Deelgeschil. In 2020 is een wielrenner een ongeval overkomen op een fietspad. De wielrenner en zijn fietspartner hebben een noodstop gemaakt nadat zij een tegemoetlopende wandelaar en zijn hond zagen. De wielrenner is hierdoor gevallen en heeft daarbij een dwarslaesie opgelopen. De wielrenner verzoekt de rechtbank te bepalen dat de wandelaar aansprakelijk is voor het ontstaan en de gevolgen van het hem overkomen ongeval. Primair stelt hij dat de man onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, onder andere omdat de man zijn hond niet voldoende kort had aangelijnd, maar hem aan de andere kant van het fietspad in de berm liet lopen. Subsidiair doet de wielrenner een beroep op risicoaansprakelijkheid ex artikel 6:179 BW, meer subsidiair een beroep op zaakwaarneming. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wandelaar een gevaarlijke situatie in het leven geroepen. Het lopen op een fietspad is op zichzelf niet gevaarzettend (een voetpad is daar immers niet aanwezig en het is niet verboden daar te lopen), maar het brengt logischerwijs wel met zich, dat de wandelaar rekening moest houden met tegemoetkomende fietsers. Daar komt bij dat de waarschijnlijkheid van onoplettend en onvoorzichtig gedrag van het tegemoetkomend fietsverkeer op een fietspad als dit niet gering is. De wandelaar had zijn hond zodanig kort aangelijnd moeten hebben dat hij bij onverwachte, plotselinge situaties (zoals hem tegemoetkomende fietsers) zijn hond meteen dicht naar zich toe kon trekken. Hoewel partijen verschillen van mening over de precieze plek op/bij het fietspad waar de hond ten tijde van het ongeval liep, heeft de wandelaar wel erkend dat zijn hond voorafgaand aan het ongeval 2 meter van hem vandaan liep, dat de hond vóór hem liep en dat de hond óp het fietspad liep. De hond liep dus niet in de berm in zijn directe nabijheid. De wandelaar moest er ook rekening mee houden dat hijzelf en – des te meer – zijn (kleine) hond voor tegemoetkomende fietsers pas op een laat moment zichtbaar zouden zijn, gelet op de weersomstandigheden, de schemering, de flauwe bocht in het fietspad ter hoogte van de ongevalslocatie en de hoge begroeiing in de berm aldaar. Hoewel hij daartoe niet verplicht was, was het verstandig geweest als hij verlichting had gevoerd (bij zichzelf en/of bij zijn hond en/of aan de riem). Dat is in deze tijd ook in financiële zin niet een veiligheidsmaatregel die bezwaarlijk van hem kon worden gevraagd. Het feit dat de wielrenner uiteindelijk noch de hond, noch de hondenlijn heeft geraakt, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het causaal verband tussen de aanwezigheid van (de lijn van) de hond op het fietspad en het ontstaan van het ongeval. De rechtbank geeft geen oordeel over een mogelijk eigen schuld aan de zijde van de wielrenner. Uit het verzoekschrift leidt de rechtbank namelijk af dat hij in dit deelgeschil géén beslissing van de rechtbank vraagt over de vraag of sprake was van eigen schuld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij ook uitdrukkelijk verklaard dat zijn verzoek niet inhoudt dat ook (eventuele) eigen schuld wordt meegenomen. De wielrenner wil dit onderwerp aan de orde stellen tijdens het nadere overleg van partijen buiten rechte. Bij het begroten van de kosten van de deelgeschilprocedure gaat de rechtbank voorbij aan het bezwaar van de wandelaar dat onduidelijk is of de wielrenner de kosten voor dit deelgeschil uiteindelijk zelf zal moeten betalen. In reactie daarop heeft de wielrenner namelijk aangevoerd dat zijn rechtsbijstandsverzekeraar de kosten van de advocaat alleen dekt voor zover die niet kunnen worden verhaald of door derden worden vergoed en dat geïncasseerde proceskostenveroordelingen en buitengerechtelijke kosten toekomen aan de rechtsbijstandsverzekeraar. De verzekeraar heeft de advocaat van de wielrenner ook te kennen gegeven dat de gemaakte en te maken (buitengerechtelijke) kosten ‘dienen’ te worden verhaald. Het aantal uren voor het opstellen van een verzoekschrift worden niet beperkt. De opgegeven 18 uur voor het opstellen van het verzoekschrift acht de rechtbank in de deze zaak redelijk.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 21-04-2026