geweldsuitoefening en heeft ook geen kennis kunnen krijgen van het hem toegebrachte leed waarvoor de toekenning van immateriële schadevergoeding een ‘hoogstpersoonlijke’ vorm van compensatie beoogt te verschaffen. Dat brengt in het licht van wat hiervoor over het bijzondere karakter van de aanspraak op immateriële schadevergoeding is overwogen, mee dat niet kan worden gezegd dat het slachtoffer in een geval als dit immateriële schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking kan komen. Het oordeel van het hof is onjuist. Verder wordt er nog geklaagd over de aan de vriendin van het slachtoffer toegewezen materiële schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud. De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit een eerder arrest over schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud. Het hof heeft niet, rekening houdend met bijzonderheden van partijdebat, beoordeeld of de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid is geweest stellingen en onderbouwingen met betrekking tot (de betwisting van) de toewijsbaarheid van vordering genoegzaam naar voren te brengen, en ook niet beoordeeld of zich omstandigheden voordeden die meebrachten dat het hof, door eigen onderzoek te doen, compensatie moest bieden voor eventuele tekortkomingen daarin. Het oordeel van het hof dat het gevorderde bedrag volledig voor toewijzing in aanmerking komt, is niet toereikend gemotiveerd. Verder herhaalt de Hoge Raad ook relevante overwegingen uit een eerdere uitspraak over groepsaansprakelijkheid. Het oordeel van het hof dat de kans op (door ernstig geweld van leden van de groep waarvan verdachte deel uitmaakte) toebrengen van ernstig letsel aan het slachtoffer, alle aan de vechtpartij deelnemende groepsleden, dus ook verdachte, had moeten weerhouden van hun eigen gedragingen in groepsverband, die bestonden uit hun eigen deelname aan het plegen van ernstig geweld tegen leden van groep waarvan het slachtoffer deel uitmaakte, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
Hoge Raad, 08-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0372

Hoge Raad. Mallorcazaak. Er wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat het slachtoffer immateriële schade heeft geleden en dat die schade – door vererving – in aanmerking komt voor vergoeding aan de nabestaanden van het slachtoffer. Het slachtoffer is op Mallorca door uitgaansgeweld om het leven gekomen. De Hoge Raad overweegt dat het slachtoffer door de geweldpleging ‘meteen’ buiten bewustzijn is geraakt, op de grond is blijven liggen en niet meer bij bewustzijn is geweest. Het slachtoffer heeft vijf dagen in comateuze toestand in het ziekenhuis gelegen, waarna hij is overleden. Uit de wetgeschiedenis blijkt dat het recht op vergoeding van immateriële schade een hoogstpersoonlijk recht is in die zin dat de benadeelde zelf beslist of hij hierop aanspraak wenst te maken en daarom zelf moet laten blijken dat hij genoegdoening voor ander nadeel dan vermogensschade wenst, en dat er geen reden is waarom het door het slachtoffer ondergane leed nog tot een vergoedingsplicht leidt ‘als de vergoeding niet meer kan dienen om zijn leed te verzachten of hem genoegdoening te verschaffen’. Volgens de wetgever brengt het ‘bijzondere karakter’ van het recht op immateriële schadevergoeding mee dat deze vergoeding ook ‘daadwerkelijk aan de benadeelde ten goede moet komen, mede omdat hem alleen dan genoegdoening in zijn relatie tot de laedens wordt verschaft’. Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat de regel dat het recht op smartengeld wel onder algemene titel kan overgaan (vererven) als de benadeelde heeft medegedeeld op de vergoeding aanspraak te maken, niet afdoet aan het hoogstpersoonlijk karakter van die aanspraak, nu die regel slechts beoogt te voorkomen dat een onwenselijke stimulans ontstaat voor een trage schadeafwikkeling. Het slachtoffer is zich niet bewust geweest van zijn toestand na de geweldsuitoefening en heeft ook geen kennis kunnen krijgen van het hem toegebrachte leed waarvoor de toekenning van immateriële schadevergoeding een ‘hoogstpersoonlijke’ vorm van compensatie beoogt te verschaffen. Dat brengt in het licht van wat hiervoor over het bijzondere karakter van de aanspraak op immateriële schadevergoeding is overwogen, mee dat niet kan worden gezegd dat het slachtoffer in een geval als dit immateriële schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking kan komen. Het oordeel van het hof is onjuist. Verder wordt er nog geklaagd over de aan de vriendin van het slachtoffer toegewezen materiële schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud. De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit een eerder arrest over schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud. Het hof heeft niet, rekening houdend met bijzonderheden van partijdebat, beoordeeld of de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid is geweest stellingen en onderbouwingen met betrekking tot (de betwisting van) de toewijsbaarheid van vordering genoegzaam