Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0227

Deelgeschil. Een werknemer is in 2020 bij het inladen van een bestelbus ten val gekomen. Hierdoor heeft de man een verbrijzelde radiuskop en een scheur in zijn linkerelleboogbot opgelopen. Daarvan ervaart hij nog steeds klachten. De kantonrechter komt tot de conclusie dat de werkgever niet aansprakelijk is ex artikel 7:658 BW omdat zij haar zorgplicht niet heeft geschonden. Het ongeval kenmerkt zich door het alledaagse karakter van de handeling van het in- en uitstappen in de bestelbus tijdens het laden van de meubelen via de tredeplank van de bestelbus. De werknemer was gewend om deze handeling tientallen keren per dag uit te voeren en deed dit werk al zo’n twee jaar bij de werkgever. Hij was dus bekend met de hoogte van de bestelbus en de tredeplank. Het betreft weliswaar een relatief hoge opstap, namelijk van ongeveer 45 cm tot aan de tredeplank en van ongeveer 45 cm van de tredeplank tot aan de vloer van de bestelbus, maar dit was voor hem een bekende hoogte. Daarnaast heeft de werkgever veiligheidsschoenen aan de werknemer ter beschikking gesteld, die hij op het moment van het ongeval ook droeg. Ook heeft de werkgever ervoor zorg gedragen dat zowel de vloer van de bestelbus als de tredeplank waren voorzien van een antislipvloer. Dat blijkt uit het deskundigenrapport. Er rustte geen verdergaande zorgplicht op de werkgever dan het ter beschikking stellen van een antislipvloer en -traptrede en veiligheidsschoenen. Het verzoek van de werknemer wordt afgewezen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Amersfoort), 06-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0226

In 2017 is een werknemer gewond geraakt tijdens zijn werkzaamheden toen een vallend dakpaneel hem raakte. Als gevolg hiervan heeft hij letsel opgelopen, waaronder breuken in zijn middenvoetsbeentjes en een scheur in zijn bekken. De werknemer vordert nu dat de kantonrechter onder andere voor recht verklaart dat zijn werkgever aansprakelijk is voor alle geleden en nog te lijden schade. Volgens hem heeft de werkgever niet aan de zorgplicht ex artikel 7:658 BW voldaan. Partijen twisten over de toedracht van het ongeval. Naar het oordeel van de kantonrechter is het voldoende dat vaststaat dat er tijdens het verrichten van werkzaamheden een dakpaneel naar beneden is gevallen en dat de man daar onder terechtgekomen is. De precieze toedracht kan daarom in het midden blijven. De werknemer heeft in de uitoefening van zijn werkzaamheden letsel opgelopen en dit betekent dat de werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade, tenzij zij aannemelijk kan maken dat zij alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die in redelijkheid van haar mochten worden verwacht. Het ging om gevaarlijk werk. De verantwoordelijkheid van de werkgever voor de veiligheid van de man werd die dag uitgevoerd door een andere werknemer, die zich ervan had moeten vergewissen dat het slachtoffer zich aan de veiligheidsinstructies hield. Uit de verklaring van deze toezichthouder in het EMN-rapport blijkt dat hij tijdens het hijsen van het dakpaneel geen zicht had op de werknemer. De kantonrechter leidt hieruit af dat de man zijn toezichthoudende taak daarmee heeft verzaakt. Juist bij een werknemer als deze, waarvan bij zowel bij de werkgever als de toezichthouder bekend was dat extra toezicht en instructie noodzakelijk was, had de werkgever meer moeten doen om zich ervan te vergewissen dat de werknemer zich aan de veiligheidsinstructies hield door voldoende afstand te nemen en te houden. De werkgever heeft dus niet aan haar zorgplicht voldaan. Van bewuste roekeloosheid is geen sprake. Het feit dat de werknemer na de geschreeuwde waarschuwing niet op tijd voldoende afstand heeft genomen of heeft kunnen nemen is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is geweest van bewust roekeloos gedrag. Het verzoek van de werkgever om de zaak te verwijzen naar de schadestaat wordt afgewezen. Het ongeval heeft ruim acht jaar geleden plaatsgevonden en er is sprake van een medische eindtoestand. Dit betekent dat de werknemer in staat moet zijn om zijn schade inzichtelijk te maken. De kantonrechter zal hem de gelegenheid geven een akte te nemen om zijn schade te onderbouwen. Voor het nemen van deze akte krijgt hij een termijn van vier weken. De werknemer krijgt in afwachting van de verdere procedure een voorschot van € 5.000 toegewezen.
Rechtbank Noord-Holland, 14-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0225

