Naar boven ↑
8.615 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0150

Een werkneemster is in 2021 tijdens haar werkzaamheden ten val gekomen op een trap in het bedrijfspand van de werkgever. Zij vordert nu een verklaring voor recht dat de werkgever aansprakelijk is voor haar schade en dat de werkgever haar schade moet vergoeden. Volgens haar werden er ten tijde van het ongeval verbouwingswerkzaamheden verricht en was de trap glad door stof en/of gruis. De kantonrechter heeft bij tussenvonnis de werkgever toegelaten te bewijzen wat de staat van de trap was ten tijde van het ongeval en dat deze niet glad was door stof en/of gruis als gevolg van de verbouwingswerkzaamheden. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat de staat van de trap relevant is voor de vraag of de werkgever als werkgever aan haar zorgplicht heeft voldaan. De werkgever komt van deze beslissing in het tussenvonnis in beroep. Het hof overweegt dat de kantonrechter geen onjuiste maatstaf heeft toegepast. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat het gebruikmaken van een gewone vaste trap in een bedrijfspand op zichzelf genomen geen activiteit is die noopt tot het geven van nadere instructies of het treffen van nadere of specifieke maatregelen. Dit zou anders kunnen zijn als de trap, bijvoorbeeld als gevolg van de specifieke inrichting of het materiaal daarvan, de omstandigheden waaronder moest worden gewerkt of door vervuiling met stof en/of gruis, een meer dan alledaags risico in het leven zou roepen. In dit geval is in geschil of de trap ten tijde van het ongeval glad was geworden als gevolg van verbouwingswerkzaamheden en daardoor een meer dan alledaags risico aan de orde was. Bij deze stand van zaken en gezien de op de werkgever rustende bewijslast, heeft de kantonrechter terecht overwogen dat het van belang is dat duidelijkheid wordt verkregen over de staat van de trap ten tijde van het ongeval, omdat mede daarvan afhangt of zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. Overeenkomstig haar bewijsaanbod is de werkgever de gelegenheid gegeven te bewijzen wat de staat van de trap was ten tijde van het ongeval, alsmede om haar (primaire) stelling te bewijzen dat de trap niet glad was door stof en/of gruis als gevolg van de verbouwingswerkzaamheden. Afhankelijk van de uitkomst zal vervolgens beoordeeld moeten worden of de door de werkgever getroffen maatregelen voldoende zijn geweest ter vervulling van de op haar rustende zorgplicht. Op die uiteindelijke afweging kan thans nog niet worden vooruitgelopen. De zaak wordt verwezen naar de kantonrechter voor verdere behandeling en beslissing.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 16-09-2025

Rechtspraak

PS 2026-0149

In 2018 heeft een ongeval plaatsgevonden tussen een Kia Picanto en een Renault Megane. De Renault is met de rechtervoorzijde gebotst op de linkerachterzijde van de Kia Picanto die op de linkerwegstrook reed en krachtig had afgeremd. In eerste aanleg is geoordeeld dat de WAM-verzekeraar van de Kia Picanto aansprakelijk is voor de schade ontstaan uit het ongeval en de rechtbank heeft haar veroordeeld om de betalingen die de WAM-verzekeraar van de Renault Megane al heeft gedaan naar aanleiding van het ongeval terug te betalen. In hoger beroep wordt er gesteld door de WAM-verzekeraar van de Kia Picanto dat er sprake was van een onvermijdelijke noodstop als gevolg van het feit dat een hond de weg overstak. Het hof is het eens met het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken van de noodzaak om een noodstop te maken op een snelweg waar beide auto’s met een snelheid van 130 kilometer per uur reden. Het enkele feit dat er een hond op of in de buurt van de weg liep is daartoe niet voldoende. Plotseling hard remmen en (vrijwel) tot stilstand komen op een autosnelweg waar met hoge snelheid wordt gereden is gevaarlijk rijgedrag en in beginsel onrechtmatig, tenzij komt vast te staan dat er in redelijkheid geen andere mogelijkheid bestond. Daarvan is hier niet gebleken. De bewijslast rust op de partij die zich op deze uitzondering beroept. Er zijn echter geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken waaruit de noodzaak als vorenbedoeld kan volgen. Uit de omstandigheden dat de bestuurder van de Kia Picanto niet over een geldig rijbewijs beschikte en alcohol had gedronken (volgens zijn verklaring bij de politie een uur voor het ongeval twee blikjes bier) leidt het hof bovendien (los van het vorenstaande) het vermoeden af dat aannemelijk is dat deze bestuurder gevaarlijk dan wel onvoorzichtig rijgedrag heeft vertoond, waardoor het ongeval is veroorzaakt en de WAM-verzekeraar te weinig heeft gesteld om dit vermoeden te ontzenuwen. Het hof is het ook eens met de verwerping van de rechtbank van het beroep op eigen schuld van de bestuurder van de Renault. Omdat de bestuurder van de Renault werd geconfronteerd met een plotseling zeer hard remmende Kia kan van eigen schuld van de bestuurder van de Renault geen sprake zijn. Niet gebleken is dat de bestuurder, gegeven het plotseling hard afremmen op de snelweg door de Kia, onvoldoende afstand heeft gehouden of op een andere manier onvoorzichtig is geweest. Dat de bestuurder op de linkerrijbaan reed is ook geen omstandigheid die tot het aannemen van eigen schuld aanleiding kan geven. Ook het feit dat de bestuurder van de Renault een hond heeft zien lopen, levert geen grond op voor eigen schuld. Dat zou pas het geval kunnen zijn als deze bestuurder zijn rijgedrag niet tijdig heeft aangepast. Feiten die daarop zouden kunnen wijzen zijn niet gebleken. Uit de producties volgt ook niet dat de bestuurder van de Renault (heeft verklaard dat hij) al vóór de aanrijding had gezien dat er een hond op de weg liep. Het hoger beroep slaagt niet.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 29-07-2025

