Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0400

Vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten in een letselschadezaak. Op 1 mei 2022 zijn de bestuurder en de passagier betrokken geraakt bij een eenzijdig verkeersongeval. Zij hebben beiden letsel opgelopen. Voor het verhaal en de afwikkeling van de schade hebben zij zich gewend tot de broer van de passagier die werkzaam is bij het juridisch adviesbureau. In oktober 2023 is er met de verzekeraar een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen waarin onder andere wordt bepaald dat de verzekeraar de redelijke buitengerechtelijke kosten zoals bedoeld in artikel 6:69 BW betaalt. Het juridisch adviesbureau vordert dat de verzekeraar haar facturen betaalt. Achmea Schadeverzekeringen betwist dat het adviesbureau deskundige bijstand heeft verleend. Het is aan het bureau om te stellen en onderbouwen dat zij deskundig is op het gebied van personenschade. Dit heeft zij niet gedaan. Ten tweede is betwist dat de bestuurder en de passagier gehouden waren een vergoeding aan de broer te betalen voor de door hem verleende bijstand, zodat niet is vast komen te staan dat op dit punt sprake is van door bestuurder en passagier geleden vermogensschade in de zin van artikel 6:96 BW. In de derde plaats wordt betwist dat het gehanteerde uurtarief van € 170 redelijk is. Er is niet onderbouwd dat de broer een juridische opleiding heeft afgerond en/of dat hij over relevante ervaring of specialistische kennis op het gebied van personenschade beschikt. Ook overigens voldoen de opgevoerde kosten niet aan de dubbele redelijkheidstoets. Er is sprake van onnodige besprekingen, te hoge reiskosten en dubbel in rekening gebrachte kosten voor hetzelfde verkeersongeval. Het adviesbureau heeft geen onderbouwing gegeven over haar punt dat de kosten redelijk waren. Dit leidt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat sprake is van vermogensschade in de vorm van redelijke buitengerechtelijke kosten, zodat de vordering moet worden afgewezen.
Rechtbank Gelderland (Locatie Apeldoorn), 09-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0398

Tussen de werknemer en de werkgever heeft van 1 februari 2022 tot en met 30 april 2024 een arbeidsovereenkomst bestaan. Op 12 december 2023 is de werknemer onder werktijd ten val gekomen. Dat gebeurde toen hij in de metro stapte waarmee hij naar zijn volgende werkafspraak wilde reizen. Zijn linkervoet is na de val tussen de deuren van de metro gekomen, waardoor de enkel beschadigd is geraakt. De werknemer is hieraan geopereerd. De kantonrechter oordeelt dat een ongeval als dit, waarbij iemand zonder duidelijke aanleiding ten val komt, is aan te merken als een huis-tuin-en-keukenongeval, dat iedereen zou kunnen overkomen. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever voldoende heeft gesteld waaruit volgt dat op haar geen zorgplicht rust om een ongelukkig ongeval zoals dit te voorkomen. De werknemer stelt dat er sprake is geweest van een bijzondere drukte, de werkgever heeft dit gemotiveerd weersproken. Van de door de werknemer gestelde drukte en daarbij behorende stress is dus niet gebleken, laat staan dat is komen vast te staan dat dit de reden is geweest voor een extra kans op een ongeval zoals dat zich hier heeft voorgedaan. Niet valt in te zien op welke manier de werkgever de werknemer had moeten instrueren om te voorkomen dat hij ten val zou komen na een oproep om naar een volgend adres te komen. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever ook niet op grond van artikel 7:611 BW, in combinatie met artikel 6:248 BW, aansprakelijk is. Naar het oordeel van de kantonrechter is een val zoals deze geen ‘bij de werkgever bekend, specifiek en ernstig gevaar voor de werknemer’. De kantonrechter overwoog hiervoor al dat een val als deze iedereen kan overkomen en een huis-tuin-en-keukenongeval is. Daarnaast kan sprake zijn van aansprakelijkheid als de werkgever had moeten zorgen voor een behoorlijke verzekering. Deze verzekeringsplicht bestaat niet voor de situatie dat een werknemer een eenzijdig ongeval overkomt als voetganger, de kantonrechter oordeelt dat in deze zaak deze uitzondering geldt. De vorderingen van de werknemer worden afgewezen.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 11-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0396