naar voren te brengen, en ook niet beoordeeld of zich omstandigheden voordeden die meebrachten dat het hof, door eigen onderzoek te doen, compensatie moest bieden voor eventuele tekortkomingen daarin. Het oordeel van het hof dat het gevorderde bedrag volledig voor toewijzing in aanmerking komt, is niet toereikend gemotiveerd. Verder herhaalt de Hoge Raad ook relevante overwegingen uit een eerdere uitspraak over groepsaansprakelijkheid. Het oordeel van het hof dat de kans op (door ernstig geweld van leden van de groep waarvan verdachte deel uitmaakte) toebrengen van ernstig letsel aan het slachtoffer, alle aan de vechtpartij deelnemende groepsleden, dus ook verdachte, had moeten weerhouden van hun eigen gedragingen in groepsverband, die bestonden uit hun eigen deelname aan het plegen van ernstig geweld tegen leden van groep waarvan het slachtoffer deel uitmaakte, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
Hoge Raad, 08-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0376

Samenvatting van uitspraak in de zaken 8019/16, 43800/14, 28525/20 en 11055/22. Het EHRM oordeelde niet alleen over het neerhalen van MH17 in 2014, maar ook over het conflict dat begon in het oosten van Oekraïne na de aankomst van pro-Russische troepen in 2014, en escaleerde na de grootschalige Russische invasie van Oekraïne vanaf 2022. Het Hof benadrukte dat de aard en omvang van het geweld in Oekraïne en de onheilspellende uitlatingen van Rusland over het bestaansrecht van Oekraïne een bedreiging vormden van vrede in Europa. Het Hof overwoog: ‘In geen van de eerdere [door het Hof beoordeelde] conflicten was er sprake van een dergelijke, vrijwel universele veroordeling van de “flagrante” minachting door de verwerende Staat voor de grondslagen van de internationale rechtsorde die na de Tweede Wereldoorlog tot stand is gekomen.’ De Grote Kamer van het EHRM oordeelde over het conflict in Oekraïne tussen 2014 en 2022 (toen Rusland ophield partij te zijn bij het EVRM) dat er sprake was van systematische schendingen van: artikelen 2 (recht op leven), 3 (verbod van foltering, onmenselijke of vernederende behandeling), 4 § 2 (verbod van dwangarbeid), 5 (recht op vrijheid en veiligheid), 8 (recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven), 9 (vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst), 10 (vrijheid van meningsuiting), 11 (vrijheid van vergadering en vereniging), 13 (recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel) en 14 (verbod van discriminatie) van het EVRM en artikelen 1 (bescherming van eigendom) en 2 (recht op onderwijs) van Protocol Nr. 1 bij het EVRM. Het Hof oordeelde ook, unaniem, dat er sprake was van schendingen van artikelen 2, 3 en 13 EVRM in zaaknr. 28525/20 met betrekking tot het neerhalen van vlucht MH17. Het Hof verwees naar de feiten zoals vastgesteld in het uitgebreide onderzoek dat was uitgevoerd door het Gemeenschappelijk Opsporingsteam (Joint Investigation Team – ‘JIT’) en in het strafvonnis van de rechtbank Den Haag. Rusland heeft nagelaten maatregelen te nemen om het doelwit te verifiëren of om het leven van de inzittenden van het vliegtuig te beschermen, waarmee het blijk gaf van minachting voor burgers die door zijn vijandige activiteiten in gevaar werden gebracht. Rusland heeft ook nagelaten effectief onderzoek in te stellen naar het neerhalen van het vliegtuig en heeft nagelaten met het JIT samen te werken, door onjuiste of verzonnen informatie te verstrekken en pogingen om de oorzaak en omstandigheden van de vliegramp op te helderen te belemmeren. De nabestaanden van de slachtoffers van de vliegramp hebben intens leed ondervonden door de dood van hun dierbaren en de nasleep van de vliegramp. Omdat Rusland weigerde de plaats van de crash veilig te stellen, duurde het acht maanden voordat de lichamen waren geborgen. Sommige nabestaanden moesten onvolledige lichamen van hun dierbaren begraven; in sommige gevallen kregen zij na de begrafenis alsnog lichaamsdelen terug. In twee gevallen zijn de lichamen nog steeds niet geborgen. De voortdurende ontkenning van betrokkenheid door de Russische autoriteiten en het verzuim om een effectief onderzoek in te stellen, hebben het pijnlijke wachten op antwoorden voor de nabestaanden verlengd en hun leed verergerd. De aard en omvang van hun voortdurende leed waren zo ernstig dat dit neerkomt op een onmenselijke behandeling. Ten slotte oordeelde het Hof, unaniem dat Rusland niet had voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 38 van het EVRM (verplichting om noodzakelijke faciliteiten te leveren voor behandeling van de zaak) en ook dat de kwestie van artikel 41 EVRM (billijke genoegdoening) zich nog niet leende voor een beslissing en is uitgesteld. (Er is op dit moment, naast de zaken van Oekraïne/Rusland, één interstatelijke zaak van Nederland/Rusland en er zijn vier individuele verzoekschriften tegen Rusland, ingediend door meer dan 500 familieleden van slachtoffers van MH17, aanhangig bij het Hof.)
Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 09-07-2025