Rechtspraak

PS 2026-0148

In 2014 is de bestuurder van een snorfiets bij een verkeersongeval gewond geraakt (botbreuk bovenkant scheenbeen in het rechter kniegewricht). Hiervoor is de man geopereerd. De WAM-verzekeraar van de wederpartij heeft aansprakelijkheid erkend. Aan hem is tot op heden € 500.000 als voorschot op de schade betaald. Over de medische situatie en over de beperkingen die daarvan het gevolg zijn, bestaat tussen partijen geen geschil. Wat hen verdeeld houdt is welke schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen en in welke omvang. De rechtbank gaat iedere afzonderlijke schadepost af. De rechtbank overweegt over de schadepost verminderd arbeidsvermogen dat partijen na dit tussenvonnis over voldoende gegevens beschikken om de zaak met elkaar te kunnen afhandelen zonder dat de rechtbank het uiteindelijke bedrag in een eindvonnis moet opnemen. Mochten partijen daartoe echter niet in staat zijn, of om een andere reden wensen dat de rechtbank het totale schadebedrag en de overige kosten die voor vergoeding in aanmerking komen (waaronder proceskosten) in een vonnis opneemt, dan zal de rechtbank hieraan uiteraard gevolg geven. Omtrent de huishoudelijke hulp overweegt de rechtbank dat dit geen schadepost betreft die voor vergoeding in aanmerking komt. De man heeft enkel verwezen naar de Richtlijn huishoudelijke hulp van De Letselschade Raad, maar onderbouwt onvoldoende dat hij daadwerkelijk schade lijdt doordat er extra kosten ter zake huishoudelijke hulp zijn gemaakt. Bij de schadepost smartengeld hanteert de rechtbank de Rotterdamse schaal en overweegt dat een vergoeding van € 58.500 op dit punt passend is. Verder gaat de rechtbank nog in op een aantal materiële schadeposten, waaronder de toekomstige kosten voor personal training voor de man. Die kosten komen volgens de rechtbank voor vergoeding in aanmerking, mede om aan zijn fysieke klachten te kunnen werken en zijn belastbaarheid zo optimaal mogelijk te maken.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 25-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0147

