Naar boven ↑
9.017 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0056

De werknemer is in dienst getreden bij een uitzendbedrijf op basis van een uitzendovereenkomst. Het uitzendbedrijf heeft een overeenkomst gesloten met een bemiddelingsbedrijf die bemiddelt tussen toeleveranciers en afnemers ter zake de inkoop van producten en diensten. Op grond van deze overeenkomst is de werknemer tewerkgesteld bij een groothandel als schoonmaker, Deze groothandel had een overeenkomst met een schoonmaakbedrijf, bij de groothandel werkten werknemers van dit schoonmaakbedrijf en van het uitzendbureau. Tijdens de uitoefeningen van zijn schoonmaakwerkzaamheden heeft de werknemer een arbeidsongeval gehad. Hij heeft zijn hoofd gestoten tegen de constructie van de machine terwijl hij onder de lopende band doorging. In de hoofdzaak vordert de werknemer dat het uitzendbedrijf en de groothandel aansprakelijk zijn voor de schade. In de vrijwaringszaak vordert het uitzendbedrijf dat de groothandel en het schoonmaakbedrijf aansprakelijk zijn voor de schade. In de andere vrijwaringszaak vordert de groothandel dat het schoonmaakbedrijf aansprakelijk is voor de schade. De vraag die in de hoofdzaak centraal staat is of het uitzendbureau (als formeel werkgever) en de groothandel (als materieel werkgever) hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de schade die de werknemer stelt te hebben geleden en stelt nog te zullen lijden. De Hoge Raad heeft in het arrest Davelaar/Allspan uitgewerkt wanneer een niet-werkgever, zoals de groothandel, op grond van artikel 7:658 lid 4 BW aansprakelijk is. De kantonrechter overweegt als volgt. Vast staat dat de installaties die de werknemer moest schoonmaken, alsmede de hogedrukslangen waarmee hij dit moest doen, van de groothandel zijn. Voorts staat vast dat de werknemer deze schoonmaakwerkzaamheden op de bedrijfslocatie van het de groothandel uitvoerde. Ter zitting is gebleken dat de groothandel zelf de veiligheidsvoorschriften ten aanzien van het uitvoeren van de schoonmaakwerkzaamheden opstelde en deze aan het uitzendbedrijf doorstuurde en dat dit bedrijf deze vervolgens aan de uitzendkrachten verstrekte. Hieruit volgt dat de groothandel, al dan niet indirect, (mede) zeggenschap had over de veiligheid van de uit te voeren schoonmaakwerkzaamheden. Dat zij het toezicht op en de zeggenschap over de uitvoering van de schoonmaakwerkzaamheden contractueel bij het schoonmaakbedrijf had neergelegd, laat onverlet de invloed die de groothandel (ook) had op de werkomstandigheden van de werknemer en de daaraan verbonden veiligheidsrisico’s. Dat de groothandel de uitvoering van de schoonmaakwerkzaamheden heeft uitbesteed, is weliswaar een begrijpelijke bedrijfsmatige keuze, maar leidt naar het oordeel van de kantonrechter niet tot de conclusie dat deze werkzaamheden niet tot de bedrijfsvoering behoren. Verder acht de kantonrechter van belang dat de schoonmaakwerkzaamheden ten behoeve van het primaire verwerkingsproces bij de groothandel dagelijks moeten plaatsvinden. Naar het oordeel van de kantonrechter kunnen de schoonmaakwerkzaamheden gelet op het voorgaande dan ook worden aangemerkt als werkzaamheden die vallen onder artikel 7:658 lid 4 BW. De kantonrechter oordeelt daarnaast dat er sprake is van een arbeidsongeval en dat de toedracht vaststaat. Nu zowel het uitzendbureau als de groothandel niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij aan hun zorgplicht hebben voldaan zijn zij jegens de man aansprakelijk. In de vrijwaringszaken wordt geoordeeld dat het schoonmaakbedrijf – in de contractuele relatie tot het uitzendbureau – verantwoordelijk was voor de veiligheidsinstructies op de werkvloer en hiermee in de onderlinge verhouding 100% draagplichtig is voor de schade. Ook oordeelt de kantonrechter dat het schoonmaakbedrijf in verhouding tot de groothandel 100% draagplichtig is. De kantonrechter veroordeelt het schoonmaakbedrijf om aan de groothandel datgene te betalen wat zij aan de werknemer moet betalen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 07-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0055