Raad van Discipline. Een advocaat, werkzaam als letselschadespecialist, heeft in augustus 2024 op LinkedIn een bericht geplaatst. Hierin sprak hij over wurgcontracten bij inschakeling van een bepaalde letselschadespecialist met daarbij een opdrachtbevestiging die door deze letselschadespecialist wordt gehanteerd. De letselschadespecialist heeft een klacht ingediend tegen de advocaat bij de deken. Deze klacht houdt in dat de advocaat tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door onder andere op sociale media tendentieuze, lasterlijke en smadelijke uitlatingen te doen. De Raad van Discipline oordeelt dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat in het gewraakte LinkedIn-bericht feiten worden gesteld waarvan de advocaat wist of behoorde te weten dat deze onjuist waren. Naar het oordeel van de raad bieden de door advocaat aangehaalde rechterlijke uitspraken en de tekst van de door de letselschadespecialist gehanteerde opdrachtbevestiging in voldoende mate feitelijke grondslag voor de gewraakte uitlatingen van de advocaat. De advocaat is daarnaast niet gehouden tot het noemen van de naam van de cliënt die hem heeft benaderd, omdat hij met het prijsgeven van die naam in strijd zou handelen met de op hem rustende geheimhoudingsplicht. De raad acht voorstelbaar dat de letselschadespecialist onaangenaam is getroffen door de inhoud van het LinkedIn-bericht en de reacties daarop, maar dat betekent nog niet dat de advocaat tendentieuze, grievende en misleidende uitlatingen heeft gedaan. De raad overweegt voorts dat ‘laster’ en ‘smaad’ strafrechtelijke kwalificaties betreffen, terwijl de tuchtrechter niet de bevoegdheid heeft om te oordelen over de vraag of al dan niet van strafrechtelijk handelen sprake is. De raad zal zich, voor zover de letselschadespecialist de advocaat verwijt lasterlijke en smadelijke uitlatingen te hebben gedaan, dan ook onbevoegd verklaren.
Raad van Discipline 's-Hertogenbosch, 04-08-2025

Rechtspraak

PS 2025-0395

Deelgeschil. Een vrouw volgt sinds 2021 een mbo-opleiding tot sportdocente. In het kader van deze opleiding heeft de vrouw in 2022 deelgenomen aan een introductieles tackelen, als onderdeel van de module Rugby. Tijdens de les heeft de vrouw met haar docent de tackle geoefend. Tijdens de tweede tackle heeft zij letsel aan haar vinger opgelopen. De rechtbank overweegt dat beoordeeld moet worden of de docent zijn zorgplicht heeft geschonden. Voor het invullen van deze zorgplicht is van belang dat het hier gaat om bewegingsonderwijs. Hierbij geldt in beginsel een zwaardere zorgplicht. De school en haar verzekeraar hebben wel terecht aangevoerd dat van een leerling van de mbo-opleiding wel weer meer mag worden verwacht dan van een leerling tijdens een reguliere gymles op school. De rechtbank bespreekt de fase van nazorg niet omdat in dit geval dit geen invloed heeft gehad op de schade die de vrouw heeft geleden; de noodzakelijke causaliteit ontbreekt, wat ook door de vrouw zelf is erkend. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van de medeleerlingen van de vrouw omdat zij in de kern en op belangrijke punten overeenkomen. De verklaringen zijn in eigen woorden en met verschillende handschriften opgeschreven en komen over als authentiek en individueel ingevuld. De vrouw heeft ter zitting toegelicht dat het schooljaar net was begonnen en dat zij haar medeleerlingen nog maar net kende, zodat het niet gaat om verklaringen van vrienden die niet onpartijdig zouden kunnen zijn. Uit deze verklaringen volgt consequent een gelijkluidend verhaal over de toedracht, namelijk dat de vrouw werd getackeld door de docent en niet, zoals de docent stelt, dat hij werd getackeld door de vrouw. De rechtbank oordeelt dat de docent niet heeft gehandeld als een redelijk handelend en redelijk bekwaam docent. Zowel in de voorfase als tijdens de uitvoering heeft de docent steken laten vallen. Ten eerste is onvoldoende gecontroleerd of de leerlingen het juiste schoeisel droegen. Ten tweede heeft de docent ervoor gekozen om met de vrouw de voorbeeldtackle uit te voeren, terwijl de vrouw onervaren was in de rugbysport en qua postuur verschilt van de docent. Daarbij was er sprake van een lacherige sfeer waarbij de docent werd opgejut door een aantal leerlingen en er minder concentratie was. Ondanks deze omstandigheden koos de docent ervoor de tackle – waaraan risico’s zijn verboden – toch op dat moment met de vrouw voor te doen. Dat had hij gelet op de onvoldoende veilige omstandigheden niet moeten doen. Vervolgens liep het ook daadwerkelijk fout bij de tweede snelle tackle. Vrijwel alle leerlingen hebben namelijk verklaard dat de docent op de vrouw is gevallen. Dat hoort niet bij een goed uitgevoerde tackle. De fout die de docent gemaakt heeft, lijkt in te zijn gegeven door de hiervoor genoemde omstandigheden. De docent had de situatie beter moeten inschatten (in de voorfase) en de tackle anders moeten uitvoeren (in de uitvoerende fase). De school is op grond van artikel 6:170 BW (risico)aansprakelijk. De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden. Voor recht verklaren dat de ‘volledige schade’ moet worden vergoed doet de rechtbank niet, omdat de precieze vergoedingsplicht en de omvang van de schade nog niet kan worden beoordeeld.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 02-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0393