Het slachtoffer is in 2008, toen hij 3 jaar oud was, door een auto aangereden. De WAM-verzekeraar heeft de aansprakelijkheid van haar verzekerde voor de gevolgen van het ongeval erkend. De WAM-verzekeraar heeft € 18.500 (inclusief € 7.500 aan kosten) vergoed. In deze procedure gaat het om de vraag of het slachtoffer– bovenop hetgeen de WAM-verzekeraar aan schade heeft vergoed – schade heeft geleden als gevolg van het ongeval. De rechtbank heeft – nadat eerst een deskundigenbericht is ingewonnen – de door de WAM-verzekeraar gevorderde verklaring voor recht toegewezen en de vorderingen van het slachtoffer afgewezen. Het slachtoffer heeft net als in de rechtbankprocedure ook in hoger beroep aangevoerd dat hij niet in de gelegenheid is geweest om, net als de WAM-verzekeraar, een medisch adviseur in te schakelen om het (concept)rapport van de deskundige te laten beoordelen. De WAM-verzekeraar heeft namelijk geweigerd de kosten van de medisch adviseur voor deze beoordeling te betalen. Het hof volgt het slachtoffer hierin niet. Naar het oordeel van het hof volgt uit de inhoud van de reactie van het slachtoffer dat ten minste dat een medisch adviseur het conceptrapport heeft bestudeerd en een inhoudelijke reactie daarop kenbaar heeft gemaakt aan de advocaat van het slachtoffer. Maar zelfs als moet worden aangenomen dat de terugkoppeling van de medisch adviseur niet als een volwaardig medisch advies kan worden gekwalificeerd, gaat het standpunt van het slachtoffer niet op. Niet kan worden gesteld dat de WAM-verzekeraar wist van de gestelde onmogelijkheid van betaling. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat sprake is van een aan de WAM-verzekeraar te verwijten oneerlijke procedurele gang van zaken. Het hof gaat net als de rechtbank uit van de conclusies van de deskundige en dat, nu er geen sprake is van licht traumatisch hersenletsel, er geen grond is om een neuropsychologisch onderzoek te laten doen naar de (neuropsychologische) gevolgen van het ongeval. Het hof beslist dat de bezwaren van het slachtoffer tegen de beslissing van de rechtbank niet opgaan. Het eindvonnis van de rechtbank blijft in stand.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 10-03-2026

Rechtspraak

PS 2026-0145

Verwijzing na cassatie door de Hoge Raad. De bestuurder heeft in 2014 onder invloed van alcohol met de auto van zijn ouders een ongeval veroorzaakt waardoor de inzittende van de auto schade heeft geleden. De verzekeraar wil het bedrag dat zij als schadevergoeding heeft uitgekeerd aan de inzittende van de auto verhalen op de bestuurder. De verzekeraar kan de schadevergoeding op de bestuurder verhalen als hij niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt. De vraag is of dat het geval is. Het hof Den Haag is na verwijzing van oordeel dat de bestuurder gelet op de volgende feiten en omstandigheden goede reden had om te twijfelen over de vraag of zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt. Bestuurder heeft de auto zonder toestemming van zijn ouders gebruikt. Hij is schuldig aan het veroorzaken van een ongeval met letsel, terwijl hij onder invloed was van te veel alcohol. Het was niet de eerste keer dat de bestuurder voor het rijden onder invloed is bestraft. Hij besefte dat hij in de staat waarin hij verkeerde niet in de auto mocht rijden, dat dit onverstandig was, niet was toegestaan en (mogelijk) strafbaar was. Ook geeft het hof aan dat verzekeraars steeds vaker uitsluitingsclausules in geval van alcoholgebruik opnemen in verzekeringsvoorwaarden. Gelet op de overwegingen van de Hoge Raad mocht de bestuurder niet te goeder trouw aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt. Dat leidt tot het oordeel dat de verzekeraar de schadevergoeding die zij aan de inzittende heeft betaald op grond van artikel 15 lid 1 WAM in beginsel op de bestuurder kan verhalen. Wel komt de daarbij opgetreden letselschade gedeeltelijk voor eigen rekening van de inzittende, gelet op de aan hem toe rekenen omstandigheid dat hij uit eigen beweging is meegereden met de bestuurder terwijl hij, mede gelet op de waarschuwingen die hij van derden had gekregen, wist of had moeten beseffen dat de bestuurder – zwaar – onder invloed van alcohol was en dat het gevaarlijk was dat hij in die staat een auto ging besturen. Het hof acht een percentage van 35%, met inbegrip van een billijkheidscorrectie vanwege de ernst van het letsel, reëel.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 03-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0143

Op 16 augustus 2023 hebben partijen een auto-ongeluk gehad, waarbij de bestuurder langs de gehele zijkant van de auto van de man is geschampt, dan wel aangereden. Tijdens de mondelinge behandeling van het deelgeschil heeft de rechtbank in overleg met partijen besloten dat een getuigenverhoor zou moeten worden gelast om meer opheldering te krijgen over de toedracht. De man heeft tijdens het getuigenverhoor onder ede verklaard dat hij ten tijde van de aanrijding in de auto zat. De bestuurder heeft tijdens het getuigenverhoor onder ede verklaard dat hij de man direct na de aanrijding buiten de bus heeft zien staan bellen. Met de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht per 1 januari 2025, is de beperkte bewijskracht van een partijgetuigenverklaring afgeschaft. Aan de partijgetuigenverklaring van de man komt daarom vrije bewijskracht toe net als aan de verklaring van de bestuurder, die als gewone getuige wordt gezien. De rechtbank ziet geen reden om af te wijken van deze nieuwe regeling en zal geen beperkte bewijskracht toekennen aan de verklaring van de man. De verklaring van de man vindt steun in de door hem overgelegde stukken. Dit geldt niet voor de verklaring van de bestuurder. Daarom zijn, met de door de man onder ede afgelegde verklaring en de door hem overgelegde stukken, voldoende feiten en omstandigheden komen vast te staan waaruit kan worden afgeleid dat hij ten tijde van het ongeval van 16 augustus 2023 in de auto zat. De man heeft in dit deelgeschil geen verzoek ingediend om de hoogte van de door de man geleden letselschade vast te stellen, zodat de rechtbank zich daar niet over uit zal laten.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 12-11-2025