Deze zaak gaat over een kop-staartaanrijding. Het hof heeft in een tussenarrest geoordeeld dat de bestuurder van de achterste auto onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de bestuurder van de voorste auto. De bestuurder van de achterste auto werd uitgenodigd een met stukken onderbouwde schadeberekening in het geding te brengen. Het hof heeft in een tweede tussenarrest het verzoek de zaak naar een schadestaatprocedure te verwijzen verworpen omdat er inmiddels een eindtoestand is bereikt en de gelaedeerde nog één keer de gelegenheid geboden zijn schade deugdelijk te onderbouwen. In het onderhavige arrest stelt het hof de schade vast, gedeeltelijk schattenderwijs. De gelaedeerde vordert een bedrag van € 5.000 aan smartengeld. Het hof acht het op basis van het huisartsjournaal en de brief van de neuroloog aannemelijk dat de gelaedeerde klachten heeft ervaren als gevolg van het ongeval in de vorm van vermoeidheid, nekpijn, hoofdpijn en concentratieproblemen, om deze reden is smartengeld toewijsbaar. Gegeven de door de gelaedeerde hiervoor aangevoerde omstandigheden, acht het hof een smartengeld van € 750 passend en billijk. De gelaedeerde vordert daarnaast een bedrag van € 41.964,88 ter zake van inkomensschade. Hij stelt daartoe dat hij zich als gevolg van het ongeval arbeidsongeschikt heeft moeten melden bij zijn werkgever. Als gevolg daarvan is volgens de gelaedeerde zijn contract voor bepaalde duur (tot 1 augustus 2018), na het verstrijken van die duur niet verlengd. Pas toen hij weer volledig hersteld was, is hij weer in dienst genomen. Dit betekent dat hij vanaf augustus 2018 tot en met mei 2019 geen inkomsten heeft genoten. Het hof overweegt als volgt. Met betrekking tot de periode voor 1 augustus 2018 geldt dat de gelaedeerde op basis van zijn arbeidsovereenkomst tijdens ziekte recht had op doorbetaling van 70% van zijn loon van € 3.600 bruto per maand. Als het hof ervan uitgaat dat hij zich op 20 juni 2018 (de dag van het ongeval) heeft ziek gemeld en zich niet hersteld heeft gemeld voor of op 31 juli 2018 (de laatste dag van zijn arbeidsovereenkomst), betekent dat dat hij gedurende 1,33 maand 30% van zijn loon heeft gemist. De schade bedraagt dan € 1.436,40 bruto. Het hof kan op basis van de overlegde stukken er niet van uit gaan dat de gelaedeerde per 1 augustus 2018 als gevolg van het ongeval niet in aanmerking is gebracht voor ziekengeld of WW-uitkering. In combinatie met het feit dat langdurige arbeidsongeschiktheid als gevolg van de low-impactaanrijding niet aannemelijk is, de neuroloog geen afwijkingen heeft geconstateerd en de prognose goed achtte (hoewel hij uitging van een ongeval met een grotere impact dan zich daadwerkelijk heeft voorgedaan), acht het hof onvoldoende aangetoond dat ook in de periode na 1 augustus 2018 sprake was van relevant inkomensverlies als gevolg van het ongeval. Dit betekent dat het hof het inkomensverlies van de gelaedeerde schattenderwijs zal begroten op € 1.500 bruto. Het hof verklaart tot slot dat de verzekeraar van de laedens ook aansprakelijk is voor de schade aan de auto, schade in de vorm van expertisekosten en voor de kosten van de deelprocedure.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 13-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0055