Deelgeschil. In 2023 heeft een aanvaring plaatsgevonden op het Amstelmeer tussen een windsurfer en een bestuurder van een waterscooter. De windsurfer heeft hierbij letsel opgelopen aan onder meer zijn been. De windsurfer verzoekt dat de rechtbank verklaart dat de bestuurder van de waterscooter en/of zijn verzekeraar aansprakelijk is/zijn voor de volledige schade. De bestuurder en zijn verzekeraar voeren aan dat er sprake is van eigen schuld aan de kant van verzoeker. Volgens hen was er sprake van een oplopende koers, waardoor de windsurfer zich er op grond van artikel 6.09 BPR bij het inhalen van de waterscooter van had moeten vergwissen dat dit veilig kon. Verder surfde de windsurfer volgens hen met meer dan vier keer de toegestane snelheid over het meer terwijl hij door zijn grote zeil slecht zicht had. Uit de situatieschets blijkt naar het oordeel van de rechtbank echter dat er sprake is geweest van een kruisende koers. Op de situatieschets is namelijk te zien dat de windsurfer duidelijk van links kwam voor de waterscooter, niet van (schuin) achteren. Dat er sprake was van een kruisende koers betekent dat de bestuurder van de waterscooter op grond van artikel 6.17 lid 9 BPR voorrang had moeten verlenen aan de windsurfer. Dit heeft hij nagelaten, zodat de fout die heeft geleid tot het ongeval bij hem ligt. Met de verwerende partijen is de rechtbank van oordeel dat de windsurfer op grond van het goed zeemanschap – zoals opgenomen in artikel 1.04 BPR – ook oplettend had moeten zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft hij dat onvoldoende gedaan. De windsurfer surfde vier keer sneller dan voor andere vaartuigen is toegestaan. Hiermee heeft hij een verhoogd risico genomen. Er is dus sprake van enige mate van eigen schuld. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat 90% van de schade voor rekening van de bestuurder van de waterscooter moet komen en 10% van de schade voor rekening van de windsurfer zelf. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een billijkheidscorrectie.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 31-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0392

In 2017 is tijdens een cursusavond toprope klimmen in een klimhal een vrouw van twaalf meter hoogte gevallen waardoor zij fracturen heeft opgelopen aan haar voeten en benen. De vrouw heeft de exploitant van de klimhal aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval. De exploitant heeft de aansprakelijkheid niet erkend. In eerste aanleg is geoordeeld dat de exploitant geen gevaarzettende situatie in het leven heeft geroepen en dat niet kan worden vastgesteld dat de exploitant zich naar maatstaven van maatschappelijke zorgvuldigheid anders had behoren te gedragen dan zij heeft gedaan. Tegen dit vonnis is de vrouw in hoger beroep gegaan. Net als de rechtbank oordeelt het hof dat de algemene voorwaarden waarop door de exploitant een beroep wordt gedaan niet van toepassing zijn. Het gerechtshof past vervolgens de Kelderluik-criteria toe en komt tot het oordeel dat de exploitant en haar instructeurs bij het leidinggeven zijn tekortgeschoten in de zorg die van hen jegens de vrouw als deelnemer aan de cursus kon worden gevergd. Het was waarschijnlijk dat de vrouw de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid niet in acht zou nemen. Verder was de kans dat uit de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid door de vrouw ongevallen zouden ontstaan met ernstige gevolgen, zéér groot. Het nemen van veiligheidsmaatregelen die – juist met het oog op deze risico’s – in de gegeven omstandigheden getroffen hadden moeten zijn, was niet onmogelijk of te bezwaarlijk. Het doel van deze cursus, te weten het leren om zelfstandig te klimmen en te zekeren waarbij een geleidelijke overdracht van verantwoordelijkheid plaatsvindt, bracht ook niet mee dat het treffen van maatregelen onmogelijk of te bezwaarlijk was. Dit cursusdoel vereiste immers niet dat cursisten – jegens wie een zorgplicht bestaat en die vertrouwen op de instructeurs vanwege een kennis- en ervaringsasymmetrie en afhankelijkheidspositie – bloot werden gesteld aan onnodige risico’s (wat nu wel is gebeurd).
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 19-08-2025