Deelgeschil. In 2020 is een wielrenner een ongeval overkomen op een fietspad. De wielrenner en zijn fietspartner hebben een noodstop gemaakt nadat zij een tegemoetlopende wandelaar en zijn hond zagen. De wielrenner is hierdoor gevallen en heeft daarbij een dwarslaesie opgelopen. De wielrenner verzoekt de rechtbank te bepalen dat de wandelaar aansprakelijk is voor het ontstaan en de gevolgen van het hem overkomen ongeval. Primair stelt hij dat de man onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, onder andere omdat de man zijn hond niet voldoende kort had aangelijnd, maar hem aan de andere kant van het fietspad in de berm liet lopen. Subsidiair doet de wielrenner een beroep op risicoaansprakelijkheid ex artikel 6:179 BW, meer subsidiair een beroep op zaakwaarneming. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wandelaar een gevaarlijke situatie in het leven geroepen. Het lopen op een fietspad is op zichzelf niet gevaarzettend (een voetpad is daar immers niet aanwezig en het is niet verboden daar te lopen), maar het brengt logischerwijs wel met zich, dat de wandelaar rekening moest houden met tegemoetkomende fietsers. Daar komt bij dat de waarschijnlijkheid van onoplettend en onvoorzichtig gedrag van het tegemoetkomend fietsverkeer op een fietspad als dit niet gering is. De wandelaar had zijn hond zodanig kort aangelijnd moeten hebben dat hij bij onverwachte, plotselinge situaties (zoals hem tegemoetkomende fietsers) zijn hond meteen dicht naar zich toe kon trekken. Hoewel partijen verschillen van mening over de precieze plek op/bij het fietspad waar de hond ten tijde van het ongeval liep, heeft de wandelaar wel erkend dat zijn hond voorafgaand aan het ongeval 2 meter van hem vandaan liep, dat de hond vóór hem liep en dat de hond óp het fietspad liep. De hond liep dus niet in de berm in zijn directe nabijheid. De wandelaar moest er ook rekening mee houden dat hijzelf en – des te meer – zijn (kleine) hond voor tegemoetkomende fietsers pas op een laat moment zichtbaar zouden zijn, gelet op de weersomstandigheden, de schemering, de flauwe bocht in het fietspad ter hoogte van de ongevalslocatie en de hoge begroeiing in de berm aldaar. Hoewel hij daartoe niet verplicht was, was het verstandig geweest als hij verlichting had gevoerd (bij zichzelf en/of bij zijn hond en/of aan de riem). Dat is in deze tijd ook in financiële zin niet een veiligheidsmaatregel die bezwaarlijk van hem kon worden gevraagd. Het feit dat de wielrenner uiteindelijk noch de hond, noch de hondenlijn heeft geraakt, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het causaal verband tussen de aanwezigheid van (de lijn van) de hond op het fietspad en het ontstaan van het ongeval. De rechtbank geeft geen oordeel over een mogelijk eigen schuld aan de zijde van de wielrenner. Uit het verzoekschrift leidt de rechtbank namelijk af dat hij in dit deelgeschil géén beslissing van de rechtbank vraagt over de vraag of sprake was van eigen schuld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij ook uitdrukkelijk verklaard dat zijn verzoek niet inhoudt dat ook (eventuele) eigen schuld wordt meegenomen. De wielrenner wil dit onderwerp aan de orde stellen tijdens het nadere overleg van partijen buiten rechte. Bij het begroten van de kosten van de deelgeschilprocedure gaat de rechtbank voorbij aan het bezwaar van de wandelaar dat onduidelijk is of de wielrenner de kosten voor dit deelgeschil uiteindelijk zelf zal moeten betalen. In reactie daarop heeft de wielrenner namelijk aangevoerd dat zijn rechtsbijstandsverzekeraar de kosten van de advocaat alleen dekt voor zover die niet kunnen worden verhaald of door derden worden vergoed en dat geïncasseerde proceskostenveroordelingen en buitengerechtelijke kosten toekomen aan de rechtsbijstandsverzekeraar. De verzekeraar heeft de advocaat van de wielrenner ook te kennen gegeven dat de gemaakte en te maken (buitengerechtelijke) kosten ‘dienen’ te worden verhaald. Het aantal uren voor het opstellen van een verzoekschrift worden niet beperkt. De opgegeven 18 uur voor het opstellen van het verzoekschrift acht de rechtbank in de deze zaak redelijk.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 21-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0224