Deze zaak gaat over een kop-staartaanrijding. Het hof heeft in een tussenarrest geoordeeld dat de bestuurder van de achterste auto onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de bestuurder van de voorste auto. De bestuurder van de achterste auto werd uitgenodigd een met stukken onderbouwde schadeberekening in het geding te brengen. Het hof heeft in een tweede tussenarrest het verzoek de zaak naar een schadestaatprocedure te verwijzen verworpen omdat er inmiddels een eindtoestand is bereikt en de gelaedeerde nog één keer de gelegenheid geboden zijn schade deugdelijk te onderbouwen. In het onderhavige arrest stelt het hof de schade vast, gedeeltelijk schattenderwijs. De gelaedeerde vordert een bedrag van € 5.000 aan smartengeld. Het hof acht het op basis van het huisartsjournaal en de brief van de neuroloog aannemelijk dat de gelaedeerde klachten heeft ervaren als gevolg van het ongeval in de vorm van vermoeidheid, nekpijn, hoofdpijn en concentratieproblemen, om deze reden is smartengeld toewijsbaar. Gegeven de door de gelaedeerde hiervoor aangevoerde omstandigheden, acht het hof een smartengeld van € 750 passend en billijk. De gelaedeerde vordert daarnaast een bedrag van € 41.964,88 ter zake van inkomensschade. Hij stelt daartoe dat hij zich als gevolg van het ongeval arbeidsongeschikt heeft moeten melden bij zijn werkgever. Als gevolg daarvan is volgens de gelaedeerde zijn contract voor bepaalde duur (tot 1 augustus 2018), na het verstrijken van die duur niet verlengd. Pas toen hij weer volledig hersteld was, is hij weer in dienst genomen. Dit betekent dat hij vanaf augustus 2018 tot en met mei 2019 geen inkomsten heeft genoten. Het hof overweegt als volgt. Met betrekking tot de periode voor 1 augustus 2018 geldt dat de gelaedeerde op basis van zijn arbeidsovereenkomst tijdens ziekte recht had op doorbetaling van 70% van zijn loon van € 3.600 bruto per maand. Als het hof ervan uitgaat dat hij zich op 20 juni 2018 (de dag van het ongeval) heeft ziek gemeld en zich niet hersteld heeft gemeld voor of op 31 juli 2018 (de laatste dag van zijn arbeidsovereenkomst), betekent dat dat hij gedurende 1,33 maand 30% van zijn loon heeft gemist. De schade bedraagt dan € 1.436,40 bruto. Het hof kan op basis van de overlegde stukken er niet van uit gaan dat de gelaedeerde per 1 augustus 2018 als gevolg van het ongeval niet in aanmerking is gebracht voor ziekengeld of WW-uitkering. In combinatie met het feit dat langdurige arbeidsongeschiktheid als gevolg van de low-impactaanrijding niet aannemelijk is, de neuroloog geen afwijkingen heeft geconstateerd en de prognose goed achtte (hoewel hij uitging van een ongeval met een grotere impact dan zich daadwerkelijk heeft voorgedaan), acht het hof onvoldoende aangetoond dat ook in de periode na 1 augustus 2018 sprake was van relevant inkomensverlies als gevolg van het ongeval. Dit betekent dat het hof het inkomensverlies van de gelaedeerde schattenderwijs zal begroten op € 1.500 bruto. Het hof verklaart tot slot dat de verzekeraar van de laedens ook aansprakelijk is voor de schade aan de auto, schade in de vorm van expertisekosten en voor de kosten van de deelprocedure.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 13-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0054

Bij vonnis van de meervoudige (straf)kamer is de man veroordeeld voor onder meer het seksueel uitbuiten van de vrouw. De vrouw heeft zich in de voornoemde strafprocedure gevoegd als benadeelde partij en heeft een vordering ingesteld die opgebouwd is uit de volgende posten: (a) afgenomen inkomsten van € 24.910, (b) ontruiming van het gehuurde van € 17.178,02, (c) reiskosten van € 46,28, (d) eigen risico van € 378,95 en (e) immateriële schade van € 30.000. De rechtbank heeft aan immateriële schade een bedrag van € 10.000 toegewezen en heeft het toegewezen bedrag aan afgenomen inkomsten onder meer als volgt gemotiveerd: ‘Rekening houdend met bovenstaande feiten bedraagt een voorzichtige – in het voordeel van de verdachte – begroting van de afgenomen inkomsten 52 x 4 x 80 x 50% = 8.320 euro’. De man is uiteindelijk veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 