Rechtspraak

PS 2026-0142

Een man was werkzaam als uitzendkracht. Hij verbleef in een vakantiewoning, die hij huurde van zijn werkgever, een uitzendorganisatie. De woning was door de eigenaar verhuurd aan een verhuurbedrijf die op haar beurt de woning had onderverhuurd aan de uitzendorganisatie. Als gevolg van een val van de trap bij die woning heeft de werknemer letsel opgelopen. De werknemer heeft de uitzendorganisatie aansprakelijk gesteld. De uitzendorganisatie heeft de aansprakelijkstelling doorgestuurd naar de aansprakelijkheidsverzekeraar van de eigenaar en de verhuurder. Deze aansprakelijkheidsverzekeraar heeft aansprakelijkheid afgewezen omdat volgens de verzekeraar niet vaststaat dat er ten tijde van het ongeval sprake was van een losliggende steen en niet is aangetoond dat de werknemer ten val is gekomen als gevolg van een losliggende steen c.q. gebrekkige opstal. De rechtbank neemt als vaststaand aan dat de werknemer is gevallen van de trap nabij de toegangsdeur van de woning. De rechtbank is van oordeel dat de trap kwalificeert als gebrekkige opstal. Het gaat volgens de rechtbank om een oude, stenen trap met scheuren tussen de stenen en ongelijke en deels afgebroken traptreden. In het midden kan blijven of de werknemer is gestruikeld over de losliggende steen of anderszins ten val is gekomen, nu de staat van de trap als geheel dusdanig ondeugdelijk was dat het risico op vallen groter was dan normaal gesproken verwacht mag worden. Inherent hieraan is dat de woning en trap werden gebruikt door mensen die daar maar kort verbleven en dus niet bekend waren met specifieke gebreken, zoals ongelijke traptreden. Daarnaast acht de rechtbank het plegen van onderhoud aan de trap voor de eigenaar niet bezwaarlijk, terwijl het risico dat iemand valt zoals hiervoor overwogen aanmerkelijk is. Als verweer tegen de vordering op grond van artikel 6:174 BW heeft de eigenaar van de woning een beroep gedaan op artikel 6:181 BW. Volgens de eigenaar is het verhuurbedrijf waaraan hij de woning verhuurde aan te merken als kwalitatief aansprakelijke partij, zodat de eigenaar niet aansprakelijk is uit hoofde van artikel 6:174 BW. Het ontstaan of bestaan van het gebrek aan de trap heeft naar het oordeel van de rechtbank niets te maken met de bedrijfsuitoefening van het verhuurbedrijf of de uitzendorganisatie. Zo is niet gebleken van een specifieke eigenschap die de trap gezien het bedrijfsmatige gebruik ervan gebrekkig of onveilig heeft gemaakt; de trap is bijvoorbeeld niet aangepast naar de bedrijfsmatige behoeftes van het verhuurbedrijf of de uitzendkracht. De eigenaar hield daarnaast zeggenschap over de (trap bij) de woning. Zij heeft de woning immers kort voor verhuur aan het verhuurbedrijf gerenoveerd. Uit het onderzoeksrapport blijkt daarnaast dat de eigenaar ‘eindverantwoordelijk [is] voor de algehele staat en veiligheid van het pand’ en ‘zorgdraagt voor het herstellen c.q. oplossen van de vastgestelde gebreken c.q. beschadigingen’. De eigenaar heeft dit met zoveel woorden tijdens de mondelinge behandeling herhaald en daaraan toegevoegd dat de opstalverzekering op haar naam is afgesloten. Hieruit volgt dat de eigenaar zeggenschap had over het schadeveroorzakende gebrek in de opstal. Gelet op het voorgaande is de slotsom dat de aansprakelijkheid van de eigenaar niet kan worden verlegd naar het verhuurbedrijf of de uitzendorganisatie als bedrijfsmatige gebruikers en dat de eigenaar aansprakelijk is uit hoofde van artikel 6:174 BW voor het ongeval.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 04-02-2026