Strafrecht. De verdachte heeft het slachtoffer in zijn gezicht geschoten. Hij heeft verklaard dat het slachtoffer zijn zoon aanviel, waarna de verdachte naar buiten is gerend en één schot heeft gelost. Het slachtoffer is aan zijn opgelopen letsel overleden. De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de doodslag. De twee zoons, de weduwe, de moeder en de vader hebben zich gevoegd in het strafproces. De gevorderde affectieschade door deze partijen wordt toegewezen. Voor het verweer van de verdediging dat sprake zou zijn van eigen schuld door het slachtoffer bestaat geen grondslag. Dit verweer wordt verworpen. De rechtbank wijst de gevorderde shockschade van de broer af. Ondanks dat hij is geconfronteerd met de gevolgen van het delict, namelijk doordat hij zijn broer heeft vastgehouden nadat deze was neergeschoten en hij geconfronteerd is geweest met het overlijden, heeft hij zich niet onder medische behandeling laten stellen. Dat is uiteraard een persoonlijke keuze, maar de vraag of bij hem geestelijk letsel is ontstaan in de zin van shockschade, is daarom niet onderbouwd met stukken van een deskundige. De rechtbank acht dit deel van de vordering onvoldoende onderbouwd. Daarnaast slaagt het beroep van de broer op de hardheidsclausule niet. De broer wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. Omtrent de partner van het slachtoffer stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij op 21 oktober 2025 bij het café aanwezig was en dat zij heeft gezien hoe het slachtoffer na een ruzie met een vuurwapen van dichtbij in zijn gezicht is geschoten. Zij heeft het slachtoffer daarna met de wond in zijn gezicht ondersteund en ze zijn samen weggelopen. Later is zij geconfronteerd met zijn overlijden in het ziekenhuis. Het verweer dat de benadeelde partij vanwege de aard en hechtheid niet tot de kring van gerechtigden zou behoren, verwerpt de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat de confrontatie met het delict bij haar een emotionele schok teweeg heeft gebracht waardoor geestelijk letsel is ontstaan en stelt de shockschade naar de maatstaven van billijkheid vast op een bedrag van € 15.000.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 13-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0218

Op 25 augustus 2020 zijn de twee gedupeerden betrokken geraakt bij een kettingbotsing. Zij bevonden zich samen in een personenauto die van achteren werd aangereden. Na het ongeval kregen beide verzoekers diverse gezondheidsklachten, zoals (ernstige) hoofdpijn, nek-, schouder- en rugpijn, duizeligheid, misselijkheid en psychische problemen. De rechtbank overweegt dat, hoewel de verzekeraar de aansprakelijkheid heeft erkend en een voorschot op de schadevergoeding heeft betaald, er op dit moment nog geen vaststellingsovereenkomst is bereikt en de onderhandelingen feitelijk stil zijn komen te liggen. De verzekeraar heeft aangegeven niet verder te willen onderhandelen over de schadevergoeding, omdat volgens haar het causale verband tussen de klachten van de gedupeerden en het ongeval ontbreekt en dat daarmee de schadeafwikkeling is afgerond. Vanwege de weigerachtige houding van de verzekeraar om de reeds gemaakte buitengerechtelijke kosten te vergoeden en de gedupeerden, zoals zij stellen, mede daardoor de financiële middelen niet hebben om verdere stappen te nemen, is de schadeafhandeling in een impasse geraakt. Het komt er daarom op neer dat een beslissing over betaling van de buitengerechtelijke kosten deze impasse kan doorbreken en kan bijdragen aan het herstel van de onderhandelingen. Daarom leent dit verzoek zich voor behandeling als deelgeschil. De rechtbank oordeelt dat het redelijk is dat er buitenrechtelijke kosten zijn gemaakt. De verzekeraar voert aan dat zij al voldoende buitengerechtelijke kosten heeft betaald en dat de gevorderde kosten niet in verhouding staan tot de omvang van de schade, verdere buitengerechtelijke kosten zijn volgens haar buitenproportioneel. De rechtbank stelt in deze zaak het aantal voor vergoeding in aanmerking komende uren en het uurtarief vast.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 07-05-2026