18.708,60, waarna door de rechtbank is bepaald dat de vrouw in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De rechtbank oordeelt dat de geleden (materiële) schade die zij het onderwerp heeft gemaakt van deze procedure, de schade is die zij heeft geleden doordat de inkomsten die door haar zijn verworven niet aan haar zijn toegekomen, maar door de man zijn geïnd en behouden. Het betreft daarmee geen schade als gevolg van letsel. Omdat het verzoek niet ziet op schade als gevolg van letsel, kan het geschil daarover niet in een deelgeschilprocedure worden voorgelegd.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 14-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0054

Bij vonnis van de meervoudige (straf)kamer is de man veroordeeld voor onder meer het seksueel uitbuiten van de vrouw. De vrouw heeft zich in de voornoemde strafprocedure gevoegd als benadeelde partij en heeft een vordering ingesteld die opgebouwd is uit de volgende posten: (a) afgenomen inkomsten van € 24.910, (b) ontruiming van het gehuurde van € 17.178,02, (c) reiskosten van € 46,28, (d) eigen risico van € 378,95 en (e) immateriële schade van € 30.000. De rechtbank heeft aan immateriële schade een bedrag van € 10.000 toegewezen en heeft het toegewezen bedrag aan afgenomen inkomsten onder meer als volgt gemotiveerd: ‘Rekening houdend met bovenstaande feiten bedraagt een voorzichtige – in het voordeel van de verdachte – begroting van de afgenomen inkomsten 52 x 4 x 80 x 50% = 8.320 euro’. De man is uiteindelijk veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 18.708,60, waarna door de rechtbank is bepaald dat de vrouw in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De rechtbank oordeelt dat de geleden (materiële) schade die zij het onderwerp heeft gemaakt van deze procedure, de schade is die zij heeft geleden doordat de inkomsten die door haar zijn verworven niet aan haar zijn toegekomen, maar door de man zijn geïnd en behouden. Het betreft daarmee geen schade als gevolg van letsel. Omdat het verzoek niet ziet op schade als gevolg van letsel, kan het geschil daarover niet in een deelgeschilprocedure worden voorgelegd.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 14-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0053

Hoge Raad. Doodslag door slachtoffer met vuurwapen door zijn hoofd te schieten en medeplegen van wegvoeren en verbergen van lijk. Het hoger beroep spitst zich toe op het oordeel van het hof omtrent de benadeelde partij ten aanzien van vergoeding van affectieschade. Kan de zus van het slachtoffer worden aangemerkt als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g BW? Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij en haar broer nog geen jaar in leeftijd verschilden. Zij hebben geen gemakkelijke jeugd gehad en kwamen bij hun oma te wonen toen hun ouders in 2017 naar Suriname verhuisden. Vanaf die periode heeft de benadeelde partij een deel van taken overgenomen die bij hun ouders hoorden. Haar broer, die ADHD had, vond bij haar steun die hij van zijn ouders miste. Zij woonden tot aan zijn overlijden onafscheidelijk in gezinsverband samen en waren van plan om na het verhuizen van hun oma samen te blijven. Na overlijden van haar broer heeft de benadeelde partij (i.v.m. zijn overlijden en ook rondom strafzaak) een rol vervuld die past bij bijzondere en hechte affectieve relatie die zij hadden. Op grond van deze vaststellingen heeft hof geoordeeld dat specifieke omstandigheden van de benadeelde partij zo uitzonderlijk zijn dat deze beroep op de ‘hardheidsclausule’ van artikel 6:108 lid 4 onder g BW rechtvaardigen. In het licht van wetsgeschiedenis van artikel 6:107 en 6:108 BW en tegen de achtergrond van wat hiervoor is vooropgesteld, getuigt dat oordeel niet van onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd.
