Strafrecht. Veroordeling tot een gevangenisstraf van dertig jaar voor de voortgezette handeling van het medeplegen van moord en het medeplegen van voorbereiding van moord en voor het medeplegen van poging tot moord en het medeplegen van voorbereiding van moord. De weduwe, kinderen en ouders van het overleden slachtoffer krijgen een bedrag in het kader van affectieschade toegekend. De weduwe en een zoon van het slachtoffer hebben schadevergoeding wegens shockschade gevorderd. De verdediging heeft betwist dat er sprake was van de voor shockschade vereiste confrontatie. Naar het oordeel van het hof brengt het horen dat je echtgenoot of vader volstrekt onverwacht is vermoord, vanzelfsprekend een hevige emotionele schok met zich. Het hof acht dus de omstandigheden bezien vanuit het eerste en het derde gezichtspunt (geformuleerd door de Hoge Raad) zo zwaarwegend dat verdachte en zijn mededaders naar het oordeel van het hof – ook als de betwiste confrontaties niet bij de beoordeling worden betrokken en het tweede gezichtspunt dus slechts een beperkte indicatie voor onrechtmatigheid geeft – onrechtmatig hebben gehandeld jegens de weduwe en het kind. De weduwe krijgt echter geen schadevergoeding toegekend omdat het hof niet met voldoende mate van zekerheid kan vaststellen dat zij geestelijk letsel heeft geleden ten gevolge van de hevige emotionele schok. De zoon heeft medische informatie ingebracht. Hieruit blijkt naar het oordeel van het hof dat zijn psychische klachten niet uitsluitend door de hevige emotionele schok zijn veroorzaakt, maar tevens verband houden met het gemis van zijn vader en met praktische zaken die het gevolg zijn van het overlijden van zijn vader. Het hof schat, gelet op het voorgaande en rekening houdend met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen voor shockschade, dat de door de zoon geleden immateriële shockschade € 10.000 bedraagt. De vorderingen tot schadevergoeding wegens shockschade van de andere twee kinderen van het slachtoffer worden niet-ontvankelijk verklaard omdat voldoende onderbouwing ontbreekt. De weduwe en de kinderen hebben daarnaast ook elk een bedrag voor gederfd levensonderhoud gevorderd. Het hof is van oordeel dat op basis van het dossier zonder meer kan worden vastgesteld dat in ieder geval de weduwe en twee van de kinderen schade in de vorm van gederfd levensonderhoud hebben geleden en dat verdachte en zijn medeverdachten gehouden zijn deze schade te vergoeden. Het hof is van oordeel dat een aantal belangrijke door de deskundige gehanteerde uitgangspunten niet onredelijk zijn en dat een eventuele onjuistheid in die uitgangspunten slechts in beperkte mate effect heeft voor de berekening van de schade. Het hof overweegt dat ten aanzien van een aantal uitgangspunten die aan de berekeningen en daarmee aan de vorderingen ten aanzien van het gederfd levensonderhoud ten grondslag liggen, gezien hun betwisting, een nadere onderbouwing en/of nader onderzoek noodzakelijk zijn. Naar het oordeel van het hof zou het een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren als in deze procedure de gelegenheid wordt geboden voor het inbrengen van onderbouwingen en/of het doen van nader onderzoek. Het hof gebruikt nu scenario 3, het voorzichtigste scenario vanuit het oogpunt van de verdachte, en schat de schade wegens gederfde levensonderhoud per persoon.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 10-07-2025