Hoge Raad, 13-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0053

Hoge Raad. Doodslag door slachtoffer met vuurwapen door zijn hoofd te schieten en medeplegen van wegvoeren en verbergen van lijk. Het hoger beroep spitst zich toe op het oordeel van het hof omtrent de benadeelde partij ten aanzien van vergoeding van affectieschade. Kan de zus van het slachtoffer worden aangemerkt als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g BW? Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij en haar broer nog geen jaar in leeftijd verschilden. Zij hebben geen gemakkelijke jeugd gehad en kwamen bij hun oma te wonen toen hun ouders in 2017 naar Suriname verhuisden. Vanaf die periode heeft de benadeelde partij een deel van taken overgenomen die bij hun ouders hoorden. Haar broer, die ADHD had, vond bij haar steun die hij van zijn ouders miste. Zij woonden tot aan zijn overlijden onafscheidelijk in gezinsverband samen en waren van plan om na het verhuizen van hun oma samen te blijven. Na overlijden van haar broer heeft de benadeelde partij (i.v.m. zijn overlijden en ook rondom strafzaak) een rol vervuld die past bij bijzondere en hechte affectieve relatie die zij hadden. Op grond van deze vaststellingen heeft hof geoordeeld dat specifieke omstandigheden van de benadeelde partij zo uitzonderlijk zijn dat deze beroep op de ‘hardheidsclausule’ van artikel 6:108 lid 4 onder g BW rechtvaardigen. In het licht van wetsgeschiedenis van artikel 6:107 en 6:108 BW en tegen de achtergrond van wat hiervoor is vooropgesteld, getuigt dat oordeel niet van onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd.
Hoge Raad, 13-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0052

Strafrecht. Schietpartij op 10 november 2024 in het centrum van Bonaire. Vrijspraak van moord omdat voorbedachte rade niet bewezen kan worden. Bewezenverklaring doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen. Het Gerecht legt een gevangenisstraf voor de duur van dertien jaren op. De moeder van het slachtoffer heeft zich in het strafproces gevoegd. De benadeelde partij vordert $ 20.000 aan immateriële schade voor het leed dat haar is aangedaan. De vraag die het Gerecht moet beantwoorden is of het leed van de moeder van het slachtoffer in deze zaak in juridische zin vertaald kan worden in een schadevergoeding op basis van ‘shockschade’. Voor het Gerecht staat wel vast dat aan de benadeelde partij onbeschrijfelijk leed is toegebracht door de gewelddadige dood van haar zoon. Het is duidelijk dat sprake is van trauma en van een heftige rouwreactie. Het Gerecht kan zich ook voorstellen dat het zien van haar kort daarvoor overleden zoon voor de benadeelde bijzonder pijnlijk moet zijn geweest. Maar dat is niet wat het Gerecht moet beoordelen. De vraag die het Gerecht moet beantwoorden, is of voldoende is komen vast te staan dat sprake is van geestelijk letsel dat door de confrontatie is ontstaan. Het Gerecht kan dat op basis van de huidige informatie niet vaststellen. Het Gerecht overweegt verder nog het volgende. Juist in verband met situaties als deze is in Europees Nederland de mogelijkheid ingevoerd om affectieschade te vorderen. Affectieschade is kort gezegd immateriële schade die bestaat uit het verdriet dat wordt veroorzaakt door het overlijden van een naaste als gevolg van een gebeurtenis waarvoor iemand anders aansprakelijk is. Onder het huidige Bonairiaanse recht is echter geen vergoeding mogelijk op grond van affectieschade. Hoewel het Gerecht bekend is met de omstandigheid dat de wetgever overweegt ook op de BES toekenning van affectieschade mogelijk te maken, gaat het de rechtsvormende taak van het Gerecht te buiten om nu al, zonder wettelijke basis, affectieschade toe te kennen. Hoe zuur dit voor de benadeelde ook is.
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 